241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Kreeftsluiting (1) – een vergeten mechanisme (2)

De klunzige vingers hebben moeite om de fijne sluiting, verborgen achter de hals, vast te houden. Haarslierten worden een woud waar de vingers zich door banen. Telkens weer probeert je onbenullige duim de kleine hendel naar beneden te drukke, net zolang totdat de haak zich binnen de ring kan klemmen, maar steeds slipt je vinger veel te vroeg. (3)

De gesp is van even groot belang als de sieraad die het op zijn plek houdt. (4)

(5)

Het afdoen van de ketting is altijd makkelijker dan het omdoen. Je duim slipt niet. De ring verlaat met gemak de houvast van de sluiting.

(6)

De grotere versies van de kreeftsluiting passen met gemak in de hand. Wanneer je met je duim de hendel naar beneden drukt hoor je het geluid van het interne mechanisme, terwijl de opening wijder wordt en dicht klikt bij het loslaten.

De herhaaldelijke actie van het indrukken en loslaten van de hendel geeft een simpele soort voldoening totdat je duim zeer begint te doen van dit kinderspel.

Zoals bij het klikken van een balpen, begint de veer te vermoeien.

In je duim wordt een kleine deuk achtergelaten, daar waar de hendel zich ertegenaan drukte.

Af en toe blijft je vinger haken in de ruimte waarin de hendel zich beweegt.

Je vermoeide knokkels weerhouden je van het nogmaals indrukken van de hendel.

De goedkope, metallische geur die op je handen achterblijft is zoet maar onaangenaam, giftig en irritant, een herinnering aan de industriële kwaliteiten van het materiaal. (7)

Als de kreeftsluiting aan de draagband van een tas bevestigd is, zorgt het ervoor dat er spanning op de band staat waar de sluiting deel van maakt. De sluiting beweegt mee met het gewicht van de tas. (8) Wanneer de tas niet wordt gebruikt blijft de sluiting levenloos. Hoewel de sluiting de tas zal overleven, is het zonder tas overbodig, het heeft immers geen autonome functie. Ze bestaan zeldzaam op zichzelf. (9)

Aan het einde van een bos sleutels vind je een middelgrote kreeftsluiting. (10)

De vele verschillende sluitingen maken een familie van allerlei persoonlijkheden en functies, allen gebaseerd op de elegante vorm van de kreeftenklauw. (11)

(1)

De kreeftsluiting is een uitgerekte versie van de klassieke ringsluiting. In de jaren 70 werden aanpassingen gemaakt om de nieuwe vorm steviger dan zijn voorganger te maken. Vaak kan het gevonden worden op westerse sieraden, sleutelhangers, en aan draagbanden van tassen.

(2)

Zoals het scharnier aan een deur of de koperen spijkers langs de rand van een leren fauteuil bestaat de kreeftsluiting enkel om te functioneren, vaak ongezien of verstopt.

(3)

De sluiting is ontworpen om stevig te sluiten. Zoals de vorm van een boek rust het als gesloten voorwerp, maar wordt het overbodig als het gesloten blijft. De moeizaamheid van het openen van de sluiting is een ongemak, maar toch biedt het veiligheid en zekerheid. Misschien zou de sluiting aan de voorkant moeten hangen en juist geëtaleerd worden.

(4)

Het woord ‘sluiting’ bevat een gevoel van urgentie en belang. Ook kan de gesp aan een ketting het meest belangrijke sentimenteel bezit van iemand vasthouden. De verborgen gesp is even kostbaar als datgene wat het vasthoudt.

(5)

Als er in plaats van haken aan hangoorbellen, kreeftsluitingen zouden hangen, zou het probleem van vallende vlinders worden opgelost. Maar misschien zijn vlinders beter in het hangen achter de oor, en kreeften beter in het vasthouden, beveiligen en beschermen van een juweel om de nek. De kreeftsluiting heeft de vorm van een oor, maar een oorsluiting klinkt niet als iets wat makkelijk dicht zou klikken of iets strak zou kunnen vasthouden.

