241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Als je langs een verkeerslicht loopt in Larkhall wordt het duidelijk dat de kleur groen in deze stad wordt gehaat. Terwijl in andere steden het rode licht op groen springt, rijden de auto’s in Larkhall weg bij een kleurloos licht. Er is geen optie voor groen omdat de lampen vernield zijn. Alweer.

De eerste keer dat ik over deze – ik dacht, waarschijnlijk – “urban myth” hoorde was ik gechoqueerd. Maar na een beetje onderzoek werd al snel duidelijk dat alles in deze stad om de kleuren groen en blauw draait. Haat is hier de drijfveer voor een aantal fenomenen.

In Larkhall is het de kleur groen die voor zo veel opstand zorgt. De stad Larkhall ligt dichtbij Glasgow. Het is de enige stad waar de gevel van sandwichketen Subway niet groen, maar zwart is, waar de drogist het zonder de gebruikelijke groene kruis moet doen, en waar de hekken blauw geverfd zijn. Niet te vergeten dat ze vanwege de groene kleur “pishen” op het gras.

Maar waar komt deze haat nou eigenlijk vandaan? De voornaamste oorzaak is te vinden in voetbal. Wedstrijden tussen de blauwe protestantse “The Glasgow Rangers” en de groene katholieke “Celtic” – “The Old Firm” eindigen onvermijdelijk in rellen. Het is tijdens deze confrontaties tussen de hooligans in Larkhall dat de verkeerslichten gesloopt worden.

The Glasglow Rangers in opstand!

Op een gegeven moment kwam ik in contact met een “wee” Schotse dame die vroeger als lerares Engels werkte. Toen ik haar erover vroeg, vertelde ze mij dat alles in het dorp om sektarisme draait. Het woord sektarisme staat voor vooroordelen die gebaseerd zijn op religie – de haat voor groen is een van de meest extreme voorbeelden van sektarisme. Omdat groen symbool staat voor Katholicisme en Celtic, is er een groep die zich op geen enkele manier wil associëren met de kleur. De lerares vertelde mij dat het soms zelfs voorkwam dat wanneer studenten achter jouw voorkeur voor Celtic achterkwamen, een woede zich ontketende en stoelen naar je werden gegooid. Maar dat is niet het ergste wat er kon gebeuren. Een collega werd ooit zelfs neergestoken door deze vorm van sektarisme. Het is geen wonder dat er een algemene angst binnen de stad heerst, waar zelfs bedrijven deze kleuraversie volgen en de kleur proberen uit te roeien, wellicht uit angst voor de mogelijkheid om neergestoken te worden.

koekoeksklokken in de huiskamer

Vrijwel iedereen kent hem wel: de koekoeksklok. Dat huisje aan de muur, druk versierd met bladwerk, vogels en of andere dieren. Er hangen twee gietijzeren gewichten onder, in de vorm van dennenappels en de houten slinger is ook meestal voorzien van een blad.


Kinderen waren -en zijn- er dol op. Elke keer opnieuw komt het vogeltje vanachter zijn deurtje vandaan om buigend en snavelklappend, soms ook nog zijn vleugels bewegend, het aantal uren met zijn geroep aan te geven.
Ooit waren deze klokken buitengewoon populair, maar geleidelijk aan is dit minder geworden. Steeds meer won de gedachte terrein dat ze kitscherig waren en dat het eigenlijk niet ‘bon ton’ was om zo’n klok in je interieur op te hangen. Een Zaanse of Friese klok of een Franse comtoise aan de muur, dát was pas chic. De koekoeksklok werd in veel gevallen naar de gang verbannen en kwam uiteindelijk op zolder terecht en van daaruit niet zelden in de vuilnisbak!

Hoezo kitsch? Toegegeven, er zijn veel, ook naar mijn smaak, lelijke koekoeksklokken gebouwd. Het houtsnijwerk werd geleidelijk aan steeds minder verfijnd en bovendien ook steeds vaker in schreeuwerige kleuren uitgevoerd. Het woord lelijk is hier voor mijn gevoel prima op zijn plaats, maar kitsch? Nee.


Bij kitsch denk ik aan al die zogenaamd ‘oudhollandse’ Zaanse en Friese klokken, zoals die sinds de jaren vijftig steeds vaker verkocht werden en die nu nog steeds in enorme hoeveelheden in bejaardenhuizen de muren ‘sieren’. Op die klokken is het begrip kitsch van toepassing omdat zij samengesteld zijn uit onderdelen die overal vandaan komen, met hun kasten van multiplex of spaanplaat, hun acht dagen lopende uurwerkjes uit het Zwarte Woud en hun gegoten koperen sierstukjes met daarop de tekst: ‘Nu elck sijn sin’.


