241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things


In Euroland kosten alle producten één euro. In landen waar ze geen euro's maar ponden of dollars hebben, kosten diezelfde producten in de Poundstore of 99c store een pond of een dollar. Als ik reis door vreemde landen zoek ik in iedere stad naar die winkel. Hij is er altijd. Liever nog dan de toeristische highlights, de cathedralen of de musea bezoek ik de Euroland. Een galerie wil ik nog wel eens aan voorbijlopen, maar als ik een troepwinkel tegenkom, zoals dit genre etablissement is gaan heten, schiet ik altijd even naar binnen. Want ook al zijn deze winkels overal hetzelfde, het assortiment is telkens anders. Ieder land importeert zijn eigen scala aan goedkope rotzooi.

Plastic rings from Euroland

Foto door Dirk Vis

Vaak hebben deze producten behalve hun directe functie een tweede laag. Een pistool is ook een dolfijn, een pennenbak maakt ook geluid, een globe is ook een stressbal, etcetera. Het is die tweede laag die ze zo mooi maakt. Waardoor ze, ook als ze nooit gebruikt worden, toch al bijzonder zijn. Alsof ze die tweede laag hebben als excuus voor hun goedkope uiterlijk. Ik verzamel die tweede lagen. Met die tweede laag verwonderen ze, zijn ze stille getuigen van dat de wereld ook heel anders had kunnen zijn. Ik vind het leuk om me voor te stellen, dat er een wereld is, waarin deze rare producten de dienst uitmaken, waarin alle pistolen inderdaad dolfijnen zijn. En roze. Of waarin alle pennenbaken praten.

Ze worden in groten getale verkocht. Ze worden gemaakt om geld mee te verdienen. Voor de makers bestaan geen andere motieven (geen noodzaak, geen heiligheid, etcetera). Deze producten zijn veelvoorkomende dingen met nauwelijks consequenties. Precies het omgekeerde dus van wat in de economie heet een zwarte zwaan: een onwaarschijnlijke gebeurtenis met grote consequenties.

Maar net als in volkskunst en folklore zoeken ze op een directe en pretentieloze manier toch contact met mysterieuze zaken. Het zijn de meest onmysterieuze voorwerpen die er zijn: stressbal, liniaal, notitieboekje, maar toch is wonderbaarlijk hoe raar ze zijn. Waarom een stressbal in de vorm van een globe? Per ongeluk zeggen ze vaak heel mooie dingen. Er is een vlinder die op zonne-energie ronddraait: het mechaniek om de vlinder te laten vliegen is groter dan de vlinder zelf.

Voor slechts 1€ heb je iets dat is bedacht, geschetst, ontworpen, inelkaar gezet, verscheept, verpakt, uitgestald, etcetera. De spulletjes zijn alledaags èn absurd (een combinatie waar de beste absurdist jaloerst op kan zijn). Ik neem geregeld 1€-producten mee naar huis om ze als attributen te gebruiken in korte verhalen. Maar ze zijn ongetwijfeld even goed te gebruiken als inspiratie voor animatiefilms, designmeubilair, striptekeningen, muziekstukken en ga zo maar door.

De laatste tijd kijk ik zelfs extra goed naar deze rotzooi. Want met 3D-printen kunnen we de meeste voorbeelden straks zelf printen. Ongetwijfeld blijven eurowinkels bestaan, maar of hun producten dan nog zo inventief, fantastisch en verrassend zijn? Daarom verzamel ik ze en de collectie vormt een zwanenzang op de 1€-producten. Want het is nu misschien moeilijk voor te stellen, en het is al helemaal geen probleem, maar ze zullen verdwijnen.

Met de kikkertheorie van Brisset (een man uitgeroepen tot Prins der Denkers omdat hij op taalkundige gronden heeft bewezen dat de mens van de kikker afstamt) heb ik voor het eerst kennisgemaakt dankzij de ’Patafysica, de wetenschap van denkbeeldige oplossingen die is ontwikkeld door de Franse schrijver Alfred Jarry (1873-1907). De ’Patafysica speelt met filosofische begrippen, wetenschappelijke ontdekkingen en technische verworvenheden. Zo bedacht Alfred Jarry een ontherseningsmachine, ontwikkelde hij Perpetual-Motion-Food, en berekende hij de oppervlakte van God.

