241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Echo + Seashell bestaat uit kunstenaars Henna Hyvärinen and Susan Kooi. Ze treden op met de nummers die ze samen schrijven over problematische kunst- en liefdesleven, gebaseerd op wat er op dat moment in hun levens speelt. In samenwerking met verschillende muzikanten wordt de muziek geschreven en geproduceerd waardoor er variaties ontstaan in zowel stijl als genre.

De teksten vormen de kern, de ‘baby ziel’ van Echo + Seashell. Samen maken ze live performances, video’s, en tentoonstellingen. Na vele persoonlijk en professionele afwijzingen besloten ze samen een musical te schrijven met als thema ‘afwijzing’. Om ervoor te zorgen dat niemand afgewezen werd, gebruikten ze elke van de 18 nummers die ze toegezonden kregen. Voor sommige nummers schreven ze tekst, voor andere maakten ze video’s of vonden ze een alternatief platform. De musical bestaat uit vier delen: In the Game but Losing It, Hard and Soft, Project Runaway en Coldplay.

Hier een paar fragmenten uit de musical:

Play
Play
Play
COLDPLAY

Dit stuk is slotfase uit een lezing van Maartje Wortel over het het begrip autobiografie en of dat wel werkelijk bestaat.

De schrijver Luigi Pirandello schreef in 1926 de roman: Iemand, niemand en honderduizend.

In het verhaal zegt de vrouw van de hoofdpersoon op de eerste bladzijde dat zijn neus een beetje scheef staat. Dit feit, dit uiterlijke kenmerk is nieuw voor de hoofdpersoon. Hij wist zelf nog niet dat zijn neus een beetje scheef stond. Vanaf die dag is alles anders, omdat hij zichzelf altijd op een manier gezien heeft waarvan hij veronderstelde dat degene die hem zagen precies hetzelfde zagen.

De hoofdpersoon Moscarda uit het boek zegt:

“De gedachte dat de anderen in mij iemand zagen die niet degene was die ik zelf kende, iemand die alleen zij konden kennen doordat ze van buitenaf met ogen naar me keken die niet de mijne waren en die me een uiterlijk gaven dat mezelf altijd vreemd zou blijven, ook hoorde het bij mij, ook al was het in hun ogen het mijne (en ik in mijn ogen dus niet) dat ze zich een voorstelling maakten van mijn leven waarin ik, hoewel het voor hen mijn leven was, niet kon binnendringen, deze gedachte liet me niet meer met rust. Hoe kon ik ooit die vreemde in mij verdragen, deze vreemde die ik voor mezelf was. Hoe kon het dat ik hem niet zag? Hem niet kende? Hoe kon ik verdragen dat ik voorgoed veroordeeld was hem bij me te hebben, in me, zichtbaar voor de anderen, en tegelijkertijd onzichtbaar voor mij?”

Van dit idee van Pirandello uitgaande proberen we onszelf vorm te geven. Ook al is dat allemaal dus helemaal niet zo belangrijk en eenduidig. Via dit voorbeeld kan je ook aannemen dat autobiografisch werk niet bestaat, omdat de ander er altijd iets anders in ziet. In een van de werken van Barbara Visser stelt ze zichzelf bij een lezing voor als Barbara Visser, dan komt er een nieuwe vrouw het podium op die beweert Barbara Visser te zijn. Ze zegt dat die eerste een actrice was. Vervolgens komt de derde Barbara Visser het podium op. Ook de tweede die zich als Barbara Visser voorstelde bleek een actrice te zijn. Niemand wist meer wie de echte Barbara Visser was en of zij wel bestond. Barbara Visser zegt over haar werk in 2001 in NRC: dat ze niet alleen verwarring wil zaaien of toeschouwers op het verkeerde ben wil zetten, maar zich ook nestelt in de realiteit en heen en weer switcht tussen diverse werkelijkheden om te tornen aan clichés en vastgeroeste kaders. Het mooie aan kunst is dat je door middel van kunst aan jezelf kunt ontsnappen. Door het te maken, of er naar te kijken, of het te lezen. En ik raad jullie dat allemaal van harte aan. Om vele gezichten tegelijk te zijn en te onderzoeken bedoel ik. Helemaal nu het tegenwoordig, dankzij internet, steeds moeilijker wordt om aan jezelf te ontsnappen, om een andere identiteit aan te nemen.

