241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Ine Poppe publiceert over digitale cultuur, technologie, kunst en wetenschap, voornamelijk voor het NRC Handelsblad. Zij geeft de master course Critical Art Writing (Amsterdam). Daarnaast geeft ze les op de afdeling Audio Visual op de Willem de Kooning Academie in Rotterdam. Haar kunstprojecten Mother Milk Cheese (1984) en Women with Beards (1997) zijn wereldwijd getoond. Poppe heeft meerdere documentaires gemaakt voor de Nederlandse televisie. Hippies from Hell, over Nederlandse hackers, was getoond op Europese en Amerikaanse festivals, musea en universiteiten. Het was een van de eerste Nederlandse online documentaires, onder vergunning met Lawrence Lessig bij Creative Commons. Poppe heeft ook scripts geschreven voor meerdere computerspellen.

pagina uit Folk Archive
Snowdrop the Mechanical Elephant by the Clare Family, Egremont, Cumbria, 2004.
pagina uit Folk Archive

Het boek Folk Archive gemaakt door kunstenaars Jeremy Deller (1966) en Alan Kane (1961) is een feest om door te bladeren. Het plezier van het maken spat er van af. Het boek is de weerslag van een tentoonstelling over volkskunst, die de liefde van de kunstenaars voor dit fenomeen toont. Zeven jaar verzamelden ze van alles over 'Britse creativiteit'. Op de website van de BBC staat een drietal filmpjes waarin Jeremy Deller, een aantrekkelijke jonge man met lang haar, Turnerprize winnaar 2005, door de expositieruimte loopt en enthousiast vertelt: 'Er zijn tweehonderdvijftig kunstwerken op deze show, allemaal heel verschillend van aard.' Hij laat een tekening zien van een gevangene, enveloppen voor ziektebriefjes die dagelijks worden volgekrabbeld door een bewaker die in zijn vrije tijd ook tatoeëert, maar ook handbeschilderde eieren waarop heel realistische portretten van Clowns zijn geschilderd (clowns kennen de traditie om 'het masker' te willen bewaren).

Exhibition view, Palais de Tokyo, Paris, 2008.
Deller en Kane verzamelden naar eigen believen en plezier van alles over het brede onderwerp 'hedendaagse populaire kunst'. Ze maakten foto’s en video's of kregen die van anderen en vonden historisch materiaal over feesten die al eeuwen gevierd worden, zoals de Wereld gekke-bekken-trekken kampioenschappen' en een onderdeel van Egremont Crab Fair, een kermis in Cumbria die een week duurt en in 1387 plaatsvond, compleet met pijp rook wedstrijd, groente-show en appel-uitdeelparade. Ook verzamelden ze objecten die ze tentoonstelden, zoals fraai geborduurde onderbroeken die op sommige volksfeesten bij worstelwedstrijden gebruikt worden. Het laatste retrospectief over Britse volkskunst vond plaats in Whitechapel, dus een meer moderner perspectief was welkom.
Tom Harrington, Cumberland and Westmoreland Wrestling Champion, Egremont, Cumbria, 1999.

De tentoonstelling Folk Archive reisde een jaar lang langs musea. Gelukkig is er ook het prachtige boek dat bestaat uit een bonte verzameling kleuren foto's afgewisseld met teksten, posters en screenshots. Elke keer als je er in bladert valt je iets nieuws op: zo loopt er een reuze beer van stro door een dorpsstraat, een eeuwenoude gewoonte van Cambridgeshire waar op het dorpsplein voor deze 'beer' moest worden gedanst en hem honing werd gegeven. In Blackpoool kleden jonge meisjes zich als oude vrouwtjes op een feest uit een vergeten traditie. Het boek is onderverdeeld in verschillende categorieën, zoals performance (hier zien we de gekke-bekken-trekken kampioenschap) maar ook politiek, liefde en dood, dieren. Zo zien we bijvoorbeeld prachtig beschilderde borden en spandoeken door Ed Hall waarmee vakbondslieden rondliepen tijdens demonstraties.