(6)

In oosterse culturen wordt de kreeftsluiting minder vaak gebruikt. Op sommige plekken wordt een aanpasbare touw mechanisme gebruikt, en op andere een systeem met kopen, waarmee de ketting over het hoofd kan worden getild en strakker om de hals getrokken worden.

(7)

Dit elegante driedelig object is het resultaat van een aantal geperfectioneerd industriële productieprocessen. Uit een stuk plaatijzer worden figuren gedrukt en vervolgens uitgespuugd. Op het stuk plaatijzer wordt een patroon als een treinspoor achtergelaten, terwijl de schelpen op een anonieme stapel belanden. Drie schelpen worden handmatig uitgekozen en in een mal gezet waarin ze met uiterste precisie worden gevouwen. Ze beginnen hun gedaante te nemen en worden individueel gelast. De hendel wordt in de juiste vorm gedrukt, de veer in een spiraal gerold.

De schelp, hendel, en veer worden samengebracht. Vanuit een dunne stuk plaatijzer ontstaat een driedimensionale vorm.

(8)

Door de toevoeging van een roterende basis functioneert de sluiting beter.

(9)

Een sluitingsmechanisme is altijd aan een andere vorm gekoppeld—de deur hangt aan zijn scharnieren als een parasiet en de anatomie van de paraplu wordt verstikt door stof.

(10)

Weer krijgt het gezelschap. De scherpe krokodillentanden van sleutels worden aan de sluiting gevoerd. De roterende basis voegt de sluiting toe aan sleutels, ringen, persoonlijke objecten, souvenirs, verzamelingen, troep, het ongebruikte en het onnoodzakelijke. Vanuit deze verzamelde objecten ontstaat een geluid dat uniek is aan deze specifieke accumulatie. Er lijkt concurrentie te bestaan tussen de wanorde, tussen gevoelens en functionaliteit.

(11)

De bewegende kreeft kan niet worden genegeerd, maar de kreeftsluiting in rust blijft dikwijls ongemerkt.



‘The Way We Wore’ is een van mijn favoriete boeken over mode. Het gaat over ‘black style then’, over de kleding van zwarte mensen in de jaren ’60 en ’70 en ’80, en het swingt. Al die foto’s tonen stralende zelfbewuste mensen in een bepaalde look, dat kan een gekleurde omgeknoopte hoofddoek zijn, een serie pasfoto’s van een opgroeiende jongen zijn waarbij de zorgvuldige kledingkeuze uit het kraagje, de gouden ketting of col blijkt, of uit een radicale verandering van kapsel. Af en toe duikt een designerstuk op. Samensteller Michael Mc Collom vroeg honderd vrienden en bekenden om hun persoonlijke foto’s in te sturen. De foto’s komen uit familiealbums of modebladen, alles loopt lekker door elkaar want ze willen vooral laten zien dat mode niet over kleren gaat, maar over style and attitude. Stijl is veel democratischer dan mode, want stijl maak je zelf en als het nodig is doe je dat met een minimum aan middelen. Deze mensen staan iedere ochtend handenwrijvend voor hun kledingkast: 'wat zal ik aantrekken?'. Het plezier spettert van de pagina’s af. In het voorwoord schrijft de samensteller over de liefde voor kleren van de zwarte middenklasse waarin hij opgroeide: We had outfits for school, we had outfits for picnics, we had outfits for church, we had outfits for holidays. Zowel zijn moeder als zijn oma gaven een inspirerend voorbeeld, iedereen was bezig met zijn imago waarbij het weten wat, waar te dragen de sleutel voor succes was.

Opvallend is dat zowel de clichés als het experiment gevierd worden, Roze is duidelijk een favoriete kleur en ook bont en goud worden niet geschuwd. Een vrouw poseert met een luipaard aan een halsband. Een zwarte vrouw met haar bruine benen in nylon kousen, dat lijkt een overbodigheid, waren die nylons niet ooit uitgevonden om blanke benen wat kleur te geven? Maar dat is niet de hoofdzaak. Het is met name het oog voor detail en de zorgvuldigheid van top tot teen die de toon bepalen. Een oranje pakje krijgt bijpassende schoenen en als extra wordt er met een sjaaltje nog een strik on de hals geknoopt. Hier zien we geen zwarte schoenen omdat die overal bij zouden passen, nee, ieder onderdeel matcht om te komen tot die eigen stijl. En met een enorme tulband om het hoofd kijkt de zestienjarige Karonda je aan. Het lef om op te vallen, om kleurrijk in de wereld te staan, daar gaat dit boek over.

