241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Robert Cervera, Untitled (Jelly Reservoir), 2013. Strawberry jelly, concrete dust.

In het leven van een mens zijn er momenten wanneer we nader komen tot het begrijpen van de taal van materie.

Zoals wanneer de schoffel zich in de aarde stort: het graaft door de kruimelige eerste laag, dan wordt de aarde plooibaar bij het bereiken van de vochtige onderlaag, waarna het een bijna vast vorm aanneemt, in het verse donker van de hardwerkende aardewormen. Tsjak, en de worm is in tweeën.

Of de bij elkaar gebundelde stokken en latten van de houthandelaar: de spanning van het touw, rechtgetrokken in een lijn, dat seconden eerder amorf in zijn zak lag te dutten.

Robert Cervera, Pink Nappe, 2013. Polyvinyl, cement.

Of wanneer je, in een moment van onoplettendheid, een snee door de huid van je hand snijd en je even niet zeker weet wat de fysieke factuur zal brengen: een vluchtige witte lijn, een golf bloed, en alles daar tussen in.

In deze momenten is sculptuur te vinden. Ook kunnen we in sculptuur deze momenten onthullen. En het geluid die deze ogenblikken maken – een intern geluid, binnenin de geest – wordt weerkaatst en vormt, zoals bij sonar, een beeld van de wereld.

Materialen en menselijke handelingen zijn voortdurend met elkaar in gesprek. Knijpen, snijden, doordrenken, schaven, wiggen, kloppen. Haptische wonderen. Hoe de dingen voelen, hoe ze ons laten voelen.

Robert Cervera, Untitled (Theatre Bundle), 2013. Concrete, adhesive tape.

(Hegel en Bourdieu zouden stellen dat er geen onderscheid kan worden gemaakt tussen humaniteit en materialiteit. Wij mensen zijn materialen die andere materialen maken, die tenslotte ons definiëren. De dingen die wij maken, maken ons.)

Het grenzeloos karakter van het universum komt ter discussie. Vloeiende materie die elke kant op gaat, en wij die het achtervolgen, die het proberen te overhalen deze kant of die kant op te gaan, om in de rij te blijven staan, om in groepen van vier, of zestien, of zesenveertig te blijven wachten.

We doen ons best om het ontelbare te tellen, om grenzen aan te geven, en vorm te maken. We eindigen gefrustreerd en bedrogen door de weerbarstigheid van materie, maar blijven gecharmeerd door zijn grilligheid.

Robert Cervera

(Zou het kunnen dat we materie proberen te bedwingen, op dezelfde manier dat sommige vogels gevangen houden in kooien, om zo hun vogelvlucht beter te kunnen bewonderen?

Deze vraag fascineert mij. Maar ook ben ik gefascineerd door het onverwachte, de onvoorziene blunder, die ik zie als het volgende hoofdstuk in het voortdurende dialoog met materiaal.

Echo + Seashell bestaat uit kunstenaars Henna Hyvärinen and Susan Kooi. Ze treden op met de nummers die ze samen schrijven over problematische kunst- en liefdesleven, gebaseerd op wat er op dat moment in hun levens speelt. In samenwerking met verschillende muzikanten wordt de muziek geschreven en geproduceerd waardoor er variaties ontstaan in zowel stijl als genre.

De teksten vormen de kern, de ‘baby ziel’ van Echo + Seashell. Samen maken ze live performances, video’s, en tentoonstellingen. Na vele persoonlijk en professionele afwijzingen besloten ze samen een musical te schrijven met als thema ‘afwijzing’. Om ervoor te zorgen dat niemand afgewezen werd, gebruikten ze elke van de 18 nummers die ze toegezonden kregen. Voor sommige nummers schreven ze tekst, voor andere maakten ze video’s of vonden ze een alternatief platform. De musical bestaat uit vier delen: In the Game but Losing It, Hard and Soft, Project Runaway en Coldplay.

Hier een paar fragmenten uit de musical:

Play
Play
Play
COLDPLAY
Play

Floris Schönfeld (1982) is a visual artist currently based in London and San Francisco. The focus of his work in the last years has been the relationship between fiction and belief. In his work he is constantly trying to find the line between defining his context and being defined by it.

