241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Een doosje lucifers is een wonder op zakformaat. Verwoestende kracht gegijzeld in een massaproduct, getemde natuur in een pakje. De lucifer is in al zijn nietigheid een groots symbool voor de manier waarop de mens de elementen naar zijn hand heeft gezet.

Hoe onze voorouders hebben geleerd om vuur te hanteren valt niet met zekerheid te zeggen. Wel is aannemelijk dat het lang heeft geduurd voor oermensen vuur niet alleen konden meenemen en onderhouden na een natuurlijke brand, maar het ook zelf konden laten ontstaan. Sinds de uitvinding van de lucifer is de kunst van het vuur maken kinderspel. Nooit eerder was vuur zo gebruiksvriendelijk en mobiel. Lucifers waren bovendien ‘de enige door mensen gemaakte voorwerpen die zo goedkoop waren dat men zelfs een vreemdeling erom kon vragen,’ schrijft de socioloog J. Goudsblom in zijn boek Vuur en Beschaving.

Talloze wetenschappers en filosofen hebben zich over de vraag gebogen wat de mens onderscheidt van de dieren. Sommigen beschouwen het gebruik van taal of werktuigen als typisch menselijke verworvenheden, maar er zijn ruimschoots aanwijzingen dat apen en andere dieren ook gereedschappen maken en complexe communicatiesystemen beheersen. Volgens Goudsblom heeft de menselijke soort slechts op één bekwaamheid het monopolie: vuurbeheersing. Inmiddels hebben wij de hele aarde in brand gezet. Op foto’s gemaakt vanuit de ruimte gloeit de nachtelijke aarde van het gedomesticeerde vuur van huizen, fabrieken, straten en wegen.

Een negentiende-eeuwer gebruikte gemiddeld zes à acht lucifers per dag, tegenwoordig kunnen er weken passeren zonder dat je een lucifer afstrijkt. We zijn weliswaar volkomen afhankelijk van brandstoffen en de energie die we daaruit winnen, maar de bronnen van ons geëvolueerde vuur onttrekken zich aan ons zicht. Het vuur van nu zit opgeborgen in centrales, fabrieken, motoren, kabels en batterijen. We ontsteken lampen, fornuizen, auto’s en andere apparaten door op knoppen te drukken. Vuur in zijn natuurlijke vorm, vlammend en rokend, is ornamenteel geworden. Kaarsen en kamp- en haardvuur behoren tot het domein van de romantiek en de vakantie, het zijn sfeermakers geworden. Een enkeling rookt nog, maar de electrische sigaret is in opkomst.
Geleidelijk aan is de lucifer een nostalgisch voorwerp geworden. Zullen er genoeg gebruikers overblijven om ze voor uitsterven te behoeden? Vast wel. Er is weinig ontroerender dan een doosje lucifers. Als een verzameling djins liggen de ongebruikte houtjes te slapen in hun kartonnen behuizing. Elke lucifer is een lont, een kans om iets in gang te zetten. Desnoods vonkt er slechts een kortstondige illusie, zoals in het verhaal van het meisje met de zwavelstokjes, dat op blote voeten bosjes lucifers verkocht op oudjaarsdag. Zij ontsnapte aan de kou en de honger door haar eigen onverkochte handelswaar te onsteken, en beleefde bij elke lucifer een visioen tot de dood haar overviel. Against a single match the darkness flinches - zo luidt de naam van een dia installatie van mediakunstenaar Jeanne C. Finley uit 1998. Soms is een titel een kunstwerk op zichzelf.

Ik fantaseerde vroeger soms over een reis naar een productiebos van een luciferfabriek. Ik wilde wandelen tussen de bomen die als vuurstekjes in lichtgewicht doosjes zouden belanden, doosjes waar je mee kan schudden om het geluid te horen van flinterdunne beloften die tegen elkaar aan botsen.

Op twee terreinen wordt de lucifer nog altijd op waarde geschat. Allereerst op de markt van het noodpakket. Wat als de aarde wordt getroffen door een kernbom, een natuurramp, een inslaande meteoriet, waardoor alle electrische netwerken het begeven? Wie kans wil maken zo’n ramp te overleven, moet zelf vuur kunnen maken. In geen enkel noodpakket ontbreken dan ook speciale superlucifers, waterbestendig en extra dik.

Daarnaast blijven lucifers geliefde rekwisieten bij rituele en religieuze gelegenheden. Misschien omdat ze de schijn van tijdloze natuurlijkheid bieden, met hun analoge vlam en oergeur van brand. Maar waarschijnlijk ook omdat het afstrijken van een lucifer zelf een bescheiden ritueel is, waarbij licht en warmte ontstaan ten koste van onomkeerbare destructie. Elke lucifer gaat per slot van rekening te gronde aan zijn eigen functie. Dat maakt het afstrijken van een lucifer tot een gewichtig moment. Hoe vluchtig en nietig ook, het is een offer. Een drama van dertig seconden met alles erop en eraan: de opmaat van het afstrijken, de belofte van de ontbranding, de onvermijdelijke vertering die volgt als het vuur het hout verslindt, de catharsis van de bevrijding van licht en warmte, de ondergang als het materiaal is uitgediend. Maar zonder einde geen begin.

