241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Claude Monet
Jean Baptiste Camille Corot
Claude Monet

Van onze kunstreis door het noordwesten van Frankrijk keerden we teleurgesteld terug. Wat we vooral te zien hadden gekregen was de werking van de lange arm van Parijs. We reden huiswaarts, zwijgend, katerig, het was duidelijk koud geweest op de kermis. In die stemming ondergingen wij het verschrikkelijke ongeluk als een godsgeschenk, als een sensatie waar we al die tijd op hadden gewacht. Maar laat ik vooraan beginnen.

Ons eerste museum was dat in Rennes en dat bezoek zette meteen de toon voor alle volgende. Grote, uiteraard vooral Franse, waren ook wel vertegenwoordigd, alleen slechts met een of twee van hun belabberdste werken. Natuurlijk is ook aan een belabberd werk veel te zien, het herinnert je eraan dat een genie ook maar een mens is. Maar toen wij daar een paar keer aan herinnerd waren werden wij wrevelig.

Onze welwillendheid was nog oneindig in Rennes en we schoven braaf van het ene schilderij naar het andere. Opeens wezen we er één aan dat werkelijk prachtig was. Wat kwam dat licht mooi uit op dat schilderij van Caillebotte! Hoe slaagde hij erin om met niet meer dan het constructiewerk van een brug en een man die over de reling hing zoveel effect te bereiken!

Caillebotte,PontdeL'Europe, Rennes

We werden lyrischer en lyrischer, begonnen te overdrijven. Met ons raakte ook het schilderij uit zijn evenwicht. Wij vertrouwden onze eigen waarneming niet meer, het werd tijd om een suppoost de weg naar het restaurant te vragen.

Er was geen restaurant in het museum van Rennes.

Musee de Vannes

In Vannes ongeveer hetzelfde patroon. In de brochures Corot, Millet en Delacroix als lokkertjes, en zelfs Goya. Het dertiende-eeuwse, tot museum omgebouwde gerechtsgebouw liet van ieder van deze reuzen één werk zien, behalve van de Spanjaard. Die was, zoals men zei, hier nog nooit geweest. Allerlei regionalen daarentegen hadden de deur platgelopen, getuige hun talrijke, soms ronduit klungelige schilderijen.

Het leukst was de anekdote die was afgedrukt bij het schilderij van Delacroix. De pastoor voor wiens kerk het bestemd was had het eerst wekenlang in zijn eigen kamer bestudeerd. Hij had geconcludeerd dat het kleed van de centrale figuur, Maria Magdalena, bij de borsten te diep was uitgesneden. De koster had het doek vervolgens als een 'weergaloze restaurateur' met dikke zwarte muurverf behandeld. Daarop werd het schilderij afgevoerd naar de klokketoren, om daar een tochtig gat te dichten.

Delacroix gerestaureerd

Goldreyer is van alle tijden, dachten we, en we vroegen de weg naar het restaurant. Opnieuw kwamen we op straat terecht. .

Het museum van Nantes had een betere, maar ook een erg obligate collectie. We gaven het op toen we de twee bedroevende Monets hadden gezien, en gehoord dat het museumrestaurant er 'volgend jaar misschien' zou komen.

In een tweede gebouw zagen we iets dat eindelijk indruk maakte, een drieluik van Bill Viola. Op de drie witte doeken werden tegelijkertijd films vertoond van respectievelijk een barende vrouw, een man onder water en een stervende vrouw. We zagen het nieuwe kind geboren worden en de oude vrouw dood gaan. We hoorden gekreun en geschreeuw, het borrelen van water en het pompen van een beademingsmachine. Confronterend en rustgevend tegelijk, net wat we nodig hadden.

Hoe kwamen we aan meer van zoiets? Moesten we ons niet gewoon naar buiten begeven en onze kijkers op de harde werkelijkheid richten? Op geboorte en dood zelf dus? Alle geschipper daartussenin leidde alleen maar tot compromissen, verzinsels, kunst.

Uiteindelijk reden we zwijgend huiswaarts, katerig dat onze magen hun rijke vulling niet automatisch hadden doorgegeven aan onze hersenen. Toen zagen we op de N 25 richting Arras, een tweebaansweg, het verschrikkelijke ongeluk.

Stapvoets reden we er rakelings langs. Een personenwagen lag volkomen geplet op zijn dak in de berm. Een man en een vrouw die misschien al dood waren, in ieder geval hevig gebloed hadden, werden door twee militairen op brancards gegespt. Er werd geschreeuwd, overal stonden zwaailichten. Mannen en vrouwen in witte jassen renden om een ambulance, terwijl de brandweer de auto nabluste. Een politieman filmde de stand van zaken, zijn collega's maanden ons tot doorrijden.

Op het allerlaatste moment dachten wij iets vreemds op te merken. Wij zagen het mannelijke slachtoffer lachen. Zou het dan toch waar zijn dat sommige mensen lachend de dood ingaan?

Enige kilometers verder stond een groot reclamebord langs de weg met behalve de letters ACF (Automobile-Club de France) alleen het opschrift: 'Heeft u onlangs nog een kunstwerk gezien?' 'Nee,' riepen we hardop.

Nee?

We besloten om zo gauw mogelijk de weg af te gaan en via een binnenweg terug te keren, om aldus in de buurt van het ongeluk de hoofdweg weer op te komen. Die manoeuvre kostte ons vier uur, vier uur om voor 20 seconden iets te zien dat misschien een kunstwerk was.

Het was een kunstwerk. Alles was onveranderd. De witte jassen renden nog steeds om de ambulance, de slachtoffers waren nog altijd niet ingeladen, de politieman filmde onverdroten voort. We zagen nu ook dat op de zijkant van de ambulance een grote reproduktie was afgedrukt van het schilderij 'Het vlot van de Medusa' van Géricault. De militairen droegen uniformen die letterlijk overeenkwamen met dat van de fluitspeler op het bekende schilderij van Manet. In de lucht boven het tafereel hingen nu ook onmiskenbaar Van Goghiaanse krullen en strepen. Maar we moesten alweer doorrijden.

Het televisienieuws deed verslag van het ongeluk dat we hadden gezien.

Automobilisten wonden zich vreselijk op. De weg was urenlang versperd geweest voor flauwe onzin. De minister van verkeer, die toestemming had verleend voor het spektakel, zei dat het een huichelachtige opwinding achteraf was. Zeker negentig procent van de passanten had op het moment zelf niet eens gemerkt dat het ongeluk gefingeerd was. Een lid van het verantwoordelijke kunstenaarscollectief vroeg zich af waarom de mensen geen opluchting toonden nu de slachtoffers springlevend bleken. 'Jullie opereerden onder de naam ACF,' zei de verslaggever, 'de automobielclub is daar woedend over.' 'Niets aan te doen,' was het antwoord, 'l'Art se Conforme à la Folie. Dat is onze betekenis van die letters.'

http://www.cornelbierens.nl/