Floris Schönfeld (1982), beeldend kunstenaar werkend in Londen en San Francisco. Zijn werk focust op de relatie tussen fictie en geloof. Hij is constant op zoek naar de grens tussen het definiëren van zijn context en erdoor gedefinieerd worden.

In 2014 ontmoette ik Rupert Sheldrake in zijn huis in Hampstead, Londen nadat ik hem een jaar lang bestookte met steeds dwingendere e-mails met verzoeken om af te spreken. Uiteindelijk stemde hij in voor een interview van 20 minuten, vooral om van mij af te zijn, vermoed ik. Die ochtend, in zijn aangenaam eclectische studeerkamer, gaf hij een samenvatting van zijn ideeën over de rol van wetenschap, bewustzijn, en religie in relatie tot zijn eigen geloofssysteem. De overkoepelende visie die zijn werk doordringt is een bijzondere variant van het idee van het psychisch monisme. Op zich is dit geen nieuw idee, maar wel lijkt het steeds relevanter te worden nu dat de ooit ‘eenvoudige’ probleem van bewustzijn bedrieglijk moeilijk te verklaren blijkt binnen de grenzen van de zo vaak mechanische wetenschap. In zijn boek, ‘A New Science of Life,’ (1981) verkent Rupert Sheldrake zijn theorie over ‘morphic resonance’: het idee dat er een universele, extra-menselijke waarnemingsvermogen bestaat die in alle levende wezens aanwezig is. Zijn theorie stelt dat herinneringen inherent aan natuur zijn, en dat alle natuurlijke systemen, zoals termietenkolonies, duiven, orchideen, insuline molecules, en zelds sterrenstelsels, allen een collectief geheugen met zich meedragen, meegegeven door alle eerdere dingen van hun soort.

Mijn gesprek met Sheldrake was onderdeel van een werk, The Experts, waarin ik een aantal hedendaagse wetenschappers en denkers interviewde over de mogelijkheid van een niet-antropocentrische relatie met de natuurlijke wereld. De bovenstaande video bevat een aantal fragmenten uit deze interviews, waaronder die met Rupert Sheldrake. De andere 'experts' die ik voor dit project heb geïnterviewd, sommige waarvan ook voorkomen in bovenstaand fragment, zijn de sjamaan van de Pit River, Floyd Daim, audio ecoloog Bernie Krause, antropoloog Ida Nicolaisen, filosoof Jacob Needleman, tovenaar en paganist Oberon Zell-Ravenheart en socioloog Fred Turner. De interviews zijn deel van mijn project, The Damagomi Project, een doorlopend archief dat de geschiedenis van de Damagomi Groep documenteert; een groep spiritisten en academici die in de 20ste eeuw actief was in Noord-Californië. Via dit project probeer ik een nieuwe manier te vinden om het idee van panpsychism te benaderen. In die zin vertegenwoordigt dit archief een reeks van gedachten-experimenten in fysieke vorm die proberen de schijnbaar onmogelijke taak te benaderen om buiten onze eigen menselijke perspectief te treden.

Floyd Buckskin is de laatst overgebleven sjamaan van de Pit River stam van noord-oost Californië. Ik interviewde hem in zijn slaapkamer — tevens muziekstudio— aan de Pit River reservation aan het oosten van Mount Shasta, Californie. Tijdens het interview vertelt hij me dat het woord damagomi van de Achumawi taal komt, een taal die vandaag nog maar door een kleine groep Pit River stamleden gesproken wordt. Los vertaald komt dit neer op ‘een geestelijke gids die een communicatiekanaal biedt met de natuurlijke wereld.’ De damagomi komt meestal voor in een bepaalde dierlijke vorm, en dit dier zal die persoon volgen zo lang hun verbintenis wordt gehonoreerd. Toen ik vroeg waarom de Pit River mensen naar hun damagomi zochten, antwoordde Buckskin: ‘We zitten gevangen tussen geest en dier. We zijn niet het een of het ander, maar beide. Daarom hebben we hulp nodig.’