We denken dat het makkelijker wordt. Maar al je gegevens liggen vast. Dankzij facebook en dergelijke is er een steeds sterkere profilering gaande waar de overheid en reclamemakers steeds meer op in spelen. Daarom hou ik nu een pleidooi voor de fantasie, de verbeelding. Jullie kunnen iedereen zijn, grenzen overschrijden, spelen met je identiteit. Bekijken wie jij bent, dat doet een ander wel voor je. Ook als je niet bekeken wilt worden.

Natuurlijk moet jullie allemaal voor jezelf ontdekken welke manier van werken het beste bij jullie past. Want zelfs als je autobiografisch werk maakt zie je de werkelijkheid waarschijnlijk wel over het hoofd. Je kijkt zoals we net gezien hebben nou eenmaal niet met dezelfde ogen naar jezelf als dat een ander dat doet.

Daarom zou ik graag af willen sluiten met een citaat van de schrijver David Foster Wallace. Dit komt uit een toespraak dat is verschenen in het boekje: Dit is Water.

“Twee jonge vissen zijn rustig aan het zwemmen als ze een oudere vis tegenkomen, die de andere kant op zwemt. De oudere vis knikt ze toe en vraagt: ‘Môge, jongens, lekker water?’ De twee jonge vissen zwemmen nog een stukje door, maar dan kijkt de een de ander aan en vraagt: ‘Wat is in ’s hemelsnaam water?"

Ik steek de Thames over, zilver onder de grijze hemel, en kijk naar de stadswandelaars op de brug op weg naar het museum. Het heeft iets betoverend om een van de nieuwste bewoners van deze stad te zijn, om mezelf te voelen opgaan in de menigte met de wetenschap dat dit nu mijn thuis is. Eenzaamheid maakt plaats voor de gewenste rol van toeschouwer.

Langs het pad staan de straatmuzikanten te vechten om luchtruim. Een man richt zijn camera op de Rastafari met lange dreadlocks tot aan zijn knieën – no woman no cry! – jammert hij met hese stem terwijl hij naar de kleurrijke hoed wijst die voor hem op de grond ligt, wachtend op het gerinkel van vallend muntgeld. Iets verder staan twee indie jongens te kwelen en te tokkelen, een bongo speler slaat als in een trance op zijn drums, en alles vloeit samen tot een aritmische kakofonie.

Zodra Tate Modern in zicht komt zie ik, tot mijn verbazing, een groep grote behaarde beesten voor de ingang van het museum staan. Er zijn er minstens vijftien, allen gekleed in gedetailleerde kostuums van cartoon versies van katten, beren, vossen, en wolven. Dit zijn geen reguliere feestwinkel kostuums! Grote, stevige spieren, maskers die griezelig levensecht lijken met kaken die openen en sluiten. Ik zie hoe ze zich in het publiek mengen, hoe de wolf zijn rol als alfa hond aanneemt en door zijn knieën buigt terwijl hij de spieren in zijn harige arm spant en de toeristen eindeloos blijven doorklikken met hun camera’s en smartphones. Tegenover de menigte staat een zilvervos die met haar grote blauwe ogen ingetogen en wat verlegen passeert, haar hoofd tegen de omstanders leunt en toelaat dat deze vreemdelingen haar aaien en over haar neus strelen. Sommige duwen hun gezichten in de zachte vacht van haar schouders.

Ik wist dat deze groep behoorde tot de Furry Fandom cultuur. Deze Furries, zoals ze zichzelf noemen, zijn bijzonder geïnteresseerd in deze dierlijke personages. Er zijn zelfs Furries die zich eerder identificeren met een specifiek diersoort dan met de mens. Ze vinden elkaar op Internet fora en websites waar ze fanfiction schrijven en fanart maken, ze ontmoeten elkaar op Furry Fandom manifestaties; en zoals blijkt, ook in het openbaar. Het is een manier van leven, een identiteit, een subcultuur die een gevoel van verbondenheid geeft. Hun gemeenschap is hecht en biedt escapisme aan in de vorm van een ontzettend duur en ontzettend zwaar ‘fursuit,’ een pak uitgerust met een ventilatiesysteem om te voorkomen dat de drager oververhit raakt.
Terwijl ze over het drukke plein paraderen besef ik me dat er geen collectebus te zien is. Hun acties vallen ook niet onder het mom van de kunstzinnige performance. Heel eenvoudig is dit de handeling van de Furries om hun rol aan te nemen door zich te storten in hun alter ego’s. De behaarde kostuums die hen bedekken ontwapenen de normale man omdat hij ze als zoömorfische wezens ziet. Hierdoor profiteren de Furries van onze reactie op schattige, snoezige dieren en in een moment van ogenblikkelijke aanbidding worden ze omarmd, geliefd, en bewonderd door volslagen vreemden. Ik kan het niet helpen om me af te vragen of deze kostuums niet de meeste betreurenswaardige, onaantrekkelijke, acne geteisterde en weerzinwekkende leden van de samenleving denkbaar verhullen. Ook ontstaat meteen de veronderstelling dat deze mensen wel moeten lijden aan een bepaalde sociale tekortkoming om op deze manier hun toevlucht te zoeken in deze omgekeerde exhibitionistische zoektocht naar genegenheid.

