241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Alex de Vries (1957) werkt als zelfstandig auteur, curator en uitgever samen met grafisch ontwerper Jan Willem den Hartog in het bureau Stern/Den Hartog & De Vries. Hij stond aan de wieg van kunsttijdschrift Metropolis M en was directeur van de academie Kunst en Vormgeving 's-Hertogenbosch. Hij heeft verschillende adviesfuncties vervuld bij onder andere de Raad voor Cultuur, de Mondriaan Stichting en het Fonds Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst. Momenteel is hij actief als lid van de provinciale adviescommissie cultuur Drente en bestuur van Bak (basis voor actuele kunst in Utrecht) en als tentoonstellingsmaker.

In juni 2008 kreeg ik op ongeregelde tijden, overdag maar ook midden in de nacht in mijn slaap, last van wat aanvoelde als een spierkramp in mijn borst, een felle contractiepijn die even aanhield en dan weer wegtrok. Op mijn kantoor in Den Haag belde ik met de huisarts en maakte een afspraak voor de volgende ochtend. Mijn collega Jan Willem vroeg me waar ik dan precies last van had en op het moment dat ik de verschijnselen beschreef, kreeg ik er ter plekke last van en in steeds toenemende mate. De pijn trok anders dan gebruikelijk niet na een paar minuten weg maar hield aan en verergerde langzaam. Ik moest moeite doen om te ademen. Ik had de aandrang om naar het toilet te gaan. Langzaam verdween de helderheid uit mijn waarneming en ik probeerde een ontspannen houding te vinden in een van de twee Gispen leunstoelen waarin Jan Willem en ik wel eens vrijuit zitten te filosoferen. Jan Willem liet me even in een plastic zakje in- en uitademen, omdat mijn hevige ademhaling aan hyperventilatie deed denken, maar dat hielp niet. Vanaf dat moment verkeerde ik in een mate van bewusteloosheid waardoor ik nog wel meekreeg wat er gebeurde, maar ik kon er geen enkel invloed meer op uitoefenen. Ik hoorde Jan Willem telefoneren, maar ik kon wat hij zei niet verstaan. Na een tijdje kwamen er mannende kantoorruimte in die me bekeken en betasten en een handvol pillen lieten slikken. ‘U voelt zich zeker al wat beter, hè,’ hoorde ik iemand zeggen, maar of hij het tegen mij had, wist ik eigenlijk niet, hoewel ik wel een vermoeden had. Ik voelde me helemaal niet beter, maar ook niet slechter. Ik voelde een totale onverschilligheid tegenover wat zich rondom mij voltrok. Tussen twee mannen in werd ik de trap naar beneden afgeleid en op een rijdende brancard gelegd die een auto werd ingeschoven. Er werd linea recta naar het ziekenhuis gereden. Ik hoorde de sirene, maar besefte niet dat die voor mij lawaai maakte. In het ziekenhuis werd ik door een eerste hulp arts vlug bekeken. Alles ging overigens steeds verder buiten mij om. Ik verkeerde in andere omstandigheden dan die zich rondom mij voltrokken. Mijn lichaam was niets meer dan een loze huls waarin iedere samenhang ontbrak. De materieloosheid van mijn fysieke gedaante nam hand over hand toe. Van mijn uiterlijke gedaante was ik me nauwelijks nog bewust. Vel, been, vocht, vlees hadden afgedaan. Ik was als een scheepje in een fles uit mijn glazen omhulsel gevaren. Er zat niets meer in, maar tegelijkertijd was dat alles. Het scheepje zelf was ook nergens meer te bekennen.

‘Dit gaat helemaal niet goed,’ zei de eerste hulp arts, ik hoorde hem heus wel, maar of dat betrekking had op mij, daar had ik geen idee van. Het kon me in ieder geval niet schelen. Jan Willem vertelde later dat er op die eerste hulp afdeling totale paniek uitbrak, en dat iedereen alles uit zijn handen liet vallen, patiënten die daar een behandeling ondergingen in verbijstering achterlatend en dat ik in vliegende vaart naar een operatiekamer werd getransporteerd.

