241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Wouter Prins is conservator van het Museum voor Religieuze Kunst te Uden.

Wachtkamer in een Braziliaans ziekenhuis.
zilveren ex-voto’s, collectie, MRK Uden
Wachtkamer in een Braziliaans ziekenhuis.

Het lijken relicten van een bijgeloof uit een ver verleden: de armen en benen, handen en voeten van was, hoog opgetrokken, bungelend aan het plafond van een kapel bij een Braziliaans ziekenhuis. Het zijn de gunstige tekenen, de stoffelijke bewijzen van een herstel, want alleen als een patiënt geneest moet deze zijn dank betonen, zijn gelofte inlossen bij de aangeroepen heilige en hem of haar een ex-voto (latijn: krachtens een gelofte) nalaten. Genezen door artsen en dankzij voorspraak van een heilige of Maria: een relatie die wij niet meer leggen, maar in Latijns Amerika en Zuid Europa nog heel gewoon is.

De ex-voto cultuur is even oud als divers. Het aanroepen van heiligen en goden voor gezondheid en vruchtbaarheid kent een eeuwenlange traditie. Zo zijn in de nabijheid van Etruskische tempels kuilen met wijgeschenken aangetroffen, met voeten, fallussen, borsten en ogen. In katholieke landen is deze traditie gehandhaafd, zij het dat het materiaal en de vormen van de ex-voto’s gevarieerder zijn geworden. De meest eenvoudige ex-voto’s zijn gemaakt van verzilverd latoenkoper, de meer kostbare van zilver. Het meest aantrekkelijk zijn de geschilderde varianten waarin een ziekte of een ongeval is weergegeven. Een man die van een dak valt, een ruiter die uit zijn zadel wordt gewipt, een vrouw die door een bliksem wordt getroffen. Met in de wolken (de hemel) Maria of een heilige door wie het uiteindelijk goed is gekomen.

Ex-voto en Memorieschildering Tijdens een epidemie in een Beiers dorp kwamen uit een familie drie gezinsleden om het leven (met rood kruisje in hand), de overige overleefden het. De gelofte na de redding is ditmaal gericht op het leven hier op aarde en op

Het zijn vooral deze schilderijtjes, voorbeelden soms van prachtige volkskunst, die de belangstelling voor het fenomeen ex-voto heeft aangewakkerd. Erik van Zuylen wijdde er een documentaire aan, De wonderschilders (2000), die de verhalen vertelt die achter de ex voto's schuilen. Het meest interessante naslagwerk is nog altijd Ex voto. Zeichen, Bild und Abbild im christlichen Votivbrauchtum van Lenz Kriss-Rettenbeck uit 1972.

Meerveldhoven bij Eindhoven, foto: J. Bijnen

In Nederland heeft het calvinisme, met zijn aversie tegen bijgeloof en volksgeloof, de bloei van de ex-voto cultuur parten gespeeld. De ex-voto in ons land is dan ook overwegend van bescheiden omvang, van (latoen-)zilver of was, en verbonden met een Maria- of heiligencultus. Het is vaak de cultus en niet de votiefgave die de aandacht op zich eist, zoals in Meerveldhoven bij Eindhoven, waar de ex-voto’s vastgebonden zijn aan de takken van een Maria-eik in de kerk.

Barnet Newman, Cathedra, 1951
Barnet Newman, Cathedra, 1951

‘Er was niets, helemaal niets te zien’. Deze, later fameus geworden uitspraak, werd gedaan door een bezoeker aan een expositie van Barnett Newman januari 1950 in New York.

Newman presenteerde op de expositie in New York zijn later beroemd geworden monumentale monochrome doeken, doorsneden door een enkele verticale smalle band. Schilderijen zonder titel, zonder motief. In zekere zin wilde Newman ‘niet laten zien’, althans geen onderwerp, geen beeld dat verwijst naar de geschiedenis van de beeldende kunst. Dat was de ontdekking die hij kort daarvoor had gedaan: hij had geen onderwerp meer nodig. Hij gaf de toeschouwer het advies zijn schilderijen van zeer nabij te bekijken, en niet van ver af, wat men op grond van de grote formaten geneigd is te doen.‘Pictures need to be felt, not to be read’, luidde zijn credo.

