241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Het waanzinnige leven van James Tiptree en Alice B. Sheldon (1915-198)

De in Amsterdam wonende biografe Julie Phillips won een voorname Amerikaanse prijs met een biografie van sf-legende James Tiptree. Diens levensverhaal is amper te geloven.

Begin jaren zeventig was de sciencefiction-wereld in de ban van een mysterieuze schrijver. James Tiptree Jr. werkte, naar men aannam, voor de CIA en kon daarom enkel communiceren via een anonieme postbus. Hij had duistere contreien bereisd en wist hoe met wapens om te gaan. Zijn energieke, bezeten verhalen over seks en dood waren masculien van toon, al had Tiptree ook oog voor de ‘ongeziene’ vrouw. Een feministische jock? Een gevoelige macho?

Nee, bleek in 1976, toen de schrijver op de top van zijn roem stond: James Tiptree was een vrouw.

In Julie Phillips’ met de National Book Critics Circle Award bekroonde biografie James Tiptree Jr., The Double Life of Alice B. Sheldon wordt het verborgen leven achter de schrijfster ontrafeld. De Nederlands-Amerikaanse biografe Phillips vertelt een onwaarschijnlijke geschiedenis. In 1915 geboren als kind van rijke avonturiers, bereisde Sheldon al op jonge leeftijd de donkerste delen van Afrika. Als tiener ging Alice ervandoor met een gewelddadige dronkaard, die ze na zes jaar verliet om in het nieuwgevormde vrouwencorps van het leger dienst te nemen. Ze worstelde met lesbische gevoelens, maar al haar grote liefdes bleken fatale vrouwen, die gek werden of stierven. Ze werd foto-analist bij de CIA, waar ze haar man Huntington (Ting) Sheldon ontmoette. Met hem kocht ze een kippenboerderij, totdat ze (bipolaire carrièreplanning!) psychologie ging studeren. Als onderzoekster was ze een mislukking: haar ambities waren onuitvoerbaar. Ze werd depressief en slikte alle mogelijke uppers en downers. Nooit had ze het gevoel echt te kunnen zijn wie ze was. Dat idee had veel te maken met de dominante aanwezigheid van haar moeder, die reisverhalen schreef en een bruisende aanwezigheid was in de high society van Chicago.

Al van jongs af aan had Sheldon sciencefiction gelezen, een ‘heimelijk genoegen’ waarvoor ze zich geregeld verontschuldigde. De pulp-sf van haar jeugd had sinds de oorlog echter een transformatie ondergaan. Geen verhalen meer over groene mannetjes die schaarsgeklede dames hun bh’s ontfutselden, maar bespiegelingen over nucleaire oorlog en overbevolking. De ambitieuze jonge honden van de New Wave voegden daar een literaire sensibiliteit aan toe. Sciencefiction moest niet alleen een literatuur van ideeën zijn, maar stilistisch en psychologisch tot wasdom komen.

In dat klimaat begon Alice Sheldon in 1967 onder het pseudoniem James Tiptree sf-verhalen te schrijven. Vooraanstaande redacteuren als Frederik Pohl en Harry Harrison zagen potentie in de aanzetjes. Al snel werden de verhalen persoonlijker en grimmiger: de uiting van frustraties waar Alice in het dagelijkse leven niks mee kon. De grap werd serieus. Tiptree gaf richting aan Sheldons richtingloze bestaan.

Een aantal verhalen van Tiptree werd klassiek. In ‘The Last flight of Doctor Ain’ (1969) vliegt de titelfiguur de wereld rond, om zijn geliefde – naar langzaam duidelijk wordt: de Aarde zelf – te redden van de ondergang. Daartoe verspreidt hij een dodelijke ziekte, die de hele mensheid uit zal roeien. ‘The Women Men Don’t See’ (1972) is een satirisch verhaal waarin federaal agent Don, met twee vrouwen neerstort in de bush-bush. Steeds gist hij naar hun motieven, totdat de vrouwen ontvoering door aliens boven zijn ‘zorg’ verkiezen. En in het aangrijpende ‘Love is the Plan the Plan is Death’ (1971) volgen we het seksuele ontwaken en het voortschrijdend inzicht in de dood van een insekt. Onder een tweede nom de plume, Raccoona Sheldon, schreef Sheldon bovendien ‘The Screwfly Solution’ (1976), waarin buitenaardse wezens de agressie in de mannelijke seksuele drift misbruiken, opdat mannen op angstaanjagend natuurlijke wijze de vrouwen uitroeien. Zelden eindigde een verhaal van Tiptree niet in de dood, en vaak was het verbonden met seks. Tussen mannen en vrouwen, en tussen de mens en de ‘anderling’.

