241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

De aanschaf van mijn eerste digitale camera, betekende direct het einde van enige terughoudendheid op het gebied van foto’s maken. Het was het begin van mijn transformatie tot fulltime Japans toerist, continu klikkend bij alles wat in de verste verte ook maar enigszins interessant zou kunnen zijn. Dit resulteerde in eindeloos veel foto’s van vertederende poesjes op straat, vrouwen met dikke billen die voor je lopen, jezelf in elk denkbare setting van deze wereld, iedereen waar je langer dan vijf minuten mee gepraat hebt en foto’s van je eigen op bed liggende benen in een hotelkamer. Opeens had ik eigenlijk van alles een foto. En dat lijkt natuurlijk heel leuk, maar dat is het niet.

Ik weet nog dat ik vroeger op vakantie van een maand slechts twee rolletjes mee nam van 24 foto’s. Was de rijst die in de vorm van een beertje op ons bord was geserveerd wel of niet een foto waard? Nu maak ik er gedachteloos twintig achter elkaar in de veronderstelling dat de ideale foto er vanzelf wel bij zal zitten. De euforie van het zoveel foto’s maken als je wilt is er wel vanaf, al zal ik tegelijkertijd ook nooit meer terug kunnen naar het beperkte foto’s maken met fotorolletjes, daar is het nu simpelweg te laat voor. Ik moest dus vooral een nieuwe manier vinden om met mijn digitale camera om te gaan.

Mijn eerste prioriteit was wat orde scheppen in mijn fotoarchief, dat inmiddels uit duizenden foto’s bestond. Ik besloot een Flickr-account te nemen. Voor alle mensen die onder een steen hebben gewoond: Flickr is een site waar mensen online hun fotocollecties kunnen beheren en delen met elkaar, en daarmee ook gelijk het grootste online fotoarchief van de hele wereld. Er worden per minuut ongeveer vijfduizend nieuwe foto’s ge-upload en het totale aantal foto’s is meer dan driehonderdmiljoen.

Het online zetten van mijn fotoarchief en het daarmee toegankelijk maken voor iedereen, dus ook voor mijn eventueel toekomstige geliefde (je weet maar nooit) maakte dat ik weer kritisch ging kijken naar mijn foto’s om uiteindelijk alleen mijn beste foto’s online te zetten. Er ontstond een verzameling die qua kieskeurigheid gelijk was aan die die was ontstaan als ik met rolletjes had geschoten.

Maar er gebeurde ook iets anders. Foto’s die ik puur uit verveling had geschoten, zoals de foto van mijn eigen behaarde benen die lagen op een bed met een roze bloemetjesdekbedovertrek in een treurig hotel waar ik helemaal in mijn eentje was omdat ik een dodelijk saai congres in Bergen op Zoom moest bijwonen, bleken opeens door de selectie te zijn gekomen.

Het was een foto die ik nooit gemaakt had als ik er over na had moeten denken, maar die ik op een bepaalde manier toch interessant vond door de totale treurigheid die eruit sprak.

Een paar dagen later kreeg ik een mailtje. Op Flickr heb je verschillende groepen die foto’s rond een thema verzamelen. Ik kreeg een mailtje van de beheerder van de groep ‘Sitting in my Hotel Room’ of ik de foto wou toevoegen aan de groep. Ik nam er eerst een kijkje en vond bijna tweeduizend foto’s genomen door mensen die alleen op hun hotelkamer zaten. Veel van deze foto’s waren op zichzelf hele lelijke, oninteressante foto’s. Je ziet bijvoorbeeld enkel een televisiescherm met daarboven een schilderijtje van een berglandschap of een vanuit een raam gefotografeerd uitzicht over een stad vol wolkenkrabbers. Foto’s die eruit zien alsof je ze al duizend keer gezien hebt, en veel ervan ook nog van een hele slechte kwaliteit.

Maar toch gebeurde er iets magisch, toen ik al deze foto’s bij elkaar zag. Opeens zag ik al die duizenden, miljoenen mensen voor me die elke nacht ergens ter wereld moederziel alleen die nacht doorbrengen in een anoniem hotel, met als enige gezelschap hun digitale camera. Door al deze foto’s bij elkaar te zien werd de treurigheid enorm uitvergroot, want in dit enorme fotoarchief lijkt de wereld enkel te bestaan uit eenzame hotelmensen. Tegelijkertijd heeft het een troostende werking: al die mensen zijn niet alleen, ze komen samen op deze site.

