241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Ilse van Rijn is schrijver en kunstcriticus. Momenteel werkt zij aan haar proefschrift over kunstenaarsteksten, teksten geschreven en geproduceerd door beeldend kunstenaars. Zij is als docent en onderzoeker verbonden aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam en de Jan van Eyck Academie, Maastricht. (“I am now beginning to get fairly into my work; and by the help of a vegitable diet, with a few of the cold feeds, I make no doubt but I shall be able to go on with my uncle Toby’s story, and my own, in a tolerable straight line.” Laurence Sterne, The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman, 1759-67. VI, xl)

Openingsbeeld van de film TENSION

Openingsbeeld van de film TENSION

Hier volgt een introductie uit een lezing voor Studium Generale over Systemen. Hierin spreekt zij over hoe listig taal is om te spreken over systemen omdat het zelf een systeem is.

Deze lezing is onmogelijk. Eigenlijk kan ik beter zwijgen. Spreken, of liever: taal is een systeem. Mijn praten ondermijnt dus bij elk woord dat ik uit, het onderwerp waarover ik spreek: systeem. Hoe kan ik spreken over een systeem terwijl ik in systemen spreek, met andere woorden? Welke taal moet ik spreken? Elke afstand tot het onderwerp ontbreekt. Ik ben ongeloofwaardig. Mijn lezing is bij voorbaat mislukt, mijn presentatie een échec.

Where to begin? Par où commencer? Waar moet ik beginnen?
[Tine Melzer/Kasper Andreasen]

Structuren, systemen zie je niet onmiddellijk, zei Roland Barthes al in de ‘Nulgraad van het schrijven’ (1953). Je bevat ze niet direct, bent nauwelijks in staat het / een systeem in één oogopslag aan te wijzen en te benoemen. Het systematische karakter dat achter of in een object of verschijnsel schuilt dringt niet automatisch tot je door. ‘Everything has a schedule, if you can find out what it is’, aldus de Amerikaanse dichter John Ashbery. De school is een systeem. Wij zijn een systeem, zoals we hier staan. Je trui die je vanmorgen aangetrokken hebt is een systeem, maar je bent je nauwelijks bewust van het patroon dat eraan ten grondslag ligt. Je stond vanmorgen niet uitgebreid stil bij het productieproces waaruit je trui is voortgekomen. Of bij de reclamecampagne waar je pullie eerder in verscheen. Of bij het systeem dat aan je trui als object ten grondslag ligt: het systeem van steken en garen, breipennen, uren geduld en kopjes thee, als hij niet machinaal tot stand is gekomen. Over je trui als item in de schijnbaar grillige, maar over de langere termijn beschouwd systematische ontwikkeling in de mode dacht je niet na. Want aan jouw trui gaat, volledig onzichtbaar in eerste instantie, een geschiedenis vooraf: wat betreft kleur en materiaal en schnitt. Van veel systemen inherent aan een product hebben we, met andere woorden, aanvankelijk geen weet. Patronen, systemen komen vaak pas in tweede instantie aan het licht.

Van veel systemen weet je, vervolgens, niet of ze door de maker bedoeld zijn, ja of nee. Ligt het systeem ‘in the eye of the beholder’ of in het object dat wordt beschouwd? Zo belde Hanne me een aantal weken geleden of ik over systemen wilde spreken. Voor me lag op dat moment een krantje, de kunstenaarsuitgave, AfterGlow van Navid Nuur. Terwijl ik met Hanne in gesprek was, staarde de achterzijde van het blaadje me aan: op een foto figureerden op een tafelblad acht lucifers naast elkaar, de koppen in een oplopende graad verkoold. Of: de zwarte toppen beschreven een neergaande lijn. Het is maar hoe je het bekijkt. Tijdens het telefoongesprek, al pratend over systemen, vielen me ineens de horizontale nerven op in het tafelblad op de foto, waarmee de verticale stokjes een ritmisch raster vormden.

These are the days

2004-2010
lucifers

Ik wist niet zeker of het de intentie van de kunstenaar was dit laatste systeem van horizontale en verticalen in het beeld te integreren. Was het raster bedoeld of onbedoeld, bewust of onbewust aangebracht? Was het een consequentie van het eerste door mij waargenomen systeem, dat van de neerwaartse en oplopende diagonalen in het beeld? Of volgde het zien van het grit logisch op mijn overleg met Hanne, waarin het systeem in het werk van beeldend kunstenaars ter sprake kwam? En je kent dit fenomeen: denk aan de kleur rood en de stad lijkt vergeven van rood.