Een authentieke Zaanse klok bestáát wel, maar is meer dan een halve meter groot, het zware peervormige gewicht aan een koord moet tweemaal per dag opgetrokken worden en de klok kost zo’n slordige tienduizend euro. Maar dan heb je ook wel een exemplaar dat gebouwd is rond het jaar 1700!

Zaanse klokken


De meeste ‘geleerden’ gaan er tegenwoordig vanuit dat de koekoeksklok rond 1730 is ‘uitgevonden’ door Franz Anton Ketterer in Schönwald in het Zwarte Woud. Van tijd tot tijd werden er in bestaande typen klokken twee ‘orgelpijpjes’, met daarop kleine blaasbalgjes, ingebouwd. Een mechaniekje tilde deze balgjes elk halfuur na elkaar op en omdat ze onderling een terts of een kwart in toonhoogte verschilden, was de ‘koekoeksklok’ geboren.


Het bekende huisjesmodel ontstond pas veel later, zo rond 1860. De baanwachtershuisjes die hier en daar langs de kort tevoren in het Zwarte Woud aangelegde spoorlijnen verrezen, stonden model voor dit nieuwe type klok, dat in liefhebberskringen daarom ook wel wordt aangeduid als ‘Bahnhäusle’. Dit waren nog steeds vrij sober uitgevoerde klokken. Er wás al wat houtsnijwerk aan en op te vinden, maar vanaf zo rond 1880 werd een en ander geleidelijk aan veel ‘rijker’ en kwam het in veel meer uitvoeringen en afmetingen op de markt. Ook werden sommige koeksklokken voorzien van nóg een vogeltje: de kwartel. Die roept elk kwartier een keertje vaker en op het hele uur roept de koekoek daarna nog eens het aantal uren dat de wijzers aangeven. Ook zijn er nogal wat koekoeksklokken voorzien van een speelwerk(je). Na het roepen van de koekoek klinkt dan bijvoorbeeld nog de melodie ‘Edelweiss’ of ‘Der fröhliche Wanderer’ of een gedeelte uit ‘Eine kleine Nachtmusik’ van Mozart om maar eens wat te noemen.

Ook bijzonder is dat de koekoeksklok sinds de begintijd met alle meubelstijlen meegegaan is: er zijn ‘Biedermeier-koekoeksklokken’, prachtige uitvoeringen met Jugendstilkenmerken, Art Deco-klokken, maar ook ‘moderne’ uit de jaren zestig en zeventig.

Tegenwoordig worden veel koekoeksklokken voorzien van een batterijuurwerk, met ‘siergewichten’ en dito slinger van plastic. Het -net echte- koekoekgeluid, geplaatst op een chip, komt dan uit een luidsprekertje in de klok. Wanneer men bij dit laatste van kitsch wil spreken kan ik mij dat overigens wel voorstellen. Maar………de koekoek is nog steeds niet uitgeroepen en er worden nog ieder jaar zo’n half miljoen exemplaren gebouwd in hun ‘geboortestreek’: het Schwarzwald in Zuid-Duitsland. En niet, zoals zoveel mensen denken, in Zwitserland en/of Oostenrijk!
de logeerkamer bij Henk Valk


kinder klokken

Mijn lievelingslicht is het licht van lekker grote tl-buizen tegen de muur of boven de tafel. Mijn huis hangt dan ook vol met deze buizen, met af en toe als alternatief een kaal peertje.

Het is goed licht om bij te lezen en om te zien wat er op je bord ligt. Ik heb het niet zo op die sfeerverlichting. Mijn gasten zijn het niet altijd met me eens, merk ik, te vaak nemen ze waxinelichtjes en kaarsen mee als cadeau. ‘Het is zo ongezellig, met dat witte koude licht.

Vreemd is dat het werk van Dan Flavin mij nooit echt boeide, we hielden immers van dezelfde dingen. Dan Flavin besloot aan het begin van zijn carrière, in 1963, tot een keuze voor fluorescerend licht en tot zijn dood in 1996 maakte hij composities van rechte of ronde tl-buizen. Misschien lag het te dicht bij mijn ervaring thuis, waar dezelfde buizen hingen. Meer waardering had ik voor de neons van Bruce Nauman die bijvoorbeeld zijn eigen naam in lichtletters schreef: BBBBRRRRUUUUUCCCCEEEE.