Tegen het einde van mijn interview met Rupert Sheldrake vertelt hij dat wetenschappers (zelf zou ik ook kunstenaars hieronder scharen) de moderne antwoord zijn op de sjamaan: ‘leden van de menselijke samenleving die met de natuurlijke wereld te maken hebben.’ Zodoende zijn ze onmisbaar in het overbruggen van de kloof tussen geest en dier zoals beschreven door Floyd Buckskin. Maar de taal waarmee we hebben geprobeerd de natuur te beschrijven heeft onze zicht erop zo verdraaid, dat we het wezenlijke van de natuur niet meer kunnen waarnemen. Wanneer we naar de natuurlijke wereld kijken door de lens van onze wetenschappelijke traditie, doen we niets anders dan het in steeds kleinere onderdelen op te breken. Het geheel, zoals een hele organisme, wezen, of sterrenstelsel, wordt vaak alleen gezien als de som van zijn delen. Dit is het metafoor van een machine die in wezen statisch en dood is. In The Science Delusion, valt Shepherd deze simplistisch perceptie van het universum aan:

‘De hoogste vorm van wetenschap is een die open staat van onderzoek, die zichzelf niet opstelt als geloofssysteem: het is succesvol geweest doordat het open heeft gestaan voor nieuwe ontdekking. Daarentegen hebben veel mensen de wetenschap tot een vorm van religie genoemd. Zij geloven dat er geen realiteit is behalve de materiële of fysieke werkelijkheid. Bewustzijn is maar een bijwerking van de fysieke werking van de hersenen. De natuur is mechanisch. Evolutie is zonder doel. God bestaat allen als een idee in de hoofd van mensen, en dus in menselijke hoofden.’

Volgens mytholoog Joseph Campbell heeft de sjamaan een dualistische benadering tot het begrijpen van de wereld om hem/haar heen, en gebruikt hiervoor zowel mechanistische en empirische als spirituele en holistische methoden. Ik denk dat de hedendaagse kunstenaar misschien wel beter in staat is systemen te beschouwen vanuit het perspectief van een levend geheel dan de hedendaagse wetenschapper. Dit komt vooral door de holistische aard van het creatieve proces. Het creatieve proces gebeurt binnen het dialoog of de weerstand met en van een ander persoon: een buitenstaander, een vreemde invloed. Dit kan gebeuren via een concept, een materiaal, of door samenwerking tussen personen. Zonder weerstand blijft het proces statisch en bestaat er geen mogelijkheid iets nieuws te creëren. Zo gezien moet dit proces ‘leven’ wil er iets interessants gebeuren. Het moet ontstaan tussen de grenzen van de context van de kunstenaar te definiëren en erdoor gedefinieerd worden.

Ik kan me voorstellen dat de damagomi deze uitwisseling zou kunnen vergemakkelijken, en ons de kanalen verlenen die ons toegang geeft tot de anima mundi. Wat zijn de gevolgen van het volgen van deze lijn van verhoor, van ervan uit te gaan dat de bestaande anima mundi onze gehele bewustzijn bevat, inclusief dat van alle levende wezens? Of, om verder te borduren op de gedachten van Sheldrake: is het maken van kunst slechts de versmelting van de morfogenetische resonantie van de verschillende wezens en materialen binnen de tijdelijke morfogenetische veld, oftewel de kunstpraktijk?

Het zou best kunnen dat de tijd is aangebroken voor een zoektocht naar de damagomi.

IJverig probeerde ik mijn gezicht in de plooi te houden terwijl ik keek naar het bordje kroketten en aardbeien voor me. In één van de kroketten zat een deuk waaruit een twijfelachtige inhoud lekte op de frisse aardbei er onder. Een dikke rook bedekte dit treurige schouwspel onder een smerige grijze deken en ik wenste dat ik er een foto van durfde te maken als aandenken. De rook was afkomstig van de sigaret tussen de knokige vingers van de vrouw naast me. Ze hoestte nog even flink over de kroketten heen waarna ze oprecht zei: 'Neem dan toch een kroket meisje.' 'Nee dank je' zei ik terwijl ik mijn recente loopbaankeuze nog eens overdacht.

