241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

De Spaanse binnenhuisarchitect en televisiefan Iñaki Aliste Lizarralde tekent gedetailleerde plattegronden van huizen uit televisieseries en films.

Van Will & Grace tot The Big Bang Theory en van Up tot Breakfast at Tiffany’s: liefhebbers zullen de huizen, waar ze zo vaak naar binnen hebben gekeken, meteen herkennen.

Lizarralde (42) bestudeert de series minutieus om precies uit te vinden waar welke meubels staan en hoe de kamers zich ten opzichte van elkaar verhouden. ‘Een jaar of vijf geleden ben ik voor mezelf het interieur van Frasier gaat tekenen,’ mailt hij vanuit Azpeitia, een stadje in het Spaanse gedeelte van Baskenland.

‘Ik vond het een leuke serie en een mooi appartement en ik wilde graag uitzoeken hoe het in elkaar zat. Toen vroeg een vriendin of ik voor haar de plattegrond van Carries flat uit Sex and the City wilde tekenen. Zo is het balletje gaan rollen.’

Lizarralde is naar eigen zeggen geen obsessieve televisiekijker. ‘Mijn eigen smaak is een tikje ouderwets: ik kijk graag naar Six Feet Under, Upstairs/Downstairs en Twin Peaks.’ Maar om een plattegrond te maken bekijkt hij wel alle afleveringen van een serie, met zijn hand aan de vooruitknop, om niets van het interieur te missen.

‘Afleveringen waarin de huizen duidelijk in beeld komen, bekijk ik extra goed. De belangrijkste set, meestal de woonkamer, komt in alle afleveringen voor, dus dat is makkelijk. Maar kamers waarin zich niet zo veel scènes afspelen, worden steeds opnieuw opgebouwd op een andere plaats in de studio. Interieurs van huizen uit films zijn vaak moeilijk samen te stellen, omdat je in een film zelden het hele huis te zien krijgt.’

Omdat de meeste series in televisiestudio’s worden opgenomen, zien de plattegronden er niet uit als een vierkant of een rechthoek, zoals een normaal huis. ‘Films worden vaak in gesloten sets opgenomen, die lijken op een gewoon huis. Maar sets van series en sitcoms zijn eigenlijk meer theatersets,’ legt de binnenhuisarchitect uit. ‘De ontwerpers halen trucs uit om ze groter te laten lijken. Daarom hebben veel plattegronden een soort trapeziumvorm. Het appartement van Jerry Seinfeld, bijvoorbeeld, is eigenlijk piepklein. De hoeken van de muren zijn groter dan negentig graden om de acteurs en de meubels de ruimte te geven. Ook geven de hoekige vormen dynamiek aan de kamer.’ Lizzaralde probeert er geen gewone huizen van te maken, maar hij tekent ook de sets niet precies na. ‘Ik vertaal het theateraspect naar architectuur, dat vind ik het interessante.’

Inmiddels is de tekenaar werkloos (‘om uiteenlopende redenen’), maar hij gebruikt zijn twintig jaar ervaring in de binnenhuisarchitectuur om de plattegronden zo waarheidsgetrouw mogelijk te maken. ‘Ik heb veel verstand van afmetingen en verhoudingen. In de definitieve tekening moet alles kloppen: de afmetingen, verhoudingen, meubels, tot aan de kleuren van het houtwerk en de plek van de accessoires.’

De uiteindelijke tekeningen maakt Lizzaralde met viltstift, inkt en kleurpotlood op grof tekenkarton. ‘Ik vind dat een rustgevende manier van werken. Als binnenhuisarchitect gebruikte ik ook wel de computer, maar deze plattegronden wilde ik de warmte geven van een handgemaakte tekening.’

Het kost hem ongeveer dertig tot veertig uur om een tekening af te maken. Via de website Etsy.com verkoopt hij zijn werk. Dan tekent hij de tekeningen over, wat hem nog eens tien tot vijftien uur kost. Voor veertig euro hangt er al een aan de muur.

Ik geloof dat de essentie van het leven zich openbaart in sporen, in alle onvolmaaktheden, de gebroken stukken, de gebruikssporen die wij achterlaten op voorwerpen en oppervlaktes; meer dan in de successen die we in het leven tegenkomen. Maar wat is de essentie van een spoor (als er zoiets bestaat?)