Jarry liet zich niet alleen door de wetenschap inspireren, maar ook door morosofen als Brisset. En Victor Fournié die beweerde dat hetzelfde geluid in alle talen dezelfde betekenis heeft, bracht Jarry tot het fundamentele inzicht dat IN-DUS-TRIE één-twee-drie betekent, in alle talen.

De ’Patafysica is in de eerste plaats een wetenschap, volgens Alfred Jarry dé wetenschap.

Meerdere instituten voor de Patafysica zijn opgericht: in Parijs Collège de ’Pataphysique en in Nederland in het diepste geheim De Nederlandse Academie voor ’Patafysica, de NAP, ook wel Bâtafysica genaamd. Anders dan de dadaïsten voelen de bâtafysici geen behoefte aan rebellie of revolte, aangezien de Bâtafysica de gelijkwaardigheid van alle situaties huldigt. Anders dan surrealisten zoeken de bâtafysici hun heil niet in het onderbewuste, al waarderen ze het als een denkbeeldige oplossing; niet alleen zien ze het dagelijks leven als een zinsbegoochelend avontuur, ook beschouwen ze de logos en de retorica als geestverruimende middelen bij uitstek. Overigens omhelst de NAP het dadaïsme en het surrealisme als patafysische verschijnselen.

De patafysici trekken over de planeet met belangstelling voor alles wat op hun weg komt. Zij leggen wilde verzamelingen aan, ordenen zonder tot een orde te geraken, en laten een spoor van denkbeeldige constructies achter. Patafysici verkennen, net als de morosofen, gebieden die aan de kaarten van de reguliere wetenschap ontsnappen. De onderzoekers meten het onmeetbare, verwoorden het ongehoorde, en mechaniseren het onstoffelijke. Omgekeerd weten zij in het meest banale voorwerp een onverwacht patafysische dimensie bloot te leggen. Zij ontsluiten het gebied van de mogelijkheden waar ieder voorval wordt geregeerd door een eigen wetmatigheid. De patafysici verbazen zich collectief over het consensus omnium en verdedigen de eenmanswetenschap. En iedereen kan Lid worden zonder drieslag, besnijdenis of piercing. De enige inspanning die men moet verrichten is ruimhartig geld storten.

Is Bâtafysica de ontbrekende schakel tussen kunst en wetenschap? Bâtafysica is geen kunst; alle kunst is – bewust of onbewust – patafysisch. Te meer waar zij nieuwe wetmatigheden aan het licht brengt. Met de Deskundologen van de Insektensekte kunnen we zeggen: de Bâtafysica is geen kunst, maar echt.

De NAP treedt alle verschijnselen met dezelfde belangstelling tegemoet. Alles wordt onderzocht op zijn unieke wetmatigheid, op dat wat er iets uitzonderlijks en monsterlijks van maakt. Iedere ordening produceert zijn voorbeeldige wangedrochten, maar ook de orde zelf is monstrueus. Het monsterlijke definieert volgens Jarry het schone. Iedere esthetica is een teratologie. Volgens de Bâtafysica bestaat er niets abnormaals of normaals, alle gebeurtenissen zijn gelijkwaardig monsterlijk dus mooi.

‘Een kameel is een paard ontworpen door een commissie.’ Zo nodig schept de NAP eigenhandig de woestijnen waarin de kameel het ideale dier blijkt te zijn.

Bâtafysici weten tijd, ruimte, identiteit, beroep, nationaliteit en andere bakens waarop de mens zich oriënteert in het dagelijks leven te waarderen als denkbeeldige oplossingen. Als bâtafysici zich van een pseudoniem, masker of vermomming bedienen, als zij zich buiten de gebaande paden begeven of een andere kalender hanteren, is dit dan ook geen protest tegen de gewone gang van zaken, maar een poging het bâtafysisch karakter van het bestaan te proeven en beproeven.