In musea kwam ik Flavins buizen tegen te midden van ander minimalistisch werk, zoals een rij bakstenen of platen lood op de vloer van Carl Andre of de dozen van Donald Judd. Ik vond de tl’s van Flavin nogal saai.

De magie werd me onlangs ‘geopenbaard’, zo kan ik het rustig noemen, in een overzichtsexpositie in Parijs (2006). De witte zalen van het museum waren omgetoverd in gekleurde ruimten en het leek in niets op een goedkoop Disneyeffect, nee het deed eerder denken aan een heilige ruimte, een kerk, een stiltecentrum. De ruimten leken nauwelijks meer te bestaan, alles was kleur en licht, alsof de muren waren weggevallen. Ze waren enkel nog aanwezig als een stoplap voor het aanwezige licht. Stil zat ik op een bankje en de magie van de kleuren deed me goed. Als in een meditatie vielen mijn gedachten stil, ik keek en liet de kleur en de opgeloste ruimte op me in werken. Wie is deze Dan Flavin? Ik werd nieuwsgierig naar deze man, als naar een oud familielid dat plots opduikt.

‘My name is Dan Flavin. I am thirty-two years old, overweight and underprivileged, a Caucasian in a negro year’, zo stelt hij zichzelf voor in de tekst In daylight and cool white uit 1965. Hij schrijft er over zijn nare jeugd met twee fanatiek gelovige ouders. ‘Before becoming seven, I attempted to run away from home but was apprehended by a fear of the unknown in sunlight just two blocks from our house’. Al lezend leer ik hem een beetje kennen.

Al zit de angst (geopenbaard in het zonlicht) hem op de hielen,deze biografische weetjes zijn van geen enkel belang om het werk te begrijpen. Zijn beelden hebben niets van doen met de gevoelens van de maker. De werken van Flavin zijn een eindeloze variatie van spullen die gewoon in de winkel te koop zijn. Het is niet de hand van de kunstenaar die het heeft vormgegeven, zoals bij klei of brons. Hij kiest en arrangeert en maakt het. Als hij eenmaal wat beroemder is, laat hij een assistent het werk in elkaar zetten.

Zijn eerste werken met elektrisch licht riepen onbegrip op bij zijn vrienden. ‘You have lost your little magic’, riepen ze uit. Het leek hen zonder betekenis, een lot dat de lampen van Flavin deelden met andere minimal art. Een verzameling spullen uit de winkel, hoe kan dat nu iets betekenen? En rij bakstenen op de vloer leek te simpel voor een diepere inhoud.

Licht is een gegeven vol mystiek en symboliek. Eeuwenlang werd het goddelijk licht gesuggereerd, geschilderd in stippen en streken verf. Hier is het, pats, gewoon aanwezig. Het licht zelf wordt geëxposeerd: ‘blunt in bright repose’ zoals Flavin het omschreef (vrij vertaald: bot aanwezig maar in stralende rust).

En door de aanwezigheid van het licht transformeert de ruimte dus in een zwevende kleurendoos.

In de catalogus staat een foto van het allereerste pure tl-werk van Flavin: een buis maakt een hoek van 45 graden met de vloer en geeft geel licht. Een gouden aura schittert om de buis en de houder heen. The diagonal of personal ecstasy (1963) noemt Flavin het in een tekening en het werk is opgedragen aan de eindeloze zuil van Constantin Brancusi*. Het is een vreemde titel. Het is opmerkelijk dat Flavin het woord ‘ecstasy’ gebruikt. Extase of zielsverrukking is niet iets waar je snel aan denkt bij minimal art. Minimal art laat zich zelden verleiden tot een spirituele betekenis. De spullen die de kunstenaars gebruiken zijn industrieel en de kern van het werk is de eenvoud, de herhaling en juist de objectiviteit. Er is gewoon orde aangebracht in bestaande dingen, simpel het één na het ander of het een naast het ander. Als een manier om te ontdekken ‘what the world is like’ verklaarde minimal artist Donald Judd. Het leek hem een misverstand dat de expressie van gevoelens ook maar iets aan iemand duidelijk kon maken. Hoe weet jij nu hoe mijn hoofdpijn voelt? Als ik naar de kleur groen kijk zie ik misschien wel net een andere kleur dan jij. Het kijken naar minimal art vertelt al helemaal niets over de kunstenaar, de betekenis zit in de ervaring van de toeschouwer. En dat is voor iedereen weer anders. Zoals ook in het dagelijks leven ieder in z’n eigen wereld leeft en alles anders ervaart. Als minimal art een boodschap heeft dan zou het dit besef kunnen zijn. ‘But who could be sure how it would be understood?’ schrijft Flavin.