Ik vond nog een groep die aansloot bij dezelfde foto: ‘Bored Leg Cult’. In deze groep vind je voornamelijk foto’s van mensen die overal ter wereld foto’s nemen van hun eigen benen, soms staand, meestal liggend en om duidelijke redenen altijd zonder bovenlijf. Het leuke was dat deze groep de context van dezelfde foto compleet veranderde. Tussen alle hotelfoto’s werd het een treurige foto, maar in deze groep, tussen al die andere van het lijf afgesneden benen, werd hij juist vrolijk en grappig.

Al snel bleek dat ik groepen kon vinden voor bijna al mijn foto’s. Er zijn groepen voor foto’s van honden gefotografeerd als mensen; ergens achter gelaten winkelwagens; etenswaren die zichzelf opeten; poezen met hoedjes; de kleur rood; mensen met aids: je kunt het zo gek niet verzinnen of je hebt er een groep voor. En het gekke is dat elke keer als ik een foto toevoegde de context compleet veranderde. De foto staat niet meer op zichzelf maar behoort tot een reeks. Hoe anders kijk je naar de foto van mijn in een weiland achter gelaten winkelwagen als je hem ziet tussen meer dan duizend foto’s van wagens in woestijnen, zompige slootjes, prachtige stranden of hangend in bomen?

En zo ontstaat er een collectie die een enkele fotograaf nooit had kunnen maken, want wie weet er nu zoveel verlaten winkelwagens te vinden? Een collectie bestaande uit enkel foto’s die misschien wel allemaal zonder al te veel nadenken zijn gemaakt en toch met elkaar iets groters vormen.

Stel je voor, je leeft in de veertiende eeuw en iemand vertelt je dat de drukpers een katalysator zal zijn voor de Wetenschappelijke Revolutie. Je zou waarschijnlijk denken dat degene overdrijft. Je begrijpt het principe van reproductie en verspreiding van gedachten, dat is het probleem niet. Toch kun je niet bevatten dat zoiets simpels als een verandering in medium zulke verreikende gevolgen kan hebben.

Het onvermogen om de overgang naar een nieuw medium te begrijpen kan leiden tot ernstige consequenties. Vanaf het moment dat de drukpers zijn eerste verschijning maakte liet ook een eerste groep benadeelden van zich merken, de analfabeten. Deze groep kon niet lezen, spellen of schrijven en daarom het nieuwe medium niet interpreteren. Voor hen werd de wereld meer en meer een plek die ze niet begrepen.

In de 21ste eeuw zijn de analfabeten niet de enige die het nieuwste medium niet begrijpen. Een nieuwe groep is opgekomen, namelijk zij die de veranderlijkheid van de media niet meer aankunnen. Met de komst van het internet wordt het een relevante vraag of de mens en de grafisch ontwerper echt om kunnen gaan met zo’n telkens veranderend medium.

De Moderne Analfabeet

De aard van een zich ontwikkelend of gevestigd medium brengt een nieuwe groep benadeelden met zich mee. Dit is, in wezen, wat er gebeurt met ieder nieuw medium, op het moment dat het van zijn gebruiker vraagt om een proces te ondergaan van leren en afleren. Naast gesproken taal moesten mensen leren om geschreven taal te interpreteren, ze moesten afleren om precies hetzelfde te schrijven als zij spraken, en verfijningen werden op den duur steeds meer van hen verwacht. Wat er gebeurt wanneer een nieuw medium wordt geïntroduceerd dat niet alleen anders is dan zijn voorganger, maar ook constant verandert? Het proces van leren en afleren wordt een constante toestand. Alvin Toffler schreef hierover het volgende:

“De analfabeten van de 21ste eeuw zullen niet degenen zijn die niet kunnen lezen en schrijven, maar degenen die niet kunnen leren, afleren, en opnieuw leren.”

Als we ons de vraag stellen welk medium de grootste verandering betekende voor het gedrukte woord, wijst men hoogstwaarschijnlijk naar het internet. Onze omgeving is meer en meer ontworpen voor snelle communicatie, waarin we nauwelijks beperkt worden door onze geografische locatie; onze sociale relaties worden onderhouden met behulp van platforms en apps, en de hoeveelheid mensen die smartphones, tablets en laptops gebruiken groeit exponentieel. Al deze ontwikkelingen zijn grotendeels afhankelijk van het internet.

