239 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

239 Things

Als kind had ik de wens om een vriendschap te sluiten met een Siberische tijger. Heel veel mensen hebben die innerlijke wens om met wilde dieren te zijn. Ik snap dat totaal. En ergens is het mooi om te zien als dat sommige mensen lukt. Sommige mensen kunnen echt met tijgers zwemmen en beren knuffelen.

Hiervoor geldt weer dat als die twee werelden elkaar aanraken of botsen met elkaar (desnoods met het afrukken van een arm of een verplettering), dat echt een schoonheidservaring bij me oproept. Zoals op YouTube. Er staan honderden filmpjes op YouTube waarin mensen echt met wolven leven, met tijgers jongleren. Zo is er ook een fragment in een dierentuin. Een ijsbeer heeft een stereotiepe toerist bij haar mollige been te pakken. De vrouw was over het hek heen geklommen en wilde Blinky (zijn naam) van dichtbij bekijken. Niet zonder risico.

Logisch is dat niet, vanuit het perspectief van de toerist. Vanuit het perspectief van Blinky is het meer dan logisch. Wat zo tot de verbeelding spreekt, is niet alleen dat ik op YouTube vanuit mijn slaapkamer kan zien hoe een ijsbeer, die Blinky heet, zo adorabel zijn vlijmscherpe tanden steeds dieper in een toeristenbout zet. Maar dat ik Blinky in een dierentuin voor heel even als een echt dier aanschouw. Hij komt tot leven. Blinky ervaart dat de grens tussen zijn kooi en de wandelpaden waar mensen foto’s van hem maken, dat daartussen heel even zijn eigen natuur bestaat. Noem het instinct, noem het verveling. Maar wat Blinky daar doet, is niet in verhalen neer te zetten. Het is. De naam Blinky verdwijnt met elke hap in haar vlees. Want tussen de tralies ligt de echte wereld waar de ijsbeer misschien zijn eigen naam weet en misschien niet.

John Berger schrijft dat dieren in onze maatschappij al in de marge zijn geraakt door onze neiging om dieren tot producten van ons eigen leven te maken. De verklaring van de hond die zo op zijn baasje lijkt. En in die marge zoeken de wilde dieren ook de grens op in gevangenschap.

Een dronken toerist met een voetbalshirt en gel in zijn stekelige haar bonkt op het glas van een wild dier dat als een couch potato met zijn rug naar de man toe ligt. ‘For the bloody love of God, do something!’ brult de man.

Ik denk aan de man die in de walvis woont. Bij mensen bestaan de tralies van gevangenschap in Disneyfilms of Bijbelse verhalen voornamelijk uit de huid of de mond van de dieren zelf, die mensen doorboren of open willen maken. Jona.

Het dierlijke in de mens en vice versa is een droomachtige vriend en vijand wereld. De onmogelijkheid daarvan drijft mij vaak ertoe om het toch te proberen. Ik verklaar mensen die tijgers willen aaien voor gek. Maar zelf zal ik het ook proberen. Als geliefden elkaar kussen, drukken ze elkaars hoofd hard tegen elkaar aan. Hun hersens moeten vermengd worden. Het draaien van de tong, de spier in ons lichaam waar minuscule deeltjes worden omgezet in grootse dingen.

Maar gelukkig heeft een hond een vorm en zweeft hij niet als beslag door de kamer. Gelukkig kunnen wij honden en katten aaien en aanbidden. Misschien zelfs met succes proefondervindelijk de ruimte insturen.

“You can’t have anything. You can’t have anything at all. Because desire just cheats you. It’s like a sunbeam skipping here and there about a room. It stops and gilds some inconsequential object, and we poor fools try to grasp it – but when we do the sunbeam moves on to something else, and you’ve got the inconsequential part, but the glitter that made you want it is gone. “ F. Scott Fitzgerald, uit The Beautiful and Damned

Inderdaad, verlangen glipt zo makkelijk door onze vingers zodra we datgene wat we begeren eenmaal beethouden. En met één knipper van de ogen zijn we wederom verblind door de schittering van een volgende onbekende schoonheid, de volgende belofte van liefde, van vervulde verlangens.

Laag na laag wordt het fineer weggekrast. Soms is dit een langdurig proces dat jaren, maanden, dagen beslaat. Anderzijds kan het vuur ineens en zonder waarschuwing worden gedoofd.

(Natuurlijk moeten we niet al te cynisch worden. Liefde bestaat voorbij de glans van verlangen, maar degene die dat geluk nog niet gevonden hebben storten zich al te graag telkens weer de dwaasheid in.)

De bronzen man staat op een ladder, armen geheven. How to meet an angel heet het kunstwerk dat de Russische kunstenaar Kabakov maakte in opdracht van een Amsterdamse psychiatrische kliniek. Eerst waren er natuurlijk protesten. Leek het niet alsof die man zelfmoord wilde plegen. En was het dan niet ongepast, zo’n beeld. Toen drong het tot de sputteraars door dat hij zich niet van het leven wil benemen, maar een engel wil ontmoeten. Net als jij. Net als ik.

Als ik naar de engelwachter kijk moet ik ook altijd denken aan een dichtregel van de Engelse dichter Auden. De Russische dichter Brodsky schreef ooit dat hij die regel als fundament van een religie zou willen gebruiken.

Ik heb een gedicht gemaakt waarin Auden en Kabakov elkaar ontmoeten.

Gebed van een zoon

Ik kijk naar Kabakovs man. Staand
op een ladder, zijn armen ten hemel.

En ik denk dat ben ik.
Reikend naar mijn verre vader.

Laat dit dan mijn gebed zijn:

If equal affection cannot be,

Let the more loving one be me.