Aan het eind van de dag verlaat ik het museum. Het is inmiddels nacht en de straten zijn bijna leeg. Mijn voetstappen richting de metro klinken hol zonder het geluid van de muzikanten. Ik denk aan mijn nieuwe kamer in Londen: donker, stil, en verlaten. Ook denk ik aan de Furries in deze grote stad, en kan ze voor een ogenblik te begrijpen.

Het waanzinnige leven van James Tiptree en Alice B. Sheldon (1915-198)

De in Amsterdam wonende biografe Julie Phillips won een voorname Amerikaanse prijs met een biografie van sf-legende James Tiptree. Diens levensverhaal is amper te geloven.

Begin jaren zeventig was de sciencefiction-wereld in de ban van een mysterieuze schrijver. James Tiptree Jr. werkte, naar men aannam, voor de CIA en kon daarom enkel communiceren via een anonieme postbus. Hij had duistere contreien bereisd en wist hoe met wapens om te gaan. Zijn energieke, bezeten verhalen over seks en dood waren masculien van toon, al had Tiptree ook oog voor de ‘ongeziene’ vrouw. Een feministische jock? Een gevoelige macho?

Nee, bleek in 1976, toen de schrijver op de top van zijn roem stond: James Tiptree was een vrouw.

In Julie Phillips’ met de National Book Critics Circle Award bekroonde biografie James Tiptree Jr., The Double Life of Alice B. Sheldon wordt het verborgen leven achter de schrijfster ontrafeld. De Nederlands-Amerikaanse biografe Phillips vertelt een onwaarschijnlijke geschiedenis. In 1915 geboren als kind van rijke avonturiers, bereisde Sheldon al op jonge leeftijd de donkerste delen van Afrika. Als tiener ging Alice ervandoor met een gewelddadige dronkaard, die ze na zes jaar verliet om in het nieuwgevormde vrouwencorps van het leger dienst te nemen. Ze worstelde met lesbische gevoelens, maar al haar grote liefdes bleken fatale vrouwen, die gek werden of stierven. Ze werd foto-analist bij de CIA, waar ze haar man Huntington (Ting) Sheldon ontmoette. Met hem kocht ze een kippenboerderij, totdat ze (bipolaire carrièreplanning!) psychologie ging studeren. Als onderzoekster was ze een mislukking: haar ambities waren onuitvoerbaar. Ze werd depressief en slikte alle mogelijke uppers en downers. Nooit had ze het gevoel echt te kunnen zijn wie ze was. Dat idee had veel te maken met de dominante aanwezigheid van haar moeder, die reisverhalen schreef en een bruisende aanwezigheid was in de high society van Chicago.

Al van jongs af aan had Sheldon sciencefiction gelezen, een ‘heimelijk genoegen’ waarvoor ze zich geregeld verontschuldigde. De pulp-sf van haar jeugd had sinds de oorlog echter een transformatie ondergaan. Geen verhalen meer over groene mannetjes die schaarsgeklede dames hun bh’s ontfutselden, maar bespiegelingen over nucleaire oorlog en overbevolking. De ambitieuze jonge honden van de New Wave voegden daar een literaire sensibiliteit aan toe. Sciencefiction moest niet alleen een literatuur van ideeën zijn, maar stilistisch en psychologisch tot wasdom komen.

In dat klimaat begon Alice Sheldon in 1967 onder het pseudoniem James Tiptree sf-verhalen te schrijven. Vooraanstaande redacteuren als Frederik Pohl en Harry Harrison zagen potentie in de aanzetjes. Al snel werden de verhalen persoonlijker en grimmiger: de uiting van frustraties waar Alice in het dagelijkse leven niks mee kon. De grap werd serieus. Tiptree gaf richting aan Sheldons richtingloze bestaan.