De camera obscura is een vreemd en bijna magisch verschijnsel waarbij een beeld ontstaat in een donkere ruimte doordat licht door een gaatje heen schijnt. Waar het licht valt ziet men een beeld van de buitenwereld in kleur geprojecteerd, ondersteboven, maar met alle gevoel voor perspectief en diepte behouden. Tijdens de zomer van 2013 bouwde Teun Verheij zijn studentkamer om tot één grote camera obscura:

Het is ochtend. Ik zitten tussen cartooneske wolken die lamlendig de vloer over kruipen. Het is verbazingwekkend licht, en stil ook, nu dat het brandalarm zijn schreeuwen heeft gestaakt. Zwart tuinbouwplastic verzamelt de hitte van de straten, en focaliseert het zodat een smalle, hete zon zich tussen de wolken toont. Hier kan alleen de schaduw van de wind mij vinden, het schudt de bladeren van de bomen die aan een betonnen lucht hangen. Als gevolg hiervan kook ik hier al weken levend, maar het is het waard – ik hou van de grote gele bestelbus die het plafond patrouilleert terwijl we spreken, de spelende kinderen, de ondraaglijk fragiel ogende fietsers – maar geen foto’s voor jouw hongerige ogen! Want met een lange sluitertijd kan iedereen er iets van maken, het is een vorm van bedrog, opwindend en belonend, maar uiteindelijk onbevredigend. Vanbinnen foto’s nemen is alsof je de hersens scant van een cycloop met een vierkanten schedel, als het nemen van een foto vanuit een foto.

Blijf er liever een tijdje. Eet er, slaap er, ontwaak er. Het is alsof je alleen in een theater woont terwijl schimmen uit de buitenwereld hun spokenspel opvoeren, van jou totaal onbewust. Toch verschilt het volkomen van een verborgen camera, of van bespioneren— wat je ziet is inmiddels al gerecycled en gefilterd door dat ene oog dat alles ziet voordat jij het ziet. Geheimen worden eerder verborgen dan verhuld.

Filosofisch gezien is de camera obscura net de doos van Pandora, toch wordt ik al misselijk van het denken aan de gebruikelijke voorbeelden (de grot van Plato, het Cartesiaanse theater, psychoanalytische en feministische beschrijvingen van de ‘Male Gaze’, zelfs de wat gedurfdere kronkelingen van surveillance theorie, laat staan de bibliotheken volgestouwd met de meer ‘obscure’ aspecten van de fotografie.) Bovenal vind ik dat ze op een of andere manier de plank totaal misslaan. De magie van de camera obscura valt in een boek niet te vatten, en toch ontstijgt het pure optiek.

Tussen de banken en de boekenkasten zweeft een verdwaalde zeemeeuw, en ik denk nergens meer aan…

Douglas Gordon, Black Star, 2002

De interessantste kunstenaars zijn altijd degenen die het onmogelijke proberen te doen. Ze horen bijvoorbeeld iemand van de grootste lampenfabriek ter wereld zeggen: ‘Grijs licht is niet te maken, wij hebben het op allerlei manieren geprobeerd maar het is onmogelijk!’ en meteen denken ze: ‘O ja? Dat zullen we dan wel eens zien!’ De Amerikaan James Turrell is zo’n kunstenaar. Wat Philips niet voor elkaar kreeg lukte hem vrij makkelijk. Hij ging aan de slag met een paar tl-buizen, peertjes en filters, en jawel hoor, licht van het zuiverste grijs.

Heel knap gedaan, en het roept meteen de vraag op of zoiets ook met zwart licht zou kunnen. Niet erg waarschijnlijk, want ‘zwart’ betekent zoveel als ‘geeft geen licht af’, en hoe kun je nu ooit licht maken dat geen licht afgeeft?

De Nederlandse kunstenaar Rob Scholte heeft eens een schilderij gemaakt van zwart licht (Nachtlicht, 1984). Er stond een groot Philips-embleem op met een cirkelvormig gat erin, en daar doorheen zag je een bureaulamp waar een zwarte vlek uit kwam alsof het een roetspuwende schoorsteen was. Best grappig, maar minder sterk dan het grijs van Turrell, want bij hem was het echt licht en bij Scholte alleen maar verf. Toch werd Scholtes zwarte licht weer iets echter toen een ansichtkaart van het schilderij bij Philips terecht kwam, en ze daar ontstaken in woede. Advocaten van de wereldfirma eisten dat de kaart uit de handel werd genomen, een bespottelijke actie natuurlijk. Alsof ze kunstenaars konden verbieden te spelen op een terrein dat ze zelf gefrustreerd hadden verlaten.