Minimal art draait om herhaling, industrieel, objectief. De spullen uit de winkel hebben niets goddelijks of spiritueels. Toch is het gele licht is warm en goddelijk. Als een moderne fetisj flonkert en straalt het licht van een moderne ordinaire tl-buis als een gouden aura om de lamp. En daar was Flavin gevoelig voor. Het effect van het licht, dat interesseerde hem, de ene keer koel wit, de andere keer alien-groen of goddelijk goud. ‘Directly, dynamically, dramatically’, noemt Flavin de aanwezigheid van het licht. Een beeld dat door brilliantie en straling zijn fysieke aanwezigheid verraadt in het immateriële.

Jan des Bouvries in his monochrome home.

Thuisgekomen uit Parijs zet ik de televisie aan en beland op een feestje van Jan des Bouvrie. Samen met zijn vrouw heeft hij net zijn huis verbouwd, alles, maar dan ook echt alles, is wit, en de sfeer komt van de verlichting. De ruimte licht groen op, blauw of wit. Een zoveelste voorbeeld hoe kunst in slechte handen zo kan worden omgezet in kitsch. ‘En ‘s avonds doen we natuurlijk alles rood,’ grapt zijn vrouw Moniek nog.

*It occurred to me then to compare the new diagonal with Constantin Brancusi's past masterpiece, the Endless Column. That artificial Column was disposed as a regular formal consequence of numerous similar wood wedge-cut segments extended vertically-a hewn sculpture (at its inception). The diagonal in its overt formal simplicity was only the installation of a dimensional or distended luminous line of a standard industrial device. Little artistic craft could be possible.

Camouflage is een wapen dat het zicht van de tegenstander weet te bedriegen.Al lijkt het vrij onschuldig, een leven kan van een dergelijke visuele deceptie afhangen. Door middel van een speciale toepassing van kleur, tekening en vorm wordt een dier of object versmolten met zijn achtergrond en/of wordt het moeilijker herkend. Dit is zowel van belang voor de prooi als voor het roofdier, dat op deze manier zijn doelwit onopgemerkt kan besluipen.

De mens daarentegen moet het doen met zijn lijfkleur, maar heeft gelukkig altijd nog zijn allesomvattende brein als strijdmiddel. Deze eeuwenoude techniek van moeder natuur, de kunst van het camoufleren, werd al vroeg afgekeken door de monochrome mens. Vegetius schrijft in de vierde eeuw na het begin van onze jaartelling dat de Romeinen hun boten Venetiaans Blauw schilderden, evenals de kleding van de bemanningsleden om zich te 'blenden' met de achtergrond. Het blauw van dit pigment kwam overeen met het donkere diepe blauw van de oceaan die zij overstaken om naar Engeland te varen in opdracht van Julius Ceasar.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd polychrome camouflage voor het eerst op grote schaal toegepast. In 1915 begonnen de Fransen met het uitvoerig beschilderen van hun uitrustingen en wapenvoertuigen. Tot dan toe hadden deze modderige kleuren om minder op te vallen en nu kregen ze aparte kleurvlakken volgens de vorm vervagende kleurtechniek.

De eerste camouflageschilders waren lid van de postimpressionistische en fauvistische (minder stippen en meer vlakken) school in Frankrijk. Later kregen ook modernistische stromingen waaronder het kubisme hun invloed op het camoufleren van de legers, aangezien zij veel kennis hadden van verstorende contouren, kleurentheorie en abstractie. In Frankrijk werd zelfs een officiële ‘Section de Camouflage’ opgericht waar schilders te werk gingen. Mocht je het idee hebben dat kunst slecht gedijt in tijden van oorlog; het blijkt dat kunst en oorlog angstvallig goed door één deur kunnen gaan. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werkten er zo’n duizenden ‘camoufleurs’ in ateliers rondom Parijs en nog eens duizenden schilders aan de frontlinies.