Op de kaft begint het voorwoord. Deller en Kane vertellen daarin over hun werkwijze: ‘een persoonlijke selectie van beelden en verhalen die ons opwonden of amuseerden'. Ze zetten zich af tegen de term 'outsider art' 9in de kunstwereld waarin zij verkeren is die term nogal aanmatigend); deze kunstenaars verplaatsen hun keuze , hun archief van de ene context naar de andere, van de straat naar het museum. Deller en Kane leggen uit dat ze zochten naar humor, moderniteit, een uniek perspectief, verfrissende directheid en nog veel meer. 'We' betreden het pad tussen kunst en antropologie. Als artiesten ondernemen we een optimistische reis van persoonlijke ontdekkingen (meestal erg dicht bij huis0. Als antropologen hopen we iets te beschrijven en te bekijken dat de moeite meer dan waard is. Voor hen die geïnteresseerd zijn in een antropologische benadering, moeten we onze excuses aanbieden voor de veel te vaak misbruikte term 'archief' en een artistieke nonchalance ,et betrekking tot details. (de term archief wordt de laatste jaren te pas en te onpas gebruikt door kunstenaars, het is een mode term, soms duikt de term archief op voor een schamele verzameling. Archief klinkt blijkbaar interessant) aan allen die te maken hebben met volks- of streekgebonden culturele scenes, moeten we eveneens verontschuldigingen aanbieden voor de goedkope term 'volk' en het plunderen van hele werelden'.' Folk Archive is een verrassende reis door een onbekend Engeland.

Folk Archive, Contemporary Popular art from the UK by Jeremy Deller and Alan Kane (2005)

Pizza Rut, Blackpool, Lancashire.
Optocht van beesten
Tar Barrel Rolling, Ottery St Mary, Devon, 2004 © Jessica Mallock.
Speaker Stack, Notting Hill Carnival, London, 2003.

De jacht is een symbool van het verlangen naar de Ware, The One. De jager eigent zich de macht toe om lief te hebben, totale vreugde te beleven aan het ritueel. Maar al is het spel nog zo fraai en verleidelijk; de jacht is tragisch. Sandor Marai ziet zijn vrouw als prooi, Petrarca beschouwt de liefde als een gif dat lekker smaakt en ook bij Leonardo Da Vinci zijn genot en smart met elkaar verbonden. Waar ook op gejaagd wordt en wat er ook verleid wordt, altijd heerst ambivalentie.

Een echte jager heeft een geweer. Geen pistool, maar een groot lang voorwerp waarmee gedood wordt: een konijn, een hert, een haas. Een jager is een moordenaar. De jacht roept beelden op van honden in roedels, jagerskledij, de lucht van bos en natte bladeren. Een druppel aan zijn neus.

Daar dacht ik aan toen ik een wit dildo-achtig object bekeek, met een schattig gewei op de top dat herinnert aan twijgjes. Het witte langwerpige beeldje heeft een naad die overdwars loopt, waardoor het ook lijkt op speelgoed: ooit was ik in het bezit van een plastic pop met een overdwarse naad. Het wit maakt het beeld onschuldig, de vorm doet denken aan een vrouwenlichaam met een Bami-achtig hoofd. Het kunstwerk heet Deer squirrel (Hert eekhoorn) en is gemaakt door de New Yorkse kunstenaar Robert Beck (1959). Op internet staat een afbeelding van een ander kunstwerk van Beck, materiaal: gunpowder on paper. Een wit vel met buskruit, zwart poeder in een cirkel alsof er geschoten is. Bambi, het opgejaagde hert, geschoten door de jager.

In het boek Kentering van een Huwelijk van de Hongaarse schrijver Sandor Marai staat een prachtige scene waarin de ik-figuur de vrouw besluipt die hij begeert. Hij nadert haar als een prooi en denkt er later aan terug om zijn beweegredenen af te tasten: ‘Het is heel goed mogelijk dat ik toen nog diep, heel diep in mijn hart hoopte dat er ergens ter wereld een lichaam was dat volledig met het mijne zou harmoniëren en dat ik met behulp daarvan de dorst van het verlangen en de verzadiging van de bevrediging tot een milde rust zou kunnen transformeren – overeenkomstig de droom die de mensen ‘geluk’ noemen. De fout van deze gedachte was dat geluk niet bestaat, maar dat wist ik in die tijd nog niet.’