Voor mij verklaart Roland Barthes dit door het beschrijven van de essentie van een broek: “Wat is de essentie van een broek (als er zoiets bestaat)? Het is zeker niet dat frisse, platgestreken object die je in het rek van het warenhuis vindt; het is eerder dat hoopje stof dat onachtzaam is achtergelaten waar de jongen ze uittrok, onzorgvuldig, lui, onverschillig. Er bestaat een relatie tussen de essentie van een object en zijn vernietiging: niet zozeer wat er achterblijft nadat het is verbruikt, maar wat er wordt weggeworpen als zijnde van geen enkele nut.” [1]

gerlach en koop, Opschuiven

De leegte verschijnt als een openbaring, als een verassing, het verbaast, het laat je verder door je eigen verbeelding drijven. De leegte verschijnt na het verloop van tijd, door de ophoping van stof op een oppervlakte waar een ding of object hangt, staat, of ligt. Pas wanneer het ding wordt verwijderd, verschijnt de spoor. Meestal wordt het niet met opzet gemaakt omdat het vanzelf verschijnt op de plekken waar je schilderijen, klokken, en planken hangt; waar meubilair geplaatst wordt, enzovoorts. Hoe meer tijd, stof, en licht de oppervlakte in kleur en verschijning aantast, hoe maar de spoor zich openbaart.

Wolfram Scheible

De leegte heeft het vermogen te verassen omdat het pas te zien is wanneer een object wordt verwijderd, een actie dat de persoon het idee kan geven dat hij of zij iets in hun huiselijke ruimte heeft ontdekt wat eerder bedekt gebleven bleef. Het is de onthulling van een letterlijk niets, een deel van de oppervlakte wat, doordat het bedekt bleef, niet door de laag stof omhult is zoals de rest van de oppervlakte.

De diefstal van Leonardo Da Vinci’s Mona Lisa trok een enorme menigte uit heel Europa om de plek en de leegte te aanschouwen achtergelaten door het gestolen schilderij, en dus niet het object zelf—die was immers gestolen.[2] En dus werd de status van het schilderij verder omhoog gedreven. Maar waarin ligt de kracht, de drijvende kracht om deze plek te willen bezoeken, enkel om de leegte te kunnen zien? Hier wordt de leegte de hoofdspeler in het verhaal, maar alleen omdat er ooit een schilderij hing met een bepaalde status. Met het voorbeeld van de Mona Lisa is het overduidelijk de status van het schilderij en de herinnering aan het beeld dat status aan de leegte verleent.

Wolfram Scheible

De spetter is een vreugdevolle spoor, als confetti op een oppervlakte. Meestal toont het zich in de vorm van kleine druppels, oftewel kleine puntjes op de oppervlakte. Soms verzamelen ze zich rond een grote centrale vlek. Soms lijken de spetters op sterren met een dikkere middendeel waaruit dunnen lijnen vertrekken en naar buiten rekken. Ze bestaan door het gooien van een fles wijn op de grond: het meeste vloeistof zal neerkomen waar de fles de grond raakt, maar rond dit centrale punt stuiteren kleine druppels op en vallen ze steeds verder van het middenpunt, of raken een andere oppervlakte zoals een tafelpoot of een muur. Het heeft iets weg van het spel met water, het plezier. Ook is het vreugdevol omdat het een oogwenk beschrijft, een moment dat niet langer dan een seconde duurt.

De waterval, die alleen aan de bodem spettert, is pure energie: het botsen van het water aan de oppervlakte, de ongecontroleerde manier waarop de druppels door de lucht schieten en landen totdat ze één worden met het vlakke water. Deze zelfde energie wordt gevisualiseerd in de spoor van de spetter, maar dan gefixeerd op de grond. Zoals in fotografie, waarin een moment in de tijd wordt bevroren, de dood van het object, het onbewegelijke beeld waarvan alle energie is ontnomen, zo is ook de spetter een unieke gebeurtenis.

De veeg is de aanraking. Het onderscheidt zich door zijn lichamelijkheid. In essentie is de veeg iets wat je met je vinger, hand, elleboog, of ander lichaamsdeel zou maken in combinatie met een medium waardoor de spoor tevoorschijn komt. Dit medium kan bestaan uit poeder, of iets vettigs, of een andere substantie dat op de oppervlakte ligt.

Vegen worden gemaakt door mensen, mensen met vieze handen, of vieze werkkleding die op de grond valt. Altijd is de veeg een menselijk iets, het resultaat van een gerichte actie, zoals de vegen die je op deuren vind: op een bepaald punt in de buurt van de rand van hun oppervlakte, op een hoogte tussen circa een en anderhalf meter van de grond.

Een spoor zonder geschiedenis bestaat niet. Het vertelt je dat er iets is gebeurt voordat je het spoor met eigen ogen ziet. Een spoor kan je vertellen wat er op een oppervlakte geweest is, of hoe lang de oppervlakte heeft bestaan. Een spoor kan de binnenste lagen van een oppervlakte zichtbaar maken, of de meest gebruikte plekken van een kamer onthullen. Een spoor kan in een ogenblik ontstaan, zoals een koffievlek, of er kunnen jaren over gaan, zoals in het uitzetten van een houten deur. De spoor toont de tijd zelf.