One should not enter a room and expect ambiance; one should enter and become it.

‘The way we wore’ is een van mijn favoriete boeken over mode. Het gaat over ‘Black style then’, over de kleding van zwarte mensen in de jaren ’60 en ’70 en ’80 en het swingt. Al die foto’s tonen stralende zelfbewuste mensen in een bepaalde look, dat kan een gekleurde omgeknoopte hoofddoek zijn, een serie pasfoto’s van een opgroeiende jongen zijn waarbij de zorgvuldige kledingkeuze uit het kraagje, de gouden ketting of col blijkt of een radicale verandering van kapsel. Af en toe duikt een designerstuk op. Samensteller Michael Mc Collom vroeg 100 vrienden en bekenden om hun persoonlijke foto’s in te sturen De foto’s komen uit familiealbums of modebladen, alles loopt lekker door elkaar want ze willen vooral laten zien dat mode niet over kleren gaat maar over style and attitude. Stijl is veel democratischer dan mode, want stijl maak je zelf en als het nodig is doe je dat met een minimum aan middelen. Deze mensen staan iedere ochtend handenwrijvend voor hun kledingkast, wat zal ik aantrekken. Het plezier spettert van de pagina’s af. In het voorwoord schrijft de samensteller over de liefde voor kleren van de zwarte middenklasse waarin hij opgroeide: We had outfits for school, we had outfits for picnics, we had outfits for church, we had outfits for holidays. Zowel zijn moeder als zijn oma gaven een inspirerend voorbeeld, iedereen was bezig met zijn imago waarbij het weten wat, waar te dragen de sleutel voor succes was.

Opvallend is dat zowel de clichés als het experiment gevierd worden, Roze is duidelijk een favoriete kleur en ook bont en goud worden niet geschuwd.. Een vrouw poseert met een luipaard aan een halsband. Een zwarte vrouw met haar bruine benen in nylon kousen, dat lijkt een overbodigheid, waren die nylons niet ooit uitgevonden om blanke benen wat kleur te geven? Maar dat is niet de hoofdzaak. Het is met name het oog voor detail en de zorgvuldigheid van top tot teen die de toon bepalen. Een oranje pakje krijgt bijpassende schoenen en als extra wordt er met een sjaaltje nog een strik on de hals geknoopt. Hier zien we geen zwarte schoenen omdat die overal bij zouden passen, nee, ieder onderdeel matcht om te komen tot die eigen stijl En met een enorme tulband om het hoofd kijkt de zestienjarige Karonda je aan. En het lef om op te vallen, om kleurrijk in de wereld te staan, daar gaat dit boek over.

One should not enter a room and expect ambiance; one should enter and become it.

tumblr_mudn22T9dH1rqkjy0o2_1280pg

tumblr_mudn22T9dH1rqkjy0o2_1280pg

Modder, moeder aller materialen? Vunzig en onpeilbaar.
Keramisten noemen hun materiaal liefkozend/spottend modder en waarderen de manier waarop het een ding kan worden maar even zo goed weer kan verkrummelen.

‘Uit de klei getrokken’ is een intrigerend basaal kop en schotel servies. Lonny van Rijswijck, de ontwerpster gebruikte diverse soorten Nederlandse klei. Het bakproces maakten de verschillen in tint en textuur zichtbaar. Een gele vries-tint uit Limburg, Utrechts glanzend bruin, Brabo terra cotta. Die verschillen maken volgens de ontwerpster de “indrukwekkende maar ook onpretentieuze overeenkomsten tussen oorsprong en identiteit” zichtbaar.