‘Tijdens het telefoongesprek, al pratend over systemen, vielen me ineens de horizontale nerven op in het tafelblad op de foto, waarmee de verticale stokjes een ritmisch raster vormden.’ Nadat ik die zin had genoteerd, veranderde ik, als variatie op mijn eigen woorden, het woord ‘stokjes’ in de tekst in het meer poëtische maar ook preciezere ‘houtjes’. En zodra ik de houten kwaliteit van de lucifers op de foto had benoemd, begonnen ze een wonderlijke overeenkomst of een contrast te vormen met de houten ondergrond waarop zij lagen. Of was de tafel een gelamificeerd oppervlak, waarop een nep houten tekening was gedrukt? Ineens zag ik het beeld anders. Het begon te bewegen. Of bestond de overeenkomst of het contrast tussen hout en hout enkel en alleen in tekst, omdat ik het benoemde, erover schreef?

Video still uitThéâtre de poche van Aurélien Froment

Video still uitThéâtre de poche van Aurélien Froment

Dit is een passage uit een lezing voor Studium Generale over Systemen. Hierin spreekt zij over hoe listig taal is om te spreken over systemen omdat het zelf een systeem is.

Dit weekend speelde ik een spel: op een grote glazen tafel waarop een raster was aangebracht lagen ontelbare vierkante kaartjes die pasten binnen de vakjes van het grit. Twee kaartjes correspondeerden telkens, zoals in het spel ‘memory’. Het was aan de speler om ze te zoeken. Maar de afbeeldingen op de paren waren nooit identiek, zoals bij memory. Twee kaartjes hoorden om andere redenen ‘bij elkaar’. De redenen varieerden: zo was een kaartje kanariegeel en stond op zijn ‘partner’ een schilders kwast gedoopt in diezelfde gele kleur. Of twee kaartjes toonden ieder een ander onderdeel van wat duidelijk dezelfde machine was. Met mijn medespeler keerden we kaartjes en zochten we naar paren, terwijl we beargumenteerden waarom twee afbeeldingen moesten matchen. Het was, kortom, minder degene met de grootste stapel corresponderende kaartjes, maar, nog belangrijker, diegene met de beste argumenten die ‘won’. Dit spel ging over beeld, over onze wijze van verbanden leggen, systemen schrijven, verhalen vertellen, geschiedenissen schrijven.

Het spel, een kunstwerk van de Franse kunstenaar Aurélien Froment, was gebaseerd op de truc van een Vlaamse goochelaar, die de techniek weer van zijn Engelse collega Arthur Lloyd had geleerd. In zijn act liet de goochelaar zijn publiek telkens een voorwerp noemen, vervolgens toverde hij het overeenstemmende kaartje uit zijn vestzak. Aan het eind van zijn carrière droeg de goochelaar zo’n 1600 kaartjes op zijn lijf.

Toen we na afloop dit ‘théâtre de pôche’/‘pocket theatre’ bediscussieerden, concludeerden we dat niet alleen de goocheltruc als model voor het spel als kunstwerk / het kunstwerk als spel had gediend. De techniek van de act herinnerde bovendien aan de wijze waarop rondtrekkende bards en troubadours in de middeleeuwen hun gedichten en liederen memoreerden. Dat de gedichten in de afzonderlijke plaatsen waar ze in die tijd werden opgevoerd niet identiek waren door die persoonlijke overdracht, was onvermijdelijk. Dat dat verschil, de opvoering, de trilling van de stem, het weglaten van passages onderdeel was van de act, stond buiten kijf. Dat er een nieuwswaarde inherent was aan het gedicht, iets wat nu vaak tot controverses leidt – een kunstwerk moet een in zichzelf besloten entiteit zijn, mag enkel en alleen naar zichzelf verwijzen - , dat de dichter actief betrok bij het dagelijks leven, wat we nu maatschappij zouden noemen, was een gegeven, vanzelfsprekend. Ook daartoe is taal in staat, zo toonde dit spel. Voor deze taal als spel, dit spel in taal moest je rondtrekken, zingen, stil zijn, gokken en gissen, vérder kijken, niet over de vaste lijnen van het raster lopen, maar springen door de mazen van het net.