Ik vond alles goed en liet het me gebeuren. Ik voelde een intense gelukzaligheid. Ik was volledig tevreden met mezelf en mijn leven en wat ik tot nu toe had gedaan. Ik had nergens spijt van, voelde geen schuld, noch wroeging, noch wrok. Alles was goed. Niets hoefde meer. Onderwijl kreeg ik een infuus in mijn arm en prikte iemand een holle naald in een ader in mijn lies. Dat merkte ik heus wel, maar het kon me niets schelen. De arts die me behandelde sprak vrijwel onafgebroken tegen me en zei wat hij deed, maar het maakte mij niet uit en ik mompelde onsamenhangend en nietszeggend maar wat terug. Ik gaf me over aan de euforie dat alles in elkaar opging, dat ik me één voelde met het niets, dat ik oploste in mijn lichaam. En van het ene op het andere moment was ik weer bij mijn positieven. ‘Kijk,’ zei de arts de verstopping is opgeheven. Ik verwijd de kransslagader nu door een stent te plaatsen, zodat er weer voldoende zuurstof naar uw hart kan. Teleurgesteld dat ik uit een totale gelukzaligheid in een banale situatie was terechtgekomen, keek ik naar die monitor en zag hoe de cardioloog, want dat was hij, de daad bij het woord voegde. Hij legde uit dat ik een hartinfarct had en dat die was opgeheven door mij te dotteren.

Ik heb daarna nog anderhalve dag op de intensive care gelegen, en een dag op zaal en mocht toen naar huis, herstelde voorspoedig en ging op zaterdag alweer op atelierbezoek bij een kunstenaar met wie ik helemaal niet over mijn infarct sprak, maar alleen over haar werk.

Wat ik aan deze ervaring heb overgehouden is het persoonlijke besef dat ik het in geen enkel opzicht erg vond om dood te gaan. Sterven is niet erg. Ik heb geen enkele religiositeit ervaren, zelfs geen spiritualiteit. De euforie die ik voelde kan ik alleen omschrijven als materieloosheid. Natuurlijk ben ik de mensen die hebben voorkomen dat ik stierf dankbaar, maar op het moment zelf had ik er geen enkel bezwaar tegen om afscheid te nemen van het leven. Ik was bereid me er helemaal aan over te geven. Schrik of angst heb ik niet gevoeld. Wel pijn, maar die was na verloop van tijd ondergeschikt, niet helemaal weg, maar volstrekt onbelangrijk. Het enige wat telde was de gewaarwording dat er geen enkele verwachting meer was die ikzelf of de buitenwereld aan me stelde. Ik voelde me verenigd met wie ik was. Alles viel samen. Nergens zat nog ruimte tussen. Er was geen enkele afstand meer tussen eindigheid en oneindigheid. Ik geloof werkelijk dat tijdens die gewaarwording van onontkoombare sterfelijkheid mijn rechterhersenhelft, waarin de sensatie manifest is dat we deel uitmaken van een collectieve levenskracht en waarin het besef zich voordoet dat we daaraan bijdragen, zich verenigde met mijn linkerhersenhelft waarin de onontkoombaarheid zich aandient van wie ik ben los van iedereen en alles om me heen. De latente schizofrenie waaraan we in feite allemaal lijden, vanwege de scheiding tussen onze hersenhelften, verdwijnt in de wetenschap, zo wil ik het wel noemen, dat ik er als zodanig niet toe doe, terwijl ik onontkoombaar deel ben van het leven zoals we dat kennen. Dat ik ontegenzeggelijk sterf doet daar niets aan af. Door te sterven gaan we op in het leven.

Manifeste materieloosheid dus. Het is vooral ons eigen lichaam dat daar contour aan geeft. Iedere materialiteit die we realiseren stelt ons in staat om iets immaterieels te ervaren. Tussen ons lichaam en de materie waaraan we ons afmeten, ligt ons onvermogen: alles wat we niet kunnen en niet beheersen. Ik ben ervan overtuigd dat juist die ruimtelijkheid tussen ons en de dingen het materiaal van de kunstenaar is. Het gaat er niet om wat de kunstenaar maakt, maar om de betekenis die het kunstwerk aan tijd en ruimte verleent. Die betekenis is daarmee dynamisch en voortdurend in ontwikkeling. Wat vandaag niets te betekenen heeft, was gisteren onontbeerlijk en betekent morgen alles.

De kunstenaar is bij uitstek iemand die manifestaties materialiseert. Het is hem begonnen om hoe hij iets waarneemt, hoe hij iets ziet. Dat is niet in de eerste plaats een uiterlijke gewaarwording, maar een innerlijke beleving. We kunnen het alleen ondergaan. In het kunstwerk gaan we op in onze verbeelding. Dat is geen kwestie van creatieve fantasie, hoewel daar niets op tegen is, maar van de tastbare capaciteit om uit te drukken wat we niet weten, niet kennen en niet kunnen.