Als artistiek concept is het uitermate geslaagd. Op functionaliteit en vormgevingskwaliteiten valt daarentegen af te dingen. Kortom: het tot servies geworden idee roept flinke discussie op. Niet in het minst door het materiaal. Klei komt voort uit modder, dat hoewel behept met een slecht imago, misschien wel de moeder aller materialen is.

Servies, Lonny van Rijswijck

Een cultuurhistorische duiding:
Voor In Items 1993/2 vroeg ik Benno Premsela, als designautoriteit naar mogelijke oorzaken voor de – toen nog - ondergeschoven situatie van Nederlandse ontwerpers. Premsela had de hoop al opgegeven. Hoe kon ons land “van verslepers van zand en modder” zich meten aan de toenmalige gidslanden Italië en Finland?

Onnodig dédain, klei komt voort uit modder, dat hoewel behept met een slecht imago, misschien wel de moeder aller materialen is.

Maar ook buiten Europa weet men raad met modder: zoals in de bogolans, kleiverfsels in Mali, waar men in leem imposante architectuur bouwt. Bij de onafhankelijkheidsviering in 1960 ontstond behoefte aan snel te maken feestkleding. De Malinezen herontdekten hiervoor de bogolan-techniek waarbij men met modder diepzwarte patronen op de stoffen drukt. Hieruit ontstonden jaarlijkse competities welke regio de mooiste bogolan maakte. In de jaren zeventig gingen ook Malinese kunstenaars en modemakers serieus met bogolan in de weer. Naast diepzwart werden ook druksels met briljant wit gemaakt.

Chris Seydou Mud Decoration Dress
Modeontwerper Chris Seydou presenteerde in Parijs in 1979 zijn wintercollectie met bogolan shawls en hoofddeksels in Keith Haringachtige motieven. De Nigeriaanse modeontwerper Alphadi breidde het bogolan-spectrum verder uit met blauw, groen en zelfs roze. Bij de dood van Seydou in 1994 had bogolan voor Mali net zo’n nationale status bereikt als het batik voor Indonesië.
Chen Zhen, World in out of the World, 1991
Terug naar de bron, het modder. Voor zijn installaties spoot de Frans-Chinese beeldend kunstenaar Chen Zhen (1955-2000) afvalvoorwerpen onder een laag modder. Door voorwerpen uit onze wegwerpmaatschappij met modder te bedekken, ontdeed Chen ze van alle technologische glamour en deculturaliseerde ze. De modder keert de lotsbestemming van de dingen en laat ze gepuurd terugkeren naar hun oorsprong, hun ziel en zaligheid.

I don't care it's muddy there/ it is my home […] My heart cries out for muddy water.’(Bessie Smith)

Muddy Water

Bessie Smith and her Blue Boys, Muddy Water, A Mississippi Moan Parlophone 78
​Broken idealism in S/S 13 ISLAND 1
​Broken idealism in S/S 13 ISLAND 2
​Broken idealism in S/S 13 ISLAND 4
​Broken idealism in S/S 13 ISLAND 9
​Broken idealism in S/S 13 ISLAND 1

Mode verschiet met de snelheid van een vallende ster ieder seizoen van kleur, thema en look en door die haast ontglipt er soms iets aan de aandacht.

Modeontwerper Rick Owens vroeg een kunstenaar Paul Kooiker om een lookbook te maken en voor iemand het heeft kunnen zien is het al weer uit het zicht verdwenen. Owens is een vreemde gothic vogel in de wereld van de mode. Zijn kleding is stoer, draagbaar, vanuit grote vlakken opgezet en voornamelijk zwart. De schoenen lijken vaak op legerkistjes en de jasjes op motor Jacks. Owens kleding ademt een ruige, androgyne erotiek terwijl zijn klanten toch Parisiennes of vrouwen uit Tokio zijn met een maatje zesendertig.
​Broken idealism in S/S 13 ISLAND 3

Hij doet de dingen op zijn eigen manier. Zo zul je zijn mode nooit op de advertentiepagina’s van Vogue of Elle tegen komen want adverteren doet hij niet. ‘I'm trying to find very classically graceful lines but in a primitive way.’ typeerde hij zijn stijl. Owen heeft geen modeopleiding en na twee jaar kunstacademie dook hij het nachtleven van Los Angeles in. ‘I was a part of the wicked Hollywood Boulevard hustler bar world. I hung around people like Goddess Bunny, a dwarf friend of mine, and Mr. Beanbag in super sleazy, crystal, tranny hustler bars just off Hollywood Boulevard, a couple of blocks from my studio. It fit into my aesthetic of broken idealism.’