Met onze dagelijks en soms zelfs niet-aflatend gebruik denken we dat we ook begrijpen. We gebruiken een smartphone dus we “zijn” op internet, we gebruiken google dus we gebruiken internet. Maar begrijpen we wel echt wat internet is? Is het gebruiken van toepassingen van het internet hetzelfde als het begrijpen ervan? Misschien houden we onszelf voor de gek, en misschien zijn wij de nieuwe generatie die zijn omgeving niet begrijpt. En wellicht nog erger: we hebben het niet eens door.

Van Vast naar Vloeibaar

Een belangrijke oorzaak van ons begrip of onbegrip ten overstaan van het internet is waarschijnlijk een verkeerde interpretatie van de aard ervan. Tot het moment dat er internet was, was al onze media onveranderlijk, vanaf het moment dat ze werden geproduceerd. Een boek, een krant, flyer of poster: zodra ze worden geproduceerd zijn ze solide. Het internet, daarentegen, is helemaal niet solide. Nieuwswebsites, bijvoorbeeld, kunnen op elk moment van de dag inhoud toevoegen en veranderen. Als je naar een nieuwswebsite kijkt zie je slechts een snapshot van een telkens veranderend beeld. Maar als het internet geen vaste staat kent, in wat voor staat bevindt het zich dan? Misschien vloeibaar?

In de kern is het verschil tussen vast en vloeibaar makkelijk te beschrijven. Het wordt erg duidelijk gedefinieerd door Zygmunt Bauman: “[...] makkelijk gezegd [...] vloeistoffen, in tegenstelling tot vaste stoffen, kunnen hun vorm niet makkelijk vasthouden. Vloeistoffen, zogezegd, fixeren noch de ruimte, noch binden zij de tijd. Terwijl vaste stoffen duidelijke ruimtelijke dimensies hebben maar de impact van de tijd neutraliseren (en dus het belang ervan naar beneden brengen), door zich daadwerkelijk tegen de stroom ervan te verzetten of door deze irrelevant te maken. Vloeistoffen houden geen enkele vorm voor lang vast en zijn constant gereed (en geneigd) om deze te veranderen; en dus is het voor deze meer de tijdsstroom die telt dan de ruimte die ze toevallig innemen: deze ruimte vullen ze immers slechts momenteel op.”

Niet alleen de visuele eigenschappen, maar ook de tijd speelt een onvervangbare rol. Een afbeelding van een vloeibare vorm heeft een indicatie van de tijd nodig, omdat op het moment dat de foto is genomen, de vorm alweer veranderd kan zijn. Een vaste vorm wordt daarentegen nauwelijks door de tijd beïnvloed. Daar vloeibare vormen zo makkelijk veranderen, kunnen ze zich rondom vaste vormen manoeuvreren en hiervan nauwelijks enige impact voelen. Ze kunnen ‘stromen’, ‘overstromen’, ‘opraken’, ‘spetteren’, ‘morsen’, ‘lekken’, ‘overvloeien’, ‘druipen’, ‘sijpelen’ en ‘gutsen’. Beter gezegd: net zoals het energie kost om een vloeibare vorm stationair te houden, kost het energie om een vaste vorm te doen bewegen.

De vergelijking tussen vast en vloeibaar is hoogst relevant wanneer we het hebben over het internet. Het internet kent de soliditeit van de media tot dan toe niet. Het internet voelt geen enkele wrijving wanneer het wordt bewogen: het stroomt van de ene kant van de wereld naar de andere kant in een fractie van een seconde. Beelden kunnen worden gedupliceerd met een wrijving die haast te verwaarlozen is. Nieuwsverslagen nemen geen specifiek moment in de tijd in: het zijn slechts snapshots van een vloeibare vorm.

Vloeibaar Ontwerp

Het onderschatten van veranderingen en de impact die ze met zich meebrengen, en de verkeerde interpretatie van de aard van het internet kunnen vergaande gevolgen hebben, zoals Toffler laat zien: de komst van een generatie die de media rondom zich niet kan interpreteren. Met name vanwege deze factoren is het zeer belangrijk om een groep aan te spreken die extreem afhankelijk is van het medium van zijn tijd en de interpretatie daarvan: de grafisch ontwerper.