De Bâtafysica lost problemen op die door niemand als een probleem worden ervaren. Sterker: net als de Deskundologie verlost de Bâtafysica ons van problemen door ze te verkeren in emblemen, polyeders van ideeën.

De ’Patafysica is geboren uit een vruchtbare mengeling van wetenschap, geloof, kunst en morosofie; beter gezegd, deze blijken van menselijke inventiviteit zijn patafysische pogingen greep te krijgen op de idiotie van het bestaan.

Enerzijds kan de ’Patafysica leiden tot bijzondere scheppingen. Anderzijds staat de ’Patafysica voor een houding. 'Patafysica is geen filosofie of literatuuropvatting, maar een zienswijze. Sterker nog: de 'Patafysica dient in de eerste plaats geleefd te worden. Dit betekent niet dat je excentriek gedrag vertoont, maar dat je je in alle handelingen, hoe banaal ook, bewust bent van het patafysisch karakter van wat je doet en denkt.

Je kunt dus doodnormale boeken schrijven, naar de kerk gaan, seks hebben, getrouwd zijn, de krant lezen en toch patafysicus zijn. Het gaat niet om een gelaten distantie, niet om een 'innere Emigration' of postmoderne ironie, maar om een bewustzijn van de denkbeeldigheid van je gedragingen en een belangstellend oog voor de uitzonderlijkheid (idiotie) van de meest routineuze handeling. Anders gezegd: de wereld is feitelijk de ware Academie voor 'Patafysica. Iedereen en alles is patafysisch, het enige verschil is dat tussen mensen die dit beseffen en zij die dit niet doen. Het verschil van niets maakt een wereld van verschil: routine die onwetend en passief tegemoet wordt getreden, werkt geestdodend, maar dezelfde routine die met een oog voor het inherent patafysische karakter ervan wordt geleefd, kan leiden tot enthousiasme, zelfs tot extase.

Horace Walpole

De munter van het woord serendipity, de Britse auteur Horace Walpole, omschreef dit begrip in 1754 als het “door toevalligheden en scherpzinnigheid ontdekken van dingen waar ze níet naar op zoek waren”. Hij verwees naar De Drie Prinsen van Serendip, een Perzisch sprookje, waarin drie hoogheden uit Sri Lanka, waar de naam Serendip naar verwijst, allerlei verrassende waarnemingen deden en ook allemaal juist duidden.

De moderne definitie van serendipiteit is 1) het talent een verrassende waarneming te doen en correct te duiden, en 2) een vrucht van dit talent.

Serendipiteit is, kortom, de kunst een ongezochte vondst te doen, of de onberaamde vondst zelf. Het kan gaan om ‘toevallige’ ontdekkingen, uitvindingen of creaties uit wetenschap, techniek of kunst, en om onverwachte gedachtes. Met ‘toevallig’ wordt niet bedoeld, dat je ‘zomaar’ iets vindt, in de wiskundige zin van at random. Het heeft hier een psychologische betekenis: iets ‘valt’ je ‘toe’, vaak terwijl je naar iets anders zoekt.

Zo’n ‘toevallige’ observatie is meestal het waarneembare gevolg van een (nog) onbekende oorzaak. Zodra die onbekende oorzaak bekend is, verdwijnt het ‘toevallige’ karakter van de observatie. Uit de praktijk blijkt dat het zinnig is verrassende waarnemingen zo correct mogelijk te duiden, vooral als ze iets nieuws kunnen opleveren. Zo’n wonderlijke observatie kan een enigma, een anomalie of een noviteit zijn.

Bij een enigma is er sprake van een raadsel: geen enkele gangbare theorie biedt een verklaring. Dat was bijvoorbeeld het geval toen de oude Grieken tot hun verrassing waarnamen dat barnsteen stof kan aantrekken. Een anomalie is per definitie strijdig met de heersende theorieën. Toen uit experimenten bleek dat uraniumkernen kunnen splitsen, was dat strijdig met de heersende overtuiging dat atomen ondeelbaar waren. Pas toen men die opvatting liet varen, was het te begrijpen. Bij een noviteit is dat anders, die botst namelijk niet met de aanvaarde theorieën. De waarneming van Drais dat hij het stuur van zijn loopfiets ook kon gebruiken om in evenwicht te komen en te blijven paste in de mechanica van zijn tijd.