Zijn kleding met die off side rauwe randjes blijkt aantrekkelijk voor de modemensen in het keurige hippe centrum. In een interview Met het Duitse tijdschrift Plastik (http://www.allesplastik.de/texte/rick-owens-hellboy) noemt Owens Brancusi en Paul Kooiker als zijn twee inspiratiebronnen, een onwaarschijnlijke combinatie van helden. De klassieke, zuivere eeuwige waarden van de sculpturen van Brancusi tegenover de broeierige foto’s van Paul Kooiker, waarop vrouwen in onelegante houdingen poseren, rauw en rommelig. Op de vloer slingeren nog de doosjes van de polaroids die hij gebruikt om een proef foto te maken. Owens nodigde Paul Kooiker uit om een lookbook van zijn accessoires te maken, al besefte Kooiker pas na afloop dat de vraag een lookbook betrof. Hij kreeg carte blanche en mocht eigenlijk doen wat hij wilde als er maar af en toe schoenen of een tas op zou staan.. . ‘Meer vrijheid dan ik van een galeriehouder krijg’, grinnikte Kooiker.

​Broken idealism in S/S 13 ISLAND 4

Ook al lijken de grenzen tussen kunst en mode te vervagen, in de mode zijn toch andere principes aan het werk. Waar de kunstenaar de grenzen van schaamte, schoonheid of sociale moraal opzoekt blijft mode altijd binnen het gebied van de verleiding, het kijken wordt positief beloond.

Als Viktor en Rolf de verhoudingen van het lichaam aantasten en het lichaam op ongepaste plaatsen laten uitstulpen waardoor modellen als de gebochelde klokkenluider over de catwalk lopen is er geen reden om je gezicht af te wenden. De modellen zijn prachtig en je weet dat hun dunne perfecte lichamen onder die kleding schuilen. Het is een spel dat de blik niet blokkeert maar genereus beloont.

In de Vogue van maart poseert een zwanger model in de reportage Centre of attention dat focust op het blote middenrif. De buik ziet er prachtig uit en je weet zeker dat die nooit zal lubberen of achter blijft met zwangerschapsstrepen, of meer exact, de lezer van Vogue hoeft niet bang te zijn zulke oneffenheden tegen te komen. Lef in de mode valt altijd binnen het appetijtelijke. Achter iedere serie foto’s staat een team om het concept perfect uit te voeren, zelfs de sabotage van de perfectie is perfect uitgedacht en dat maakt het saai en levenloos.

​Broken idealism in S/S 13 ISLAND 5

Een modereportage die ik nooit vergeten ben was er een waarin de mannen van een booreiland in prachtige jurken waren gehesen. Ver weg van de realiteit en toch dicht er boven op, want behalve dat de mannen dure haute couture jurken droegen was er verder niets geënsceneerd. Zo’n zeldzaam moment waarin mode de ongepolijste werkelijkheid betrad, meestal blijft men op het eiland waar alleen maar palmen wuiven. ‘I wanted to make something beautiful and the most profound beauty is grounded in something real’, aldus Rick Owens over zijn kleding.