[1]Barthes, Roland. The responsibility of forms, pagina 158, University of California Press, 1991

[2] Leader, Darian. Stealing the Mona Lisa – What art stops us from seeing, Faber & Faber, London, 2002. Voor Leader is dit moment het beginpunt voor onze fascinatie voor lege galerieruimtes en de reden waarom we naar kunst willen kijken.

koekoeksklokken in de huiskamer

Vrijwel iedereen kent hem wel: de koekoeksklok. Dat huisje aan de muur, druk versierd met bladwerk, vogels en of andere dieren. Er hangen twee gietijzeren gewichten onder, in de vorm van dennenappels en de houten slinger is ook meestal voorzien van een blad.


Kinderen waren -en zijn- er dol op. Elke keer opnieuw komt het vogeltje vanachter zijn deurtje vandaan om buigend en snavelklappend, soms ook nog zijn vleugels bewegend, het aantal uren met zijn geroep aan te geven.
Ooit waren deze klokken buitengewoon populair, maar geleidelijk aan is dit minder geworden. Steeds meer won de gedachte terrein dat ze kitscherig waren en dat het eigenlijk niet ‘bon ton’ was om zo’n klok in je interieur op te hangen. Een Zaanse of Friese klok of een Franse comtoise aan de muur, dát was pas chic. De koekoeksklok werd in veel gevallen naar de gang verbannen en kwam uiteindelijk op zolder terecht en van daaruit niet zelden in de vuilnisbak!

Hoezo kitsch? Toegegeven, er zijn veel, ook naar mijn smaak, lelijke koekoeksklokken gebouwd. Het houtsnijwerk werd geleidelijk aan steeds minder verfijnd en bovendien ook steeds vaker in schreeuwerige kleuren uitgevoerd. Het woord lelijk is hier voor mijn gevoel prima op zijn plaats, maar kitsch? Nee.


Bij kitsch denk ik aan al die zogenaamd ‘oudhollandse’ Zaanse en Friese klokken, zoals die sinds de jaren vijftig steeds vaker verkocht werden en die nu nog steeds in enorme hoeveelheden in bejaardenhuizen de muren ‘sieren’. Op die klokken is het begrip kitsch van toepassing omdat zij samengesteld zijn uit onderdelen die overal vandaan komen, met hun kasten van multiplex of spaanplaat, hun acht dagen lopende uurwerkjes uit het Zwarte Woud en hun gegoten koperen sierstukjes met daarop de tekst: ‘Nu elck sijn sin’.


Een authentieke Zaanse klok bestáát wel, maar is meer dan een halve meter groot, het zware peervormige gewicht aan een koord moet tweemaal per dag opgetrokken worden en de klok kost zo’n slordige tienduizend euro. Maar dan heb je ook wel een exemplaar dat gebouwd is rond het jaar 1700!

Zaanse klokken


De meeste ‘geleerden’ gaan er tegenwoordig vanuit dat de koekoeksklok rond 1730 is ‘uitgevonden’ door Franz Anton Ketterer in Schönwald in het Zwarte Woud. Van tijd tot tijd werden er in bestaande typen klokken twee ‘orgelpijpjes’, met daarop kleine blaasbalgjes, ingebouwd. Een mechaniekje tilde deze balgjes elk halfuur na elkaar op en omdat ze onderling een terts of een kwart in toonhoogte verschilden, was de ‘koekoeksklok’ geboren.


Het bekende huisjesmodel ontstond pas veel later, zo rond 1860. De baanwachtershuisjes die hier en daar langs de kort tevoren in het Zwarte Woud aangelegde spoorlijnen verrezen, stonden model voor dit nieuwe type klok, dat in liefhebberskringen daarom ook wel wordt aangeduid als ‘Bahnhäusle’. Dit waren nog steeds vrij sober uitgevoerde klokken. Er wás al wat houtsnijwerk aan en op te vinden, maar vanaf zo rond 1880 werd een en ander geleidelijk aan veel ‘rijker’ en kwam het in veel meer uitvoeringen en afmetingen op de markt. Ook werden sommige koeksklokken voorzien van nóg een vogeltje: de kwartel. Die roept elk kwartier een keertje vaker en op het hele uur roept de koekoek daarna nog eens het aantal uren dat de wijzers aangeven. Ook zijn er nogal wat koekoeksklokken voorzien van een speelwerk(je). Na het roepen van de koekoek klinkt dan bijvoorbeeld nog de melodie ‘Edelweiss’ of ‘Der fröhliche Wanderer’ of een gedeelte uit ‘Eine kleine Nachtmusik’ van Mozart om maar eens wat te noemen.