De Sofisten wisten al dat je niet naar het nieuwe kunt zoeken, omdat je dan niet weet wat je zoeken moet. Wat echt nieuw is, is immers niet af te leiden uit het oude, dan zou het namelijk niet écht nieuw zijn. Voor het vinden van het werkelijk onbekende is dan ook een verrassing nodig, een wonderlijke waarneming of gedachte.

Systematisch zoeken en toevallig vinden (serendipiteit) sluiten elkaar overigens niet uit, ze complementeren en versterken elkaar zelfs. Ongezochte vondsten blijken vaak bijvangsten. Zolang je op je krent zit, struikel je immers nergens over.

De ‘toevallige vondst’ is zeldzaam. Het gaat vooral om ‘toevallige waarnemingen’ die juist worden verklaard. Dat vergt kennis van zaken. Je moet immers vooraf weten wat je kunt verwachten om het onverwachte als zodanig te kunnen waarnemen. En het correct duiden ervan vergt ook kennis en ervaring.

Dus “Verwacht ook het onverwachte!” (vrij naar Heraklitus). En “Readiness is all!” (Shakespeare)! Poe gebood: “Reken op het onvoorziene!”

In het Engels: personal research. Fleming schreef er voorbeeldig over: “De onderzoeker moet vrij zijn om een nieuwe ontdekking te volgen, waar deze hem ook mag brengen. Elke onderzoeker moet een zekere tijd voor zichzelf hebben, om zijn eigen ideeën te kunnen uitwerken zonder ze aan iemand te verantwoorden, tenzij hij dat wil. Gedenkwaardige dingen kunnen in iemands vrije tijd plaatsvinden. Dorst naar onmiddellijke resultaten is gewoon, maar zeer schadelijk. Echt waardevol onderzoek is een zaak van lange termijn. Het kan best zijn dat er in jaren niets uit een lab komt met praktisch nut. Dan, heel plotseling, duikt er iets op, zeer verschillend misschien, van waar naar gezocht werd, dat de kosten van het lab honderd jaar dekt.”

Deze bootlegging, dit ‘spelen in de tijd van de baas’ is zu lehren und zu lernen, op school en universiteit, in theorie én praktijk.

Je weekt bijvoorbeeld peperkorrels in water en vraagt practicumlopers om met de microscoop te bekijken waarom peperkorrels zo scherp zijn. Hebben ze stekeltjes? Dan blijkt er in de microscoop iets te bewegen. Zijn er studenten die het zien? Zo ja: welke? Dan vraag je je practicanten te tekenen wat ze ontwaren. “Je ziet pas iets, als je het tekent,” schreef Da Vinci. Dan onthul je dat Van Leeuwenhoek ook naar stekeltjes op peperkorrels zocht, tevergeefs, en toen vond wat we nu bacteriën noemen. Dit experiment werd gedaan op mijn verzoek, in Amsterdam, op een lyceum, en met succes, de leerlingen bleken zelfs ontroerd. Zo ontdek je ook latént talént: door verrassende waarnemingen te verstoppen in practica, onaangekondigd natuurlijk, edoch. De practicumlopers, die de verrassende waarneming gemist hebben, of er niet, of te weinig bij stil stonden, hebben er óók van geleerd, en wel dat ze ónvoldoende opmerkzaam, verbaasd, lenig en actief waren, waar anderen dat wél waren. Als je namelijk op iets interessants stuit, moet je dat bestuderen en de boel even de boel laten, zoals de behaviorist Skinner adviseerde.