Alec Soth, Minnesota
In deze tijd van cross-over wordt meestal de grenzen verzacht en beslecht en de raakvlakken tussen beide disciplines krijgen alle nadruk. Eerder werden fotografen gevraagd om de modewereld binnen te treden. Alec Soth maakte het fashion magazine Paris-Minnesota en zag deze uitnodiging van Magnum als een excuus om met mode te spelen. Toch bleef het concept in zijn ogen te zwak: ‘the truth is that we did not have time for ideas.’ Ook het samenwerken met een heel team valt hem zwaar. Het is juist de ontmoeting, de ruimte tussen hem en die ander, wat hem fascineert en die spanning is weg als je met een team aan de slag gaat. Uiteindelijk kiest hij voor het niemandsland tussen zijn eigen wereld en die van de mode, Minnesota versus Parijs. De shoots situeerde hij in zijn eigen omgeving van zuidelijk Amerika en hij wisselt ze af met landschappen en portretten van bewoners.

Fotograaf Helmut Newton hield van het werken met modellen en deed graag modeshoots. Hij werkte met de beste teams, de mooiste mannequins en de duurste apparatuur, want als je mag doen wat je wilt waarom zou je dan niet gebruik maken van het allerbeste?

Waarom je dat niet zou doen is te zien in S/S 13 ISLAND van Paul Kooiker, het lookbook voor de accessoires van Rick Owens waarop amper een tas of schoen te zien is. Op de cover hangt een vrouw ongemakkelijk over een oude leren stoel op een draaipoot heen. De zwarte haren verbergen haar gezicht en haar buik is bol en rimpelt. Ze draagt zwarte laarzen die als een silhouet in de lucht steken. Op de grond ligt een vergeten hoopje foto’s en op de achtergrond loert een oude archiefkast.

​Broken idealism in S/S 13 ISLAND 1

De tweede foto lijkt een beetje op de eerste maar is onscherp alsof een nerveuze assistent even op een ladder is geklommen en klikte. De witte vlakken van het onscherpe lijf en de witte achterwand overheersen. De schoenen zijn vage zwarte vlekken. Tussen de rommel op de grond in de studio ontdek je tassen en portemonnees en op de achtergrond staat zelfs een uitpuilende tas met de boekhouding van de fotograaf. Vrouwen liggen, baf, op hun buik en steken hun gelaarsde voeten de lucht in. Of je ziet de ze zolen van de schoenen frontaal op de voorgrond, met daarachter een zachte massa’s week vlees, de tegen elkaar geklemde bovenbenen trekken een dun streepje in het beeld. De kartonnen doos met opzichtig tape waarin de peperdure accessoires zijn bezorgd, is gewoon niet weggehaald. Proppen papier slingeren rond. Iedere foto oogt als een plaats delict, een ongemakkelijke plek, het soort plek dat je wil vermijden. Het is een fotoboek dat de kijker eerder wegjaagt dan uitnodigend wenkt. En in deze rauwe realiteit van de studio met onmodieuze modellen ontvouwt zich de totale relativering van de tassen en schoenen.

​Broken idealism in S/S 13 ISLAND 2

Het zijn krankzinnige foto’s. Gruizig, obscuur en zwart wit. Desperaat en ‘utterly human’. Kooiker zoekt het ongemak en zijn lookbook keert zijn kont naar de commercie. Wie zijn foto’s kent, ziet dat Paul Kooiker voor deze opdracht terugvalt op eigen stijl, in zijn eigen atelier met mollige modellen.

De schoenen kwamen er gewoon bij. Hij heeft de modieuze schoenen en tassen de wereld van de kunst binnen getrokken en gegijzeld. Kooiker deed eerst paar testjes met zijn telefoon, gewoon om een begin te hebben en zag meteen de magie van het imperfecte beeld. De rest schoot hij ook maar met zijn telefoon en pakte vervolgens de schoenen en tassen weer in de doos en stuurde alles terug. Dit was het.

Ik vroeg hem hoe hij dat durfde: ‘Je hoeft niet perse te kijken als je een foto maakt want juist die controle is heel irritant. Je moet natuurlijk wel scherp schieten vanuit het gevoel voor het moment. Het is intuïtief en vanuit het vertrouwen dat beperkingen je iets opleveren. Mode heeft verlies van controle nodig.’