Ook bijzonder is dat de koekoeksklok sinds de begintijd met alle meubelstijlen meegegaan is: er zijn ‘Biedermeier-koekoeksklokken’, prachtige uitvoeringen met Jugendstilkenmerken, Art Deco-klokken, maar ook ‘moderne’ uit de jaren zestig en zeventig.

Tegenwoordig worden veel koekoeksklokken voorzien van een batterijuurwerk, met ‘siergewichten’ en dito slinger van plastic. Het -net echte- koekoekgeluid, geplaatst op een chip, komt dan uit een luidsprekertje in de klok. Wanneer men bij dit laatste van kitsch wil spreken kan ik mij dat overigens wel voorstellen. Maar………de koekoek is nog steeds niet uitgeroepen en er worden nog ieder jaar zo’n half miljoen exemplaren gebouwd in hun ‘geboortestreek’: het Schwarzwald in Zuid-Duitsland. En niet, zoals zoveel mensen denken, in Zwitserland en/of Oostenrijk!
de logeerkamer bij Henk Valk


kinder klokken

De logeerkamer bevindt zich ergens in de buitengewesten van het huis. Twee trappen op en dan de deur aan je rechterkant. Die deur is meestal dicht.

De bewoners houden zich elders in huis op. Soms gaat de deur van de logeerkamer kreunend van het slot: voor een onverwachte gast. die de trein had gemist. Of wiens auto pech kreeg. De logé, met een inspannende dagreis achter de rug - ook al duurde die maar enkele uren - heeft maar één verlangen: een bed om in te slapen. Met je ogen dicht zie je toch niet waar je slaapt. Grappig, dat anachronistisch allegaartje aan lakens, deken, kussenslopen.

Wat maakt dat uitzicht op de blinde muur uit? Niks toch. Helemaal geen raam in het afgetimmerde loze hoekje onder de daken? Er staat een ventilator voor als het te warm wordt. Morgen toch weer vroeg op, meteen de deur uit.

Dorien Boland, logeerkamer, Dinxperlo,1998

Logeerkamers herbergen behalve de dankbare passant voornamelijk goede bedoelingen die gastvrijheid suggereren. Want het matras heeft een kuil en dat slaapt niet echt geweldig. Ook niet na veertien keer van de linker op de rechterzij en weer vice versa. Het metalen spiraal kraakt lijdzaam. Het ruikt onbestemd. Naar natte honden of halfvergane rubberen regenjassen. Zoiets.

De logé in bed voelt zich in bed liggen met alle mensen die ervoor in deze logeerkamer overnachtten. Lampen, meubels, muren vertonen "de sporen der jaren na een leven vol zorg en vol plicht" (om Gert Timmermans 'Eerbied voor jouw grijze haren' te parafraseren.) Hoeveel keer stootte het metalen voeteneind wel niet tegen het ooit olijke behang dat er op die plaats als een melaatse is gaan uitzien. En wie of wat heeft die merkwaardige putjes in de muur veroorzaakt? (Je Oom Bert kon vaak zo driftig zijn.) De grillige, grijze vlek op het sprei is vast van de Duitse herder, die in 1982 zo moest kotsen, voordat hij een spuitje kreeg. (Ach, wat sliep hij toch graag op de logeerkamer.)

Dorien Boland, logeerkamer, Dinxperlo, 1998

Ze weten het niet maar niet alleen de logé, ook de meubels zijn op doorreis. Dertig jaar geleden begon hun bestaan als pronkstuk in de huiskamer. Toen begon de weg terug. Ze raakten gedateerd en toen waren ze op een kwade dag rijp om op de logeerkamer geparkeerd te worden.

Noem het duurzaamheid, noem het zuinigheid. Droef blijft het in ieder geval om ze daar te zien, met een verlepte flair, in het voorgeborchte van de zolder. Daarna wacht een andere eindbestemming: als grof vuil langs de stoeprand. Want kleinkinderen, die op kamers gaan, halen hun neus op voor de spullen uit oma's logeerkamer. (Zo duur is IKEA nu ook weer niet.) De opkoper-die-alles-koopt wil ze best meenemen naar de gemeentelijke vuilstort maar alleen met geld toe.

Zover is het nog niet. De logeerkamer wacht en veroudert zienderogen, sterft uit. (Er is kamernood. Nederland is er te klein behuisd om kamers ongebruikt te laten. Het land zelf is weer klein genoeg om je in de auto tijdig weer naar je eigen bed te brengen.)

Ooit treft een slopersbal de gevel en storten muren en verdiepingen ineen. Alleen de achtermuur staat nog even. Ergens hoog boven zal fier het gebloemde behang van de logeerkamer in de wind wapperen.

logeerkamer, De Heurne, 1998