Tot voor kort werkte ik op een kantoor waar ik intens genoot van de verschillende mensen om me heen en optimistisch had bedacht dat er op elke werkplek prachtmensen werken, en ik daar altijd inspiratie uit kon putten voor betere dagen. Ik zou op deze nieuwe plek verder gaan en al mijn gevonden pareltjes zorgvuldig bewaren. Ik zou ze uitwerken in teksten, projecten en in nog onbekende toekomstplannen. Naast dit vertederende optimisme onderwierp ik mijzelf aan een onderzoek. In hoeverre kon ik mijn ziel verkopen wat betreft bijbanen, en daarnaast volhouden om artistiek verantwoorde dingen te blijven doen? Wanneer zou ik bijvoorbeeld een kunstenaar met een bijbaan in een hotel zijn, en wanneer was ik iemand in dat zelfde hotel met een hobby? Waar is de balans en hoe ver kon ik nog gaan?

De rek zat er ondertussen goed in en ik voelde het zwarte gat al naar me loeren. 'Drommels' dacht ik, terwijl ik mijn motieven om in dit hotel te gaan werken nog eens overpeinsde. De sigaret was inmiddels uitgegaan aan de kroketten en aardbeien werden gretig verslonden door mijn tafelgenoten. Ik bekeek ze één voor één en overwoog hun potentie om onderdeel te worden van mijn volgende project of dan toch een hobby-cursus. De dame naast me was hoe dan ook een prachtexemplaar, en ook de andere vrouwen aan tafel misstonden ook niet in mijn verzameling van fantastische collega's.


Zo had Rita shag kleurig haar, dito broek, en kauwde ze stilletjes op haar boterham, vertrouwde Belinda me hotelgeheimen toe zoals dat je liever geen kamers van wielrenners en Chinezen wilt schoonmaken, en vertelde Denise me trots dat ze haar verleden als drugsverslaafde achter zich had gelaten en alweer dertig jaar voor het hotel werkte. Ze glimlachte haar overgebleven tanden bloot en ik glimlachte terug. Ik vond dat ook mooi voor haar, maar ik krijg altijd een beetje de kriebels als mensen me op een hele nare werkplek vertellen dat ze daar al heel lang werken. Zwetend zie ik dan mijn leven aan me voorbij zie flitsen tot ik opeens zelf die persoon ben die na de academie even tijdelijk iets 'anders' ging doen en voor altijd daar is blijven hangen. Dat mensen op een reünie van de kunstacademie zeggen van: 'Heb je het van Gerda gehoord? Werkt al dertig jaar in een hotel. 'Het Volkshotel? Nee gewoon een hotel. Zo'n eentje vlakbij de snelweg waar niemand de eigenlijk de naam van weet. 'O'

De brullende radiatoren naast onze pauze plek haalden me uit mijn nachtmerrie. Mijn collega's waren inmiddels opgestaan om weer aan het werk te gaan en ik overwoog even om weg te rennen en nooit meer terug te komen. Nu wil ik graag benadrukken dat ik geen enkel probleem heb met schoonmaken en andere soortgelijke banen, maar ik er wel iets wat op voldoening lijkt uit moet halen.. Zo maakte ik in bijvoorbeeld al eerder met grote liefde schoon bij ouderen thuis, bracht ik ontbijt rond in een ziekenhuis, bezorgde ik een hele zomer post (in mijn regenpak) en was ik persoonlijk verantwoordelijk voor het planten van een stuk of duizend plantjes in hele kleine klote potjes aan een lopende band. Na deze reeks van best wel specifieke banen leefde ik me een jaar uit als docent bij een kunstruimte, werkte ik in een geweldige winkel (die jammer genoeg haar deuren sloot) en kwam ik via het kantoor bij dit hotel terecht. Het plan was om er net genoeg te werken om mijn huur te betalen en verder in de naam van de kunst alle kleurrijke bezoekers en hun kamers goed te observeren en daar mijn voordeel mee te doen. Zoals je ondertussen zult vermoeden was mijn teleurstelling groot.