In Paris Minnesota ontwaar je in een prachtig landschap in de verte een rode tas die op een bergje stenen staat. De tas bijna niet te zien maar landschap is magisch en die sfeer van schoonheid omringt de tas. Die wil je wel hebben, je vertrouwt het landschap. Mode is als een sprookje waar je je aan spiegelt, een verleidelijk ideaal beeld, een fantasmagorie, als een schuilplaats om je even weg te dromen,

Paul Kooiker zet zijn hakken in het zand, en draait het hele plaatje om. De kijker belandt op een nare, vervreemdende plek. In de vreemde anonieme filmscènes vergeet je de schoenen en je wilt liever wegkijken, eigenlijk gluur je stiekem als een voyeur naar het beeld.

Kooiker leverde de foto’s in bij zijn vaste ontwerper Willem van Zoetendaal. Deze doet niet zo veel, hij kiest 16 beelden van de 20, bepaalt de volgorde, het ritme en laat het boekje binden met een rood draadje, precies genoeg.

​Broken idealism in S/S 13 ISLAND 7

In ieder winkel lag een stapeltje van honderd lookbooks, als een extra geste voor de klant, ze zijn meegenomen, opgelost en uit het zicht verdwenen.

Owens maakte hiermee een persoonlijk statement over mode, een boekje waarbij de klanten even uit het zicht zijn verdwenen

‘I try to make clothes the way Lou Reed does music, with minimal chord changes, and direct." Woorden die ook van toepassing zijn op S/S 13 ISLAND van Kooiker, dat meer een ‘zine’ is dan een look book.

En zo reageerde Rick Owens:
love
the images

Thanks Rick

1Quote door Rick Owens

Kasteel, nachtclub, palazzo.

Jonkheer, hertog, baron.

Industriëlen en rock chic.

Jazzpianisten, acrobaten, Coco Chanel.

Achthonderd kwartflessen van de allerbeste champagne, fonkelend in de ochtendzon.

Minks, nerts’ en sabelbonts zachte streling.

Smoking en black tie.

Celebrities met cheetah of leeuwenwelp aan de lijn.

Het blauw geverfde doodshoofdaapje op de schouder van de gastheer, de gedrogeerde boa constrictor in het decolleté van de markiezin.

Yves Saint Laurent, Pierre Cardin en Christian Dior.

Salvador Dalí’s wandelstok van oud-Catalaans notenhout, meetikkend op de maat van een wals; rode mieren krioelen tussen de dubbele glazen van zijn bril, Amanda Lear aan zijn zijde.

Arm in arm met Kees van Dongen, Tristan Tzara en Marcel Duchamp: graaf en gravin de Noialles.

‘Een verdwenen wereld’ noemt Nicholas Foulkes* de traditie van het gekostumeerde bal in de kringen van oude adel, haute bourgeoisie en kunstenaars.

‘Een bal geven is niet hetzelfde als jezelf kostelijk vermaken,’ liet baron De Rothschild weten toen hij aan het eind van zijn bancaire leven zijn memoires schreef. De gefortuneerde liefhebber van extravaganza somde eens nauwkeurig alle voorbereidingen op die nodig zijn voor een geslaagd gekostumeerd bal; van de tafelschikking tot het bloemenarrangement, van de juiste belichting en decoraties tot aan de keuze van de gasten en de menulijst: de organisatie van een high concept-feest blijkt even gecompliceerd als die van een museumtentoonstelling, militaire operatie of theaterstuk in meer bedrijven.

Nooit mogen de gastheer en -vrouw het uiteindelijke doel uit het oog verliezen: de feestelijke ontsnapping aan de grauwe werkelijkheid. ‘Is het niet onze taak,’ schreef Rothschild, ‘om, ieder naar zijn eigen stijl en smaak, het leven te verrijken met wat overbodig en weelderig is en het te verfraaien met een paar flitsende, korte momenten van ongrijpbare schoonheid?’

Het bal als zorgvuldig georkestreerd moment van vervoering, een roes van luxe, beauté, volupté, een hypergestileerde vlucht in een andere tijd, een verfijnd Gesammtkunstwerk, even vluchtig als de ijle fragrance van een jasmijnparfum uit de Shanghaidelta... Ontsnapt aan je alledaagse zelf leef je dubbel intens.