Overigens had Philips wel succes met het maken van black light, maar dat is iets anders dan zwart licht. Black light is een benaming voor lampen die van het hele kleurenspectrum maar een klein stukje uitstralen, namelijk alleen het gedeelte rond het ultraviolet. Iedereen kent die lampen wel, van disco’s onder andere. Maar in disco´s zijn er zoveel mensen en voorwerpen waar dat licht op kan terugkaatsen, dat je het misschien wel als vreemd maar zeker niet als zwart ervaart. Om die beleving wel te krijgen zou je de hele ruimte leeg moeten halen en zelfs de wanden moeten verdoezelen.

Douglas Gordon, een Schotse kunstenaar, heeft zoiets gedaan in zijn installatie Black Star (2002). Het licht in dit kunstwerk is doodeng, bijna Röntgen, elk haartje zie je op je kleren, elk huidschilfertje op je handen, en de andere bezoekers lijken wel spoken. Uit verborgen luidsprekers klinkt de stem van de kunstenaar, die voorleest uit de 19de-eeuwse griezelroman De persoonlijke herinneringen en bekentenissen van een terechte zondaar (van James Hogg). De ruimte lijkt vormeloos en biedt geen houvast, tot je precies in het midden staat en ontdekt dat het een vijfpuntige ster is, het symbool van de duivel. Letterlijk en figuurlijk een zwart kunstwerk dus.

Beslist een spannende ervaring, al wordt er in Black Star natuurlijk geen zwart licht gemáákt. Gordon heeft vooral, zoals dat ook al eeuwen in spookhuizen en griezelkabinetten gebeurt, het gewone licht buitengesloten en met een selectief schriklicht zijn effect bereikt. Maar buitensluiten van licht is niets nieuws, het is al zo oud als de nachtelijke schaduw van de aarde zelf. De vraag was of er iets te maken valt dat zelf donkerte produceert. Of het mogelijk is een lichte kamer binnen te komen, op de schakelaar te drukken en een peertje aan het plafond de hele kamer in het donker te zien zetten.

Het heeft er even op geleken dat de oplossing van een paar slimme wetenschappers zou komen. Op 9 september 1987 publiceerde de Amerikaan James DeLucas een artikel met de titel Definition of a Darkbulb. De eerste zin was: ‘The darkbulb is an electronic device that produces darkness.’ In de rest van het artikel werd precies uiteengezet hoe het zwarte peertje werkte, welke bestaande en nieuwe technologie erin zat, dat het dankzij deze vinding mogelijk werd overdag, door een druk op de lichtknop, in het donker een tukje te doen, en zo verder.

Jammer genoeg bleek het artikel afkomstig te zijn uit The Journal of Irreproducible Results, en er is dan ook nooit meer iets van de darkbulb vernomen. Blijkbaar moeten we het van de wetenschappers al evenmin hebben als van de lampenfabrieken, zodat we toch weer bij de kunstenaars terecht komen. Eigenlijk niet meer dan logisch ook, want door de eeuwen heen is nergens het verlangen naar het zwarte licht zo groot geweest als juist in kunstenaarskringen. Nog vorig jaar drukte de Zwitser Ugo Rondinone dat verlangen uit door van was een twee meter grote zwarte gloeilamp te maken. Alsof hij had gedacht: als ik geen lamp kan maken die de kamer vult met donkerte, dan maak ik wel een donkere lamp die zelf de hele kamer vult.

Waarschijnlijk moeten we de kunstenaars gewoon de tijd gunnen, dikke kans dat er dan op den duur vanzelf een even onverwachte als vernuftige oplossing uitkomt. Wetenschappers en lichttechnici zijn weliswaar theoretisch aanzienlijk beter onderlegd dan kunstenaars, maar daar staat tegenover dat kunstenaars veel dwarser en flexibeler kunnen denken. Ze zouden bijvoorbeeld op een dag best op het idee kunnen komen dat, om het zwarte licht in te schakelen, die lichtknop niet op de kamermuur moet zitten maar op de mens zelf. Als je erop drukt zouden je oogbollen in de kassen even een slag naar achteren kunnen maken, zodat het even heerlijk donker wordt. Je gezicht ziet er dan uit als bij Blind Ernest (White), een door Douglas Gordon gemaakte foto van een man met alleen oogwit, zonder pupillen (2002). Ernest glimlacht er tevreden bij, een teken dat hij zich kiplekker voelt in het zwarte licht.

De definitieve oplossing voor het probleem is zoiets natuurlijk nog niet, want het blijft uitsluiten van wit licht en er wordt nog steeds geen zwart licht gemáákt. Maar zo gaat het nu eenmaal in de kunst, het probleem blijft, het houdt nooit op, er komt geen eind aan.

http://www.cornelbierens.nl/