Een aantal verhalen van Tiptree werd klassiek. In ‘The Last flight of Doctor Ain’ (1969) vliegt de titelfiguur de wereld rond, om zijn geliefde – naar langzaam duidelijk wordt: de Aarde zelf – te redden van de ondergang. Daartoe verspreidt hij een dodelijke ziekte, die de hele mensheid uit zal roeien. ‘The Women Men Don’t See’ (1972) is een satirisch verhaal waarin federaal agent Don, met twee vrouwen neerstort in de bush-bush. Steeds gist hij naar hun motieven, totdat de vrouwen ontvoering door aliens boven zijn ‘zorg’ verkiezen. En in het aangrijpende ‘Love is the Plan the Plan is Death’ (1971) volgen we het seksuele ontwaken en het voortschrijdend inzicht in de dood van een insekt. Onder een tweede nom de plume, Raccoona Sheldon, schreef Sheldon bovendien ‘The Screwfly Solution’ (1976), waarin buitenaardse wezens de agressie in de mannelijke seksuele drift misbruiken, opdat mannen op angstaanjagend natuurlijke wijze de vrouwen uitroeien. Zelden eindigde een verhaal van Tiptree niet in de dood, en vaak was het verbonden met seks. Tussen mannen en vrouwen, en tussen de mens en de ‘anderling’.

De persoonlijke lading van Tiptrees verhalen en columns zouden hem opbreken. Het gebeurde toen Sheldons moeder in 1976 overleed. Iemand legde een column van Tiptree naast recente overlijdensberichten. Het gerucht ontstond dat Tiptree Jr. Alice Sheldon heette en in McLean, Virginia woonde.

De ontmaskering sloeg in het kleine sf-wereldje in als een bom. Hoe kon een vrouw zo goed uit de voeten met de mechanische kanten van sf? Sheldon had alle rolpatronen getart en daarmee de ‘feministische zaak’ misschien wel beter bepleit dan een militante collega als Joanna Russ dat kon.

Voor Sheldon zelf was de ontdekking het begin van een nachtmerrie. Ze begon spoken te zien: dacht dat haar nieuwe werk kritischer werd bekeken omdat ze ‘maar een vrouw was’. Terwijl dat werk juist zwakker werd, omdat ze de ‘stem’ van Tiptree kwijt was geraakt. Ze zag zichzelf als een lege huls, een mislukt mens, een flauwe versie van de man die ze op papier kon zijn. En ze werd ouder – onvergeeflijk en ondraaglijk ouder. Het leidde tot een gewelddadige ontknoping. Op 18 mei 1986 schoot Sheldon eerst haar echtgenoot dood, en toen zichzelf. Aangezien zelfmoord altijd in haar gedachten was geweest, had ze lang voor het leven gekozen. Nu koos ze de dood, die in haar verhalen zo prominent aanwezig was.

Sheldons leven was als een reeks supernova’s. Phillips heeft het met compassie en begrip te boek gesteld. De biografe maakt het feministisch debat tastbaar en geeft ons een inkijkje in uitlopende werelden: die van avonturiers die de nog onontgonnen Aarde tot hun speeltuin hadden gemaakt, het vrouwencorps van de Tweede Wereldoorlog, de subcultuur van de CIA. Maar vooral: de sciencefiction; een warme thuishaven voor ‘aliens’, zoals Alice Sheldon er in diepste wezen een was.

James Tiptree Jr. is een trefzekere analyse van een verscheurde vrouw. Haar zelfhaat, liefde voor en afkeer van vrouwen; de lange schaduw van een moederfiguur, de tegenstrijdige krachten van opgedrongen verwachtingen en zelfvervulling; de heimelijke drang een man te zijn; Sheldon worstelde haar leven lang met ‘zichzelf’. Dat ze uiteindelijk het meest zichzelf kon zijn als de man Tiptree is wrang en veelzeggend. Toch is het dubbelleven van Sheldon niet alleen een duister verhaal. Het viert de bevrijding die ligt in literatuur. Al die lagen geven deze biografie een emotionele punch. Het waanzinnige leven van Sheldon is in zekere zin een cadeau voor een biograaf. Phillips schatte het cadeau op waarde en schreef een fascinerend boek waarvan je alleen maar kunt hopen dat het een veel groter publiek trekt dan de vaste schare sf-liefhebbers.

Julie Phillips: James Tiptree, Jr. The Double Life of Alice B. Sheldon. St. Martin’s Press, 422 blz. € 28,99