Het was een kleurloos hotel waar mijn taakomschrijving bestond uit kamers er zo schoon mogelijk uit laten zien. Tot voor kort kwam ik zelf graag in een hotel, maar deze dagen lagen nu voor goed achter mij. Ik trok haren van onbekende mensen uit doucheputjes, moest wc's afdrogen met handdoeken (echt) en gebruikte kopjes koud afspoelen en terug zetten (ja echt). Niet alleen werd mijn banen theorie van eerder op de proef gesteld, ik begon ernstig te twijfelen aan mijn karma terwijl ik commando's opvolgde die het hotel veranderde in één grote death trap van bacteriën, ziektes en andere ranzige ongemakken. Ik besloot daarom om de (ranzige) handdoek in de ring te gooien en op zoek te gaan naar een andere bijbaan. Het risico voelde te groot om te kijken waar ik anders uit kwam.

Van de ene vreemde werkomgeving rolde ik zo door in de ander, waar ik vanuit een soort controle centrum vrachtwagenritten inplande door het hele land. Nu ben ik voor iemand van die van de academie komt vrij goed in overzicht houden, coördineren en dingen regelen dus leek het mij niet minder moeilijk om dat met vrachtwagenchauffeurs te doen. Ik werkte ijverig en sneed mezelf in de vingers door alles zo efficiënt in te plannen dat ik drie weken eerder klaar was dan de bedoeling was. Misschien maar beter ook, want mijn collega's wisten dat ik tijdelijk daar was en besloten daarom voor het gemak te doen alsof ik al weg was. Een vreemde ervaring die ik niemand toe wens.

Ondertussen groeide mijn projecten als kool en werd ik gevraagd voor de leukste dingen. Ik werd gevraagd als deelnemer voor een documentaire over creativiteit, richtte een ontmoetingsplek op die veel bezoekers trok, interviewde kunstenaars en hoorde van iedereen hoe goed ik wel niet bezig was. Het klopte dat ik op mijn vrije dagen met veel liefde aan mijn projecten werkte en ze zag groeien, maar het knaagde dat ik nog steeds geen brood kon verdienen met waar ik goed in was. Zo spitte ik zowel door droombanen op het culturele werkvlak als treurige vacatures op het andere.

Als een Russian roulette met banen speelde ik verder. Werd het weer die bijbaan of werd het iets anders? De goden bleken me goed gezind en in plaats van een volgende grauwe werkplek mocht ik een paar maanden mee lopen op de redactie van het tijdschrift Kunstbeeld. Niet alleen ontdekte ik dat mijn helden achter het blad super gezellig waren, maar ook dat er werkplekken bestonden die een beroep doen op je talenten. Ik dook er volop in en mailde heen en weer met kunstenaars en hun assistenten, stelde trillend als een rietje een vraag aan Marlene Dumas en reisde het hele land door in de naam van een kunst. Ik schreef mijn verslagen met liefde, nam alles in mij op en zette me schrap voor wat daarna komen zou.

Ik hoopte met heel mijn hart en ziel dat ik iets kon gaan doen waarin ik zowel mijn hersenen kon laten werken als mijn pen, waar ik zou mogen coördineren en samen kon werken met mensen waar ik blij van word en als kers op de taart ook nog eens het dak boven mijn hoofd kon betalen. Na elke dag een afwijzing in mijn mail kwam daar opeens op een zaterdagavond een berichtje: 'Wat doe jij op dit moment qua werk? Ben je goed in dingen regelen?' Ik keek naar mijn scherm en omhoog, even denkend dat het universum een gemeen grapje met mij uit haalde. ' Ik ben heel goed in dingen regelen.' stuurde ik terug. Na een hoop berichtjes heen en weer en een gesprek ben ik opeens voorzien van een echte bijbaan met alles er op en er aan wat ik leuk vind en goed in ben, werk voor twee hele leuke mensen en bovendien mee mag naar Kaapstad om nog meer fijns te gaan doen.

Terwijl ik deze fantastische plot wending probeer te bevatten denk ik nog eens terug aan afgelopen jaar. Aan het kantoor, aan de vrachtwagens, aan Kunstbeeld en ten slotte ook aan een die kroketten en aardbeien op dat schaaltje bij het hotel. Ik zie de rook er weer over waaien en besef me dat ik aan een zekere bestemming ontsnapt ben. Een glimlach krult langzaam omhoog op mijn gezicht. Voor nu dan.

Felix Gonzalez-Torres: When people ask me, “Who is your public?” I say honestly, without skipping a beat, “Ross.” The public was Ross. The rest of the people just come to the work.