De persoonlijke lading van Tiptrees verhalen en columns zouden hem opbreken. Het gebeurde toen Sheldons moeder in 1976 overleed. Iemand legde een column van Tiptree naast recente overlijdensberichten. Het gerucht ontstond dat Tiptree Jr. Alice Sheldon heette en in McLean, Virginia woonde.

De ontmaskering sloeg in het kleine sf-wereldje in als een bom. Hoe kon een vrouw zo goed uit de voeten met de mechanische kanten van sf? Sheldon had alle rolpatronen getart en daarmee de ‘feministische zaak’ misschien wel beter bepleit dan een militante collega als Joanna Russ dat kon.

Voor Sheldon zelf was de ontdekking het begin van een nachtmerrie. Ze begon spoken te zien: dacht dat haar nieuwe werk kritischer werd bekeken omdat ze ‘maar een vrouw was’. Terwijl dat werk juist zwakker werd, omdat ze de ‘stem’ van Tiptree kwijt was geraakt. Ze zag zichzelf als een lege huls, een mislukt mens, een flauwe versie van de man die ze op papier kon zijn. En ze werd ouder – onvergeeflijk en ondraaglijk ouder. Het leidde tot een gewelddadige ontknoping. Op 18 mei 1986 schoot Sheldon eerst haar echtgenoot dood, en toen zichzelf. Aangezien zelfmoord altijd in haar gedachten was geweest, had ze lang voor het leven gekozen. Nu koos ze de dood, die in haar verhalen zo prominent aanwezig was.

Sheldons leven was als een reeks supernova’s. Phillips heeft het met compassie en begrip te boek gesteld. De biografe maakt het feministisch debat tastbaar en geeft ons een inkijkje in uitlopende werelden: die van avonturiers die de nog onontgonnen Aarde tot hun speeltuin hadden gemaakt, het vrouwencorps van de Tweede Wereldoorlog, de subcultuur van de CIA. Maar vooral: de sciencefiction; een warme thuishaven voor ‘aliens’, zoals Alice Sheldon er in diepste wezen een was.

James Tiptree Jr. is een trefzekere analyse van een verscheurde vrouw. Haar zelfhaat, liefde voor en afkeer van vrouwen; de lange schaduw van een moederfiguur, de tegenstrijdige krachten van opgedrongen verwachtingen en zelfvervulling; de heimelijke drang een man te zijn; Sheldon worstelde haar leven lang met ‘zichzelf’. Dat ze uiteindelijk het meest zichzelf kon zijn als de man Tiptree is wrang en veelzeggend. Toch is het dubbelleven van Sheldon niet alleen een duister verhaal. Het viert de bevrijding die ligt in literatuur. Al die lagen geven deze biografie een emotionele punch. Het waanzinnige leven van Sheldon is in zekere zin een cadeau voor een biograaf. Phillips schatte het cadeau op waarde en schreef een fascinerend boek waarvan je alleen maar kunt hopen dat het een veel groter publiek trekt dan de vaste schare sf-liefhebbers.

Julie Phillips: James Tiptree, Jr. The Double Life of Alice B. Sheldon. St. Martin’s Press, 422 blz. € 28,99

Wanneer je in onze tijd fysiek zou willen verhuizen naar de 16e eeuw, is dat –anders dan in de middeleeuwen toen bilocatie nog bestond- onmogelijk. Wellicht zou de tijdmachine van professor Barabas uitkomst kunnen bieden of een advies van Negro Kaballo, het paard met gymnasium uit Erich Kästner’s De 35ste mei. Ook heb ik aan Hendrik Willem van Loon gedacht. In zijn boek Pioniers der Vrijheid, dat ik als jongen las, ontving hij talloze, al lang dode, historische figuren in zijn huis in Veere. Maar uiteindelijk –moest ik helaas vaststellen- restte er maar één manier: die van de geest. Zo ontmoette ik Montaigne eerst door zijn Essais en zo ben ik later met hem in gesprek geraakt.