Titiaan, H Margaret en de draak

http://en.wikipedia.org/wiki/St_Margaret_and_the_Dragon_%28Titian%29

Vier eeuwen eerder, rond 1550, vond een vergelijkbare discussie plaats. Aanleiding waren de schilderijen van Titiaan. Op oudere leeftijd begon de meester uit Venetië ‘onzichtbare’ voorstellingen te schilderen. Niet langer bond hij de kleur aan stof en vorm, zijn palet deed de figuren oplossen in soort van nevel en mist. Hij bouwde zijn compositie op in brede, forse kwaststreken en met kleurvlakken. Bovendien liet hij delen van het doek onbeschilderd, zodat, zoals zijn tijdgenoot Vasari het opmerkt, ‘men van nabij niet veel ziet, terwijl de schilderijen van een afstand volmaakt blijken te zijn.’ Met dat volmaakt bedoelde Vasari dat de schilderijen van Titiaan de indruk wekken te leven.

De revolutie die met Titiaan inzet en bij Newman tot een einde komt, is dat de een bepaalde categorie schilderkunst gedijt bij onzichtbaarheid en vormloosheid. Het is een schilderkunst waarin het proces van het metier zich openbaart, de dynamiek van de toets, het kleurgebruik, de textuur. Maar het is vooral een schilderkunst die de kijker in het werk betrekt. Want het is zijn positie, zijn plaats, dicht op de huid van het schilderij of op afstand, die bepaalt wat er gezien kan worden. Deze vorm van schilderkunst creëert de illusie van de kijker als een (mede-)schepper, een kunstenaar, die het werk moet afmaken.

Ironisch genoeg wordt deze suggestie het sterkst opgewekt door bij Newman afstand te betrachten en bij Titiaan er met de neus op het doek te gaan staan.

Detail, Titiaan, H. Margaret en de draak, c.1559

http://en.wikipedia.org/wiki/St_Margaret_and_the_Dragon_%28Titian%29

Het jurkje, van batist met broderie, is voorzien van een fijn kanten strookje rond de hals. Ingeweven bloemmotieven sieren de twee kanten doopkleden, die over de dopeling en over het kussen waarop hij rustte, werden gelegd. Het kleine, zijden mutsje is versierd met goudkleurige bloemmotiefjes en strikjes. Tegen een mogelijke opstekende koude wind zijn een gehaakt wollen kleed en keepje met capuchon toegevoegd. De doopset, compleet en vrij kostbaar, werd gebruikt voor de doop van Marianus Jacobus Maria Cloostermans uit Katwijk en Klein-Linden op 8 juli 1922. Op het bij de kleding gevoegde bidprentje staat hij geportretteerd in matrozenpakje. Het jongetje overleed, nog geen vier jaar oud, in zijn geboorteplaats Katwijk en Klein-Linden. Op de achterzijde is een in die tijd bekend gedichtje opgenomen:

" Liefst Kindje, gaat gij henen

In den Bloei der prille jeugd?

Uw verlies doet ons zoo wenen,

Want gij waart ons aller vreugd.

Lieve Moeder, wil niet schreien

Vader, ach, o treur zo niet:

Uwe lieveling ging wel scheiden

Maar, o neen, vergeet u niet.

Met mijn broertje, pas gestorven,

Juich ik in God's Eng'lenrij.

Onze zieltjes onbedorven

Wachten U hier eeuwig blij.

In dit treurige lot van Marianus Cloostermans, van zijn eveneens vroeg overleden broertje, van zijn bedroefde ouders, tekent zich de betekenis af van de dood in een tijdperk waarin het leven doortrokken was van het besef van een vroegtijdig einde. Hoe dichtbij die dood was, illustreert het gedichtje. Het was alom bekend en sierde menig doodsprentje uit die periode. Het is in de dood dat iets heel persoonlijk en dierbaars iets heel algemeens en universeel wordt. In 1922 stierven vele jongetjes als Marianus Cloostermans, jongetjes in matrozenpakjes.

Om velerlei redenen wordt de schilderkunst van Giotto geprezen. Om zijn eenvoud en realisme, zijn heldere verhaalstructuur en composities, zijn fantasierijke landschappen en architectuur, zijn dramatiek en kleurgebruik. Een van de meest interessante vernieuwingen van Giotto was daarnaast de toepassing van isokephalie, of ‘gelijkhoofdigheid’: de groepering van omstanders op een horizontaal niveau, op een gelijk grondvlak.