Ross Laylock was Felix Gonzalez-Torres’ partner, toen bij Laylock HIV geconstateerd werd stelde de arts zijn ideale gewicht vast op 175 pond. ‘Portrait of Ross’ is precies dat: 175 pond snoepgoed op een stapel. De kijker mag meer zijn dan kijker en kan deel van het werk worden door een snoepje te pakken. En elke morgen wordt de stapel aangevuld tot het ideale gewicht weer is be­reikt.

Het snoepgoed is een representatie van het gewicht van Ross en ook een vertaling van diens strijd tegen zijn ziekte. De ziekte vreet het gewicht van de patiënt weg, maar het gewicht van de geest blijft dezelfde en zorgt er iedere ochtend weer voor dat de patiënt verder kan.

Voor het werk dreigt iedere dag de afwezigheid als de hoop zover slinkt dat er geen snoepje meer over zou zijn is er geen kunst en is de kijker verantwoordelijk. Gonzalez-Torres speelt met zijn Stacks iedere dag opnieuw een spel met de bezoeker, die hij laat bepalen hoe zijn werk eruit ziet. Kunst werd bij Gonzalez-Torres iets vloeibaars, iets bewegends.

En iets dat zomaar weg kon zijn.

Een zwart-wit foto van een leeg bed met twee kussens. Een bed waarin is geslapen. Het is het eigen bed van de kunstenaar. Het werk heeft geen titel. De foto is tentoongesteld in de Projects Gallery van het MOMA en tegelijkertijd werd het beeld op vierentwintig billboards getoond in verschillende buurten van New York, Second Avenue en East 97th Street in Manhattan en Third Avenue en East 137th Street in de Bronx. De plekken hadden geen relatie meer met de kunstwereld van musea, galeries en verzamelaars. Het aantal, vierentwintig, refereert aan de da­tum waarop Ross is overleden.

De overweldigende beeldenstroom van New York die op de voorbijganger afkomt werd onderbro­ken door deze rustige en lege foto. Er was geen tekst die de foto zou kunnen duiden. En de foto had, in tegenstelling tot de beelden die de billboards normaal gesproken sieren, niet tot doel de voorbijganger iets te verkopen. Het was gewoon een foto van een leeg bed met twee kussens, een laken met kreukels. Een beeld van een privé ruimte doemt op in de openbare ruimte.

De keuze Ross nooit af te beelden wordt gezien als een politieke daad van Gozalez- Torres. De gebruikelijke afbeeldingen van AIDS werden altijd ingezet om homoseksuele en heteroseksuele groepen van elkaar te onderscheiden. De zieke homoseksuelen en de gezonde heteroseksue­len. Gonzalez-Torres weigert Ross af te beelden. Met het billboard Untitled toont Gonzalez-Torres de on­zichtbaarheid van de homo­seksuele gemeenschap. Maar hij wil zich niet afzetten tegen de dominante gemeenschap zoals Mapplethorpe dat deed. Gonzalez-Torres nodigt de kijker uit, ongeacht hun sek­suele voorkeur.

Gonzalez-Torres brengt ook op een andere manier afwezigheid in zijn werk. Met zijn eigenzin­nige manier van tentoonstellen, door de bezoekers het werk mee te laten nemen geeft hij een andere invulling aan de rol van de kunstenaar en de rol van de kunst. De rol van kunstenaar als vormgever, de rol van kunst als vorm. Bij Gonzalez-Torres is de kunst niet langer statisch, maar aan verandering onderhevig.

Gonzalez-Torres: Go to a meeting and infiltrate and then once you are inside, try to have an effect. I want to be a spy, too. I do want to be the one who resem­bles something else [….] We have to restructure our strategies [….] I don’t want to be the enemy anymore. The enemy is too easy to dismiss and to attack.

In hoeverre is het zijn werk?


Gonzalez-Torres: ‘Perhaps between public and private, between personal and social, between fear of loss and the joy loving, of growing, changing, of always becoming more, of losing oneself slowly and the being replenished all over again from scratch. I need the viewer, I need the public interaction. Without the public these works are nothing. I need the public to complete the work. I ask the public to help me, to take responsibility, to become part of my work.’