Het kubisme kwam al helemaal militair tot zijn recht toen kubisten de opdracht kregen Britse en Amerikaanse schepen te beschilderen. Het Venetiaans blauw van de Romeinen en andere pigmenten bleken niet effectief genoeg te zijn op zee om de boten nagenoeg onzichtbaar te maken door de veranderlijke weersomstandigheden op zee.

Gek genoeg bevonden de kleuren die nodig waren om het schip te camoufleren zich niet in het blauw/grijze spectrum, maar juist in scherp contrasterende kleuren zoals wit, zwart, blauw, rood et cetera. Norman Wilkinson, een Brits marineofficier en schilder, bedacht om het schip te beschilderen in geometrische vlakken met deze kleuren, zodat het varende schip door vormvervaging moeilijk in te schatten was voor de tegenstander, die verblind zou worden door de kleuren en daarom zijn torpedo mis zou schieten.

Het effect van de beschilderingen was zelfs zo groot dat het bijna niet in te schatten was welke kant het ‘razzle-dazzle’ schip op voer. Aan het einde van de oorlog werden er geen schepen meer op deze manier geschilderd. De uitstraling van deze schepen paste toch niet helemaal bij de militaire geest en maakte schepen zichtbaar voor vliegtuigen.


Kleur is een krachtig wapen gebleken in de evolutie van het leven op aarde. Het hebben van kleur op het lichaam werd een overlevingsstrategie voor veel dieren, bijvoorbeeld door middel van camouflage of intimidatie. Ook het erkennen van kleur door de ontwikkeling van een driekleurenzicht bleek gunstig te zijn voor veel diersoorten, waaronder de mens. Het bleek een groot voordeel te zijn bij het verkrijgen van voeding.

Nadat de mens, na de ontwikkeling van het driekleurenzicht, ontdekte dat pigment een kleur achter liet op een oppervlakte, ontstond er een vraag naar betere pigmenten om verf van te maken, en kleur veroverde een fundamentele plek in het leven van de mens.

Briljante kleuren waren zeldzaam in de premoderne wereld, schrijft Robert Finlay in Weaving the Rainbow: Visions of Color in World History. Iemand die vandaag de dag naar een kleurentelevisie kijkt, door een supermarkt loopt, of naar een doos met kleurpotloden kijkt, ziet een groter aantal heldere tinten in een klein tijdsbestek dan de meeste personen deden gedurende hun hele leven in de premoderne wereld. Kleur was daarom voor de industriële revolutie beladen met een enorme symbolische betekenis en men kende een aantrekkingskracht naar zeldzame tinten. Wereldwijd werd er in beschavingen gebruik gemaakt van conceptuele kleurcoderingen, om een status te verlenen aan een object, persoon of evenement. Rituelen deden zich op deze manier voor als een uitbarsting van kleur in een eentonige bruin/groene omgeving. Alle pigmenten waren kostbaar, maar sommigen pigmenten, zoals Lapis Lazuli ofwel ‘de diamant der kleuren’, overstegen zelfs goud in waarde.

Iedere cultuur kende een zekere waardering voor kleur, maar al snel zagen mensen ook een keerzijde in de uitbundigheid en opvallende aard van heldere tinten.

In de tiende eeuw schreef een Japanse dichter;

De wereld is nu geobsedeerd door kleur,
en de harten van de mensen zijn zo wispelturig als bloemen,
alleen ledige liedjes en veranderlijke zaken zijn er in overvloed.

Chromofilie en chromofobie bestonden gelijktijdig in de meeste culturen. Felle kleuren werden bekeken met een bepaalde dubbelzinnigheid. Zij werden hooggewaardeerd voor bepaalde aspecten, en gedenigreerd voor andere eigenschappen.

Voor Plato representeerde kleur een sierlijke illusie; de belichaming van wat kortstondig en grillig is. Aristoteles beweerde dat zelfs de mooiste kleuren een beeld nooit mooier zouden kunnen maken dan een kleurloos beeld.


Veel christelijken zagen flamboyante kleuren als een duivelse mantel over de creatie van God. Desiderius Erasmus schreef dat het dragen van gestreepte en meerkleurige kleding betekende dat deze personen er net zo belachelijk uit zien als clowns en apen.

Goethe stelde vast dat veel geraffineerde mensen een afkeer kennen tegen kleur. Juist de mensen dus die de meeste bevoegdheid hebben tot felle kleuren.

In de meeste beschavingen toonde de elite dus een uitgesproken chromofobie. In hun ogen waren heldere kleuren het gebied van de barbaren, kinderen, gepeupel en de onwetenden. Het was het boegbeeld van oppervlakkigheid, bevooroordeeldheid, irrationaliteit, sensualiteit, wanorde en misleiding.