De bibliotheek van Michel de Montaigne

Mijnheer de Montaigne, het is mij een grote eer om hier, in Uw schitterende bibliotheek, met U van gedachten te mogen wisselen. Mijn eerste vraag gaat, als U het mij toestaat, over hoe U schrijft. Heeft U een methode en zo ja, welke is dat?

Mijnheer! De enige die mijn argumenten in het gelid zet, is het toeval: al naar de gedachten mij invallen, schrijf ik ze op. Ze komen nu eens in zo groten getale dat ze elkaar verdringen, dan weer druppelen ze een voor een binnen. Ik wil laten zien hoe ik gewoonlijk en van nature mijn gang ga, al is dat nog zo onordelijk. Ik geef uiting aan mijn gedachten zoals ze in mij opkomen. Daarbij komt dat de door mij behandelde zaken niet van dien aard zijn dat het onaanvaardbaar is als ik er niets van af weet of er terloops en zonder veel diepgang over praat. Ik zou de dingen best graag beter willen doorgronden, maar voor dit inzicht wil ik niet de prijs betalen die ervoor staat. Ik ben van plan de rest van mijn leven aangenaam door te brengen, zonder zware inspanning. Voor niets ter wereld zou ik mij hoofdbrekens willen bezorgen, zelfs niet voor de wetenschap, hoe waardevol die ook is. Al wat ik verlang van een boek is dat het mij op een gedegen manier bezighoudt en vermaakt; en voorzover ik studeer ben ik er alleen maar op uit de kennis over mijzelf te verdiepen en te leren hoe ik op de juiste wijze moet leven en sterven: Dit is de finish, waar mijn paard in het zweet heen moet.

U schrijft dus associatief, leest U ook zo?

Als ik genoeg heb van het ene boek, neem ik een ander; en ik geef mij er alleen dan aan over als het nietsdoen mij gaat vervelen. Omdat ik de klassieken rijker en spannender vind, houd ik mij nauwelijks met de modernen bezig, maar ook niet met de Grieken, omdat in mijn jeugd mijn kennis van het Grieks te beperkt is gebleven om er vat op te hebben. Tot de eenvoudigweg vermakelijke boeken uit de moderne tijd reken ik Boccaccio’s Decamerone, Rabelais en de Basia van Janus Secundus, als die in deze categorie thuishoren: zij zijn het waard om aandacht aan te besteden. De Amadis en dergelijke geschriften konden mij zelfs in mijn jeugd niet boeien. Het klinkt misschien vermetel of verwaten, maar ik moet bekennen dat mijn oude, logge geest niet langer door Ariosto wordt geprikkeld, en zelfs niet meer door de goede Ovidius: de ongedwongen, vindingrijke stijl waarmee hij mij vroeger in vervulling bracht, kan vandaag de dag nauwelijks meer mijn aandacht vasthouden.

Maar u citeert veel klassieken in Uw werk. Bijvoorbeeld Cicero komt veelvuldig voor.