De Hongaarse stress-endocrinoloog Hans Selye schreef o zo aanstekelijk: “Voor mij, is dat één van de kostelijkste gaven waar een geleerde van kan genieten. Gewoonlijk concentreren we ons zo op wat we willen onderzoeken, dat andere feiten ons bewustzijn domweg niet bereiken, zelfs als ze van veel groter belang zijn. Dat is vooral het geval bij dingen die zó afwijken van het gewone, dat ze onwaarschijnlijk lijken. Toch is alleen het ónwaarschijnlijke werkelijk onze aandacht waard.”

Er zijn grosso modo drie manieren om iets nieuws te vinden:

1. Niet-serendipiteus


een gezochte vondst op een daarvoor uitzochte weg. Een schoolvoorbeeld is de vondst van de verwekker van de pest. Yersin, een leerling van Pasteur ging naar Zuid-Oost Azië om die verwekker op te sporen in de veronderstelling dat pest een infectie is. Hij wilde secties doen op mensen die in een ziekenhuis aan builenpest overleden waren. Dit werd hem geweigerd. Hij liet toen een strohut bouwen op het gazon van het ziekenhuis en met wat smeergeld kreeg hij daar een pestdode tot zijn beschikking. Hij 
zette zijn mes in een pestbuil, waar toen een 'puree' van pus uit 
kwam. Onder zijn microscoop ontwaarde hij daarin de verwekkers, die 
later naar hem genoemd zijn.

2. Pseudo-serendipiteus

een gezochte vondst op een daartoe niet gezochte weg. Een klassiek voorbeeld is het 'vulkaniseren' van rubber. Goodyear mengde latex met zwavel om het te verduurzamen: het was een 'waarom niet' proef. Hij verhitte het mengsel en bij het roeren kwam er wat op de hete kachel terecht, en dit verschroeide. Het oppervlak ervan bleek verbrand, daar ónder zat een laagje dat veranderd was, en daaronder was er niets veranderd. De verandering bleek neer te komen op wat nu vulkanisatie heet. De gelovige Goodyear dacht zelf dat God hem hier een handje geholpen had omdat hij zo zijn best deed.

3. Serendipiteus


een ongezochte vondst. Röntgenstralen. Zoals Dijksterhuis opmerkte is onbekend gebleven welk aspect van kathodestralen Röntgen onderzocht, toen hij ontdekte wat wij nu 'Röntgenstralen' noemen. Hij verduisterde zijn lab, omhulde wat nu een 'Röntgenbuis' heet met zwart karton, zette de buis onder stroom zag toen tot zijn grote verbazing in de buurt een fluorescerend scherm oplichten. Röntgen noemde deze wonderlijke stralen, die door het zwarte karton heengingen zelf 'X-stralen', omdat 'X' het wiskundige symbool voor het onbekende is (een geniale vondst uit de
Arabische algebra). De stralen waren onzichtbaar en gingen dwars door
heel wat materialen heen. Om zichzelf te overtuigen legde hij het 
resultaat vast op lichtgevoelige platen. Toen hem later werd gevraagd wat hij dacht toen hij ze ontdekte zei hij: "Ik dacht niet, ik experimenteerde!' Na de publicatie van zijn ontdekking bleken andere onderzoekers ook al waarnemingen gedaan te hebben die door Röntgenstralen waren veroorzaakt, maar zij hadden er geen nadere 
studie naar gedaan. Dit heet 'negatieve serendipiteit': een verrassende waarneming werd wel gedaan, maar niet of niet correct geduid. Net zoals gebeurde bij de ontdekking van Amerika: toen Columbus in de Nieuwe Wereld landde, dacht hij in India te zijn, daarom sprak hij van 'Indianen'. Het was Amerigo Vespucci, die de juiste interpretatie gaf!
Wat Röntgen deed was 'positieve serendipiteit': hij dééd niet alleen een verrassende waarneming (het in het donker onverwacht oplichten van een fluorescerend scherm in de buurt van een Crookes-buis in actie en omhuld met zwart karton), maar heeft die wonderlijke observatie ook voorbeeldig geduid.


In de praktijk zijn niet-serendipiteit, pseudo-serendipiteit en serendipiteit overigens niet altijd te geheel te onderscheiden.