Wassily Kandinsky schreef; ‘Kleur is een kracht die direct de ziel kan beïnvloeden. Kleur is de toets, de ogen zijn de hamers en de ziel is de piano met zijn vele snaren.’[1] Kleur is dus niet een rationeel gegeven volgens hem.

Vorm en lijn belichaamde het mannelijke Apollinische zelfdiscipline en kleur stond voor de losbandigheid en Dionysische aspect van de vrouw. Volgens mannen waren vrouwen over het algemeen ijdel, vluchtig, idioot, oppervlakkig, verleidelijk en gedreven door emoties. Charles Blanc (1813-1882) schreef naar aanleiding van zijn kleurenleer dat er in een schilderij een eenheid moet zijn tussen kleur en ontwerp, net zoals er binnen een maatschappij een balans moet zijn tussen de man en de vrouw, maar dat het ontwerp het overwicht moet houden anders is het schilderij gedoemd te mislukken. Het zou worden bedrogen door kleur net als de mensheid bedrogen uit kwam door Eva en haar appel.

Misschien dat deze relatie met kleur die aan vrouwen werd toebedeeld niet geheel uit de lucht komt vallen. Studies wijzen uit dat vrouwen een veel groter onderscheidingsvermogen hebben om kleuren te definiëren. Niet alleen hebben mannen veel vaker last van kleurenblindheid, aangezien het driekleurenzicht via de X-chromosoom wordt overgegeven, ook is uit recentelijk genetisch onderzoek gebleken dat sommige vrouwen een tetra-chromatisch kleurenzicht bevatten, ofwel een vierkleurenzicht. Zij hebben als een extra type kegeltje tussen de kegeltjes voor de middellange en lange golflengtes waardoor deze vrouwen kleuren nog geraffineerder kunnen definiëren.[3]

Pure verzadigde kleuren zijn meestal synthetische creaties. Naast felgekleurde vogels, kevers, vlinders en bloemen, manifesteert de natuur zich in bruin- en groentinten onder een hemel van onverzadigd blauw. Volgens sommige mensen is deze verhouding perfect. Fel gekleurde, door de mens gefabriceerde artefacten over-stimuleren de hersenen, wat inwerkt op de ontwikkeling van een chromofobie.

In de Chinese en Japanse cultuur overheerst chromofobie al sinds vele eeuwen geleden. De Japannezen keken neer op perziken en pruimen en zagen deze als vulgair en voluptueus door hun diep-roze bloesems. In plaats daarvan kenden zij een grote aantrekkingskracht tot de delicate roze-achtige witte tint van de kersenbloesems, waarvan de blaadjes maar zo kort bloeide.

De boeddhistische cultuur kende echter een zeer complexe kleurensymboliek. Grotten gedecoreerd door boeddhisten bij de Dunhuang in de provincie Gansu bevatten geverfde standbeelden, tekeningen van regenbogen, meerkleurige mandala’s en felgekleurde muurschilderingen.

Arabië spande de kroon van chromofilie en representeerde het rijk van de kleur. Hun chromofilie is geografisch te verklaren. Arabië genoot na de middeleeuwen van de nieuwe heldere pigmenten die Europese pioniers importeerden vanuit andere delen van de wereld. Daarnaast stroomde de Nijl, de meest belangrijke bron voor leven in het gebied, als een gekleurd lint door het bruine landschap.

Kleur was voor hun een manier om juist dichter bij de heilige geest van het leven te komen, in plaats van dat het je in de val van oppervlakkigheid liet lopen. Dit was zowel van belang in de tijd van de Egyptenaren en later de Islam. In de Qu’ran neemt kleur een bijzondere en belangrijke plaats in bij het vertrouwen in God. De Arabische naam God, ‘musawwir’, wat ‘de maker’ betekent, is zelfs ook een term die gebruikt wordt om een schilder aan te duiden. Het gevolg was weelde aan kleur in elke laag van de samenleving die in geometrische patronen op allerlei oppervlaktes zoals muren, mozaïeken, manuscripten, zwaarden, tapijten, vlaggen, boeken en keramiek voorkwamen om het goddelijke paradijs die was beschreven in de Qu’ran te koesteren. De Perzische miniatuurschilderijen voor manuscripten zijn ook een fantastische kleurervaring en gemaakt met uiterste concentratie en liefde voor het pigment.