Cicero! Daar noemt U iemand. Ik vind zijn manier van schrijven , en alle stijlen die er op lijken, vervelend: zijn voorwoorden, verklaringen, planmatige opzetten en idiomatische verhandelingen nemen het grootste deel van zijn werk in beslag. Het levendige en kernachtige wordt verstikt onder zijn ellenlange gekunstelde zinnen. Als ik, na hem één uur te hebben gelezen, wat voor mijn doen lang is, naga wat mij er werkelijk van bijblijft, blijkt meestal dat het niets dan wind is, en dan is hij nog steeds niet toegekomen aan de argumenten waarop zijn betoog steunt, of aan de kern van de zaak waarop ik gespitst ben. Omdat ik alleen maar wijzer wil worden, en niet knapper of welsprekender zijn die staaltjes van aristotelische redeneerkunst niet aan mij besteed; ik wil dat een auteur met de hoofdzaak begint; wat dood en wellust is, weet ik best, die begrippen hoeft hij niet uitgebreid te ontleden. Ik verlang naar betogen die meteen insnijden op de kern van het probleem, maar de zijne draaien om de hete brij heen. Ik wil niet dat iemand mij er met mijn haren bijsleept en wel vijftig keer als een heraut tegen mij roept: ‘Luister goed!’ Bij hun godsdienstoefeningen zeiden de Romeinen: Hoc age (let op), zoals wij in de mis Sursum corda (verhef Uw hart) zeggen. Voor mij zijn het louter overbodige woorden. In het algemeen verlang ik naar boeken die kennis toepassen, niet naar boeken die kennis opkloppen. Seneca, Plutarchus, Plinius en hun gelijken gebruiken geen Hoc age; die willen lezers hebben die uit zichzelf al op hun qui-vive zijn.

U vindt Cicero dus eigenlijk een beetje een zeur.

Tja. Over Cicero deel ik de gangbare mening dat hij behalve zijn kennis niet veel voortreffelijke eigenschappen bezat: hij was een brave burger, goedaardig, zoals de meeste dikke en uitbundige mensen; maar eerlijk gezegd wel een grote slapjanus en een ambitieuze ijdeltuit. En ik kan hem maar moeilijk vergeven dat hij zijn poëzie goed genoeg vond om gepubliceerd te worden. Dat iemand slechte verzen schrijft is nog tot daaraan toe, maar dat hij niet heeft beseft dat ze een smet wierpen op zijn roemrijke naam, getuigt van gebrek aan inzicht. Maar zijn welsprekendheid is beslist weergaloos. Volgens mij zal niemand hem daarin ooit evenaren.

Dank voor Uw antwoorden. De toekomstige lezer heeft zo zeker een beeld gekregen van hoe U schrijft en leest. Nu wil ik U nog een vraag stellen op ander gebied, namelijk over Uw opvattingen over de dood. U hebt daarover, ondermeer, geschreven dat ‘filosoferen leren is hoe te sterven’. Kunt U mij dat uitleggen?

Het spijt me, maar ik moet het dan toch nog even over Cicero hebben. Cicero zegt dat filosoferen niets anders is dan je voorbereiden op de dood. Dit is zo, omdat studie en beschouwing onze geest min of meer van onszelf verwijderen en hem bezighouden buiten ons lichaam, een toestand die lijkt op de dood en daar in zekere zin een les in is; of omdat alle wijsheid en menselijke redenatie uiteindelijk hier op neerkomen dat zij ons leren niet bang te zijn om dood te gaan. De dood is onvermijdelijk. Maar, als wij er bang voor zijn, is hij een gestage bron van lijden, waarvoor geen enkele verlichting bestaat. Er is geen plaats waar hij niet bij ons kan komen; al kijken wij voortdurend naar alle kanten om ons heen, als in een vijandig gebied: altijd hangt hij ons boven het hoofd, als Tantalus’ rotsblok.

De eindbestemming van ons leven is dus de dood, dat moeten wij dan ook in de gaten houden. Want, hoe kunnen wij, als de dood ons afschrikt, ook maar één stap voorwaarts doen zonder dat het zweet ons uitbreekt? Geen mens is zo afgeleefd of hij zal, zo lang hij nog niet zo oud is als Methusalem, denken dat hij nog wel twintig jaar mee kan.

Horatius schrijft: ‘Denk bij elke dag die aanbreekt dat het je laatste is. Dan kan je blij zijn met alle onverhoopte uren’.

Ja, dat is ook zo. We weten niet waar de dood ons opwacht, laten we hem dus overal verwachten. Je instellen op de dood is je instellen op de vrijheid. Als je geleerd hebt hoe je sterven moet, heb je afgeleerd slaaf te zijn. Als je op de dood bent voorbereid, ben je los van alle onderworpenheid en dwang.