Stijl is alles, schreef dichter-van-de-goot Charles Bukowski eens. (‘Style is the difference, a way of doing, a way of being done./ Six herons standing quietly in a pool of water,/ or you, naked, walking out of the bathroom without seeing me.’)

Stijl is wat de balbezoeker onderscheidt van de gewone man.

Stijl is wat de deelnemers in hun kostbare kostuums ervan weerhoudt weg te zakken in een zompige alcoholische roes.

Hen zul je niet aantreffen in een achterafsteegje, de met kreeftvlekken besmeurde black tie hangend op de navel, gescheurde spaghettibandjes fladderend in de koele ochtendwind, schreeuwend naar de daken of hysterisch androgyne liefdesverklaringen aan Amanda Lear stamelend.

Wie het kostuum aantrekt van een zeventiende-eeuwse zonnekoning, zich vermomt als baron Charlus uit Marcel Prousts À la recherche du temps perdu of zich als mysterieuze prinses van achter de Bosporus verkleedt, vindt zijn bedwelming in de perfecte stilering, constateert Nicholas Foulkes in zijn erudiete studie van de sociologie van het bal.

Hij selecteerde foto’s van het Romanov Ball uit 1903 in Sint-Petersburg, waar vrijwel alleen hoge Russische adel aanwezig was, tot aan het door baron en barones De Rothschild in 1971 georganiseerde The Proust Ball, dat werd bezocht door de jetset van de jaren zeventig, die curieuze mix van lagere adel, popsterren, kinderen van de Zeer Rijken (‘spoiled brats’) en beroemde schrijvers en filmsterren.

Het was het bal waar hoffotograaf en estheet Cecil Beaton vilein opmerkte dat Elizabeth Taylor er zo schokkend vulgair uitzag, ‘een superbejaarde Assepoester met plompe, ruwe handen en een te grote diamant om haar nek.’

Daarna, zei Rothschild, leek het alsof er een einde was gekomen aan een tijdperk.

De tijdelijkheid van het bal komt overeen met de tijdelijkheid van de roes. Wat ervan overblijft is – cliché der clichés – de herinnering. De nabeelden die zich in de harde geheugenschijf nestelen zijn die van de meeslepende mise-en-scène, het decor dat de gasten de indruk gaf zich in een andere tijd te bevinden; om nog maar te zwijgen van de hoogstandjes van de chef-kok, de oogverblindende kostuums en de kwikzilveren je ne sais quoi-sensatie die zo kenmerkend is voor alle feestelijke bijeenkomsten waar de champagne stroomt.

Het is precies dat vliedende, kortstondige gevoel dat fotografen als Man Ray, Cecil Beaton, Baron de Meyer en Horst P. Horst wisten vast te leggen, en dat zo anders is dan de herinnering aan het doorsnee feest.

Kijk ’s naar die Eyes Wide Shut-achtige opname van Jacqueline de Ribes, nicht van graaf Étienne de Beaumont, het brein achter vele spraakmakende bals uit de periode 1915-1955. Op het bal van Don Carlos de Beistegui verscheen zij in drievoud, geflankeerd door twee vrouwen van dezelfde lengte en ongeveer hetzelfde postuur, verscholen achter identieke maskers, gekleed in dezelfde jurken, van identieke juwelen en kapsels voorzien. Een imposant staaltje stilering, een perfecte verdwijnact van het ego, een waarachtig kunstwerk, ‘dat een paar uur tot leven komt, de nacht verlicht in al zijn meerkleurige pracht en uitdooft bij het eerste licht van de langzaam tevoorschijn kruipende grijs-roze dageraad’. En dat is precies zoals het geweest moet zijn. Jammer genoeg waren we er niet bij.

Nicholas Foulkes, Legendary Costume Balls of the Twentieth Century. Assouline Publishing, New York, 2011.

* Nicholas Foulkes schreef er het luxueus uitgegeven Legendary Costume Balls of the Twentieth Century over, waarin negen beroemde balfeesten uit de twintigste eeuw in woord en beeld voorbijtrekken.