In het hoofdwerk van Giotto, de wandschilderingen in de Arenakapel van Padua, zijn talrijke voorbeelden van de ingenieuze toepassingen van de isokephalie zichtbaar. In het monumentale Laatste Oordeel verruimt Giotto de dimensie naar horizontaal en verticaal, en dat kan, want de scène is gesitueerd buiten de aarde, in het domein van de hemel. Bovendien moest hij een oplossing vinden voor de aureolen rondom de hoofden van de koren engelen en heiligen.

Giotto, Het ontslapen van Maria in Berlijn.

Een interessante variant op de isokephalie toont het paneel Het ontslapen van Maria in Berlijn. Het spel tussen hoofd en halo, gedeeltelijke overlapping en volledige zichtbaar wordt hier op grote hoogte gebracht.

Eenmaal gefascineerd door de isokephalie van Giotto, beginnen steeds meer details op te vallen. Hoe in een grote groep de regel wordt bevestigd door de uitzondering, door de enkeling die omkijkt en zich buigt naar iemand die achter hem staat. Hoe telkens anders de kruinen van de hoofden uitstijgen boven de aureolen voor hen. Hoe de monotonie van de groep wordt onderbroken door een reeks van subtiele variaties.

De isokephalie van Giotto werkt verslavend. Giotto of Cimabue, schilderkunst of fotografie, voetbalteam of koor, je blijft er naar kijken. Heb je er eenmaal oog voor gekregen, dan wordt de rangschikking van de gezichten van de omstanders van bijzaak hoofdzaak.

Giotto, Het Laatste Oordeel, Arena Kapel, Padua

Minder is beter, less is more. Dit adagium heeft de kunst van de afgelopen eeuw stevig in de greep gehouden en nog altijd wordt het wegsnijden van de franje, het achterwege laten van de anekdote aanbevolen en geprezen door de meerderheid der kunstcritici en kunstdocenten.

Fred. Sandback

De kunst van het weglaten kent een lange voorgeschiedenis. Wonderlijk genoeg liggen de wortels van deze esthetische opvatting in de barok, tijdperk van het decorum, de overdaad, het exces en het ornament. Maar het was in dezelfde periode, de zeventiende eeuw, dat men brak met de traditie om de verhaallijn te volgen, om scène na scène als een stripverhaal te verbeelden. De barok koos voor het hoogtepunt, voor de apotheose waarin het hele verhaal werd vervat, voor het verstolde ultieme en vaak meest theatrale moment.

De kunst van het weglaten kreeg een opmerkelijk vervolg in 1793 in de persoon van de Frans schilder Jacques-Louis David. Diens ‘Dood van Marat’staat momenteel te boek als een wereldberoemd meesterwerk, een icoon van de Franse Revolutie, een waarachtig devotiebeeld, geïnspireerd op een gebeurtenis die Parijs op 13 juli 1793 in rep en roer bracht: de moord op de revolutionaire Jacobijnse voorman Marat door een jonge vrouw van vierentwintig, Charlotte Corday uit Normandië. Davids versie is eigenzinnig en eerder als religieus en geëngageerd dan als feitelijk en zakelijk te bestempelen.

Dood van Marat

Jacques-Louis David

Maar het meest bijzondere aan het werk is dat de moord zelf en de dader buiten beeld zijn gelaten. De Marat van David is stervende. Zijn hoofd rust al op zijn rechterschouder, zijn rechterarm bungelt over de badkuip, zijn linkerhand beroert nog net de aankondigingbrief van Corday. In een lichtbundel schuin van boven, als uit de hemel, glijdt Marat weg uit het leven, als een waardige held, een martelaar voor het Franse volk.

Briljant is de afhangende arm van Marat, waarvoor David zich heeft laten inspireren door De Graflegging van Caravaggio. Davids isolatie van het motief was een ware vondst. Geen schilder voor hem had een arm zo dramatisch in het licht gezet als hij.

De bijgevoegde foto is een eigen opname van de versie die in het Louvre hangt, het origineel hangt in Brussel