De drukpers was op zichzelf niets meer dan een techniek: het was die mens die hieraan door een (specifieke) implementatie waarde toekende. Hij kopieerde documenten, maakte boeken, posters, flyers en afgeleiden hiervan. Vanuit deze ontwikkeling ontstond de grafisch ontwerper, een persoon die de taak heeft om een boodschap te visualiseren in de media van zijn tijd.

Hier ontstaat een paradox: de grafisch ontwerper is geworteld in de geschiedenis van vaste vormen, maar het is zijn taak om het medium van vandaag de dag te gebruiken, hetgeen vooral vloeibaar van aard is. Omdat het medium zo anders is, daarbij nog alomtegenwoordig en hard aan het groeien, is het de grafisch ontwerper die zichzelf aan een kritisch onderzoek moet onderwerpen. De grafisch ontwerpen moet van solide (statisch) design richting vloeibaar design gaan. We hoeven niet anders te leren lezen en schrijven om niet ondergeschikt te worden; we moeten een vaardigheid leren om met de constant veranderende toestand van onze nieuwe media om te kunnen gaan. Dit is geen eenvoudige taak voor een grafisch ontwerper, omdat hij geneigd is te denken in termen van soliditeit, regels en grids. Het is bijna een onmenselijke overgang. Het ligt in onze natuur besloten om ons dagelijks leven behapbaar te maken door heuristisch te denken: wie zijn wel en wie zijn geen vrienden, wat vind ik leuk en wat niet, etc.

Misschien is de overgang naar vloeibaar design nog niet te bevatten en moeten we een stap terug nemen om ons te realiseren dat we het internet, haar aard en impact hebben onderschat. Zelfs de taal beperkt ons hierbij. Begrijpen, bevatten en materialiseren zijn voorstelbare beschrijvingen van een verandering in denken, maar deze bewoordingen spreken zelf nog in termen van vastheid.

Dergelijke factoren maken het een uitstekende taak voor grafisch ontwerpers om door het internet te zwerven op visuele wijze. Niet alleen door het te begrijpen en onder de duim proberen te houden, maar ook door het te laten ‘vloeien’, ‘druppelen’, en ‘stromen’.

Liquid Design is het resultaat van het afstudeerproject The New Public Space, waarin Gilles de interessante interactie tussen snel veranderende media en het grafisch ontwerp dat daar zo van afhankelijk is, onderzocht. Het onderzoek voor de tekst is gedaan door Gilles en de tekst is samen met Ruben Verkuylen geschreven.

Alvin Toffler, Rethinking the Future, London, 2008

Zygmunt Bauman, Liquid Modernity, Cambridge, 2000

Clifton 6
Clifton 8

In de jaren '60 en ' 70 kwamen veel Surinamers naar Nederland en een van hen was Clifton. Zo leerden we hier in Nederland niet alleen de pindasoep kennen, een prachtige nieuwe woordenschat, andere levensvisies, swingende ritmes maar ook een stijl van kleden die de aandacht trok. Via beeldend kunstenaar Saskia Janssen leerde ik Clifton kennen, op dat moment leefde hij op straat maar altijd met een tas onder zijn arm waarin hij zijn fotoalbums bewaarde. Hij komt binnen met een bruine aktetas, ritst de tas open en legt vijf fotoalbums op mijn bureau. Op alle foto's staat hij zelf, aandachtig poserend, vanaf zijn eerste heilige communie tot aan een feestje in de opvang een paar maanden geleden. Zijn leven is vastgelegd als een staalkaart van mode en muziekstijlen van de afgelopen decennia. Altijd cool en met een eigen touch. Een beetje als de sterren. Clifton als Ray Charles, Bobby Farell van Boney-M, als Lenny Kravitz, Michael Jackson, Milli Vanilli. In een hightech zilveren bodywarmer met ingebouwde speakers, of in een felgeel shirt naast een even felgele brievenbus.

Clifton draagt iedere dag iets ander, dat doet hij zijn leven lang, als kind, als bezoeker van Paradiso en ook in de tijd dat hij dakloos was. Altijd in een andere outfit.