Eigenlijk komt het erop neer dat de hoofdpersoon ‘geluk’ najaagt en of geluk nu wel of niet bestaat, duidelijk is dat het een tijdelijke toestand is en geen blijvende constante. Geluk is net als het leven, het gaat voorbij. Liefde in al zijn vormen eist juist het omgekeerde: iets eeuwigs, voor altijd, als het zachte gebrom van een personal computer die aanstaat als je er een stukje op tikt. Oftewel: zolang je ademt, heb je de plicht lief te hebben. Vandaar dat liefde, de verleiding, altijd gepaard gaat met doodsverlangen, een gefixeerde stilstand van een ogenblik met de wens zichzelf op te heffen en te versmelten. De jacht –vanzelfsprekend gekoppeld aan moord –is een symbool van dit verlangen naar de Ware, The One. Het gejaagde object is in zekere zin altijd onschuldig en de jager eigent zich te macht toe om lief te hebben, totale vreugde te beleven aan het ritueel: het geweer aanleggen, de stilte in het bos, sluipen langs ritselende bladeren, een prachtig raak slot. Tenslotte blijft er steeds een lijk achter tot de volgende jacht. De verleiding, de ware verleiding gaat beslist hand in hand met spel en flirt, waarin de onschuld allang is afgelegd en men geen hert meer is maar misschien een eekhoorn, die vrolijk op en neer springt, uitdagend van tak naar tak. Of zoals in New York, de stad waar Beck vandaan komt, als een rat de vuilnisbakken afschuimt om wat te eten te vinden—‘ ratten met staarten’ is aldaar de bijnaam voor eekhoorns.

Ach, die zoete verleiding, het heerlijk spel van de flirt. De Franse schilder Jean-Honoré Fragonard (1732-1806) maakte vele schilderijen van vrouwen in kanten jurken die bepruikte mannen versieren. Een ervan behelst een vrouw op een schommel, onder haar ligt een jongeman die onder haar onderrok kan kijken doordat zij haar been opheft en haar linker muiltje naar hem toewerpt. De afbeeldingen van deze Franse rococoschilder die ten tijde van Louis XIV, de zonnekoning, leefde, zijn voor ons nu kitscherige plaatjes. Hij moest zijn schilderscarrière door de Franse revolutie beëindigen, vervulde zijn laatste levensjaren administratieve functies en stierf tenslotte onbekend. In zijn liefdesleven heb ik mij niet verdiept maar uit zijn schilderijen blijkt dat verboden, geheime genoegens aantrekkelijk zijn. Ook het ritueel van de jacht heeft iets verbodens, want in de stilte—in het geheim—wordt de prooi beslopen door de jager om niet betrapt te worden: de buit zou immers kunnen ontsnappen. Al is het spel nog zo fraai en verleidelijk, toch is de jacht tragisch. Het doden is kil, soms weerzinwekkend, soms noodzakelijk. Altijd draait het om het schot. Raak of niet?

Fragonards De Schommel

De beroemde filosoof Petrarca (1303-1374) schreef over de liefde: ‘In weerwil tot mijzelf heb ik lief, gedwongen door het lot met droefheid en tranen.” Hij voegde er aan toe dat de liefde ‘een hel is waarvan de dwazen hun paradijs maken’, een ‘gif dat lekker smaakt’, ‘een aantrekkelijke foltering’ en ‘een dood die het uiterlijk van het leven heeft’. Oftewel: genot en smart zijn onherroepelijk met elkaar verbonden, als een Siamese tweeling.

Petrarca (1304-1374)

Leonardo da Vinci maakte een allegorische tekening waarop twee mannen staan afgebeeld die romp en benen delen. Zij stellen Smart en Genot voor. De ene man is oud en draagt een twijgje van een eik, de ander is jong en heeft riet in zijn hand, laat enkele goudstukken achteloos vallen. Da Vinci gaf het volgende commentaar: ‘Zij zijn afgebeeld met hun rug tegen elkaar omdat ze elkaars tegendeel zijn, maar ontspruiten uit dezelfde romp, omdat zij beiden een zelfde oorsprong hebben. (…) Het genot is afgebeeld met in zijn rechterhand een riet, onbeduidend en zwak, dat venijnige wonden kan veroorzaken.’

Da Vinci's tekening

Genot najagen of de liefde verheffen in de geest door droombeelden na te jagen, daar gaat het Da Vinci om. Het laatste is groter, intenser dan het lichamelijk genot; de droom van de Ware is immers gekoppeld aan wensen en fantasieën die uiteindelijk eindigen in smart. Het dodelijke schot van de jager is niet verlossend, maar de brenger van pijn. Waar ook op gejaagd wordt (een man, een vrouw, een hert) wat dan ook verleid wordt (een meisje, een jongeling, een oudere) altijd heerst ambivalentie, zoals het zitten om een schommel angst (ik ga te hoog, straks val ik nog) en vreugde (ik vlieg) doet afwisselen. Op en neer, van de hemel naar de aarde – au, wat een verlangen.

Via sites als Amazon en Google Image Labeler verdienen honderden goedkope arbeidskrachten een centje bij. Mechanische Turken worden deze internetwerkers genoemd. Ook beeldend kunstenaars maken van hun diensten gebruik.

‘Wat doe jij voor de kost?”
"Ik ben een Mechanische Turk.”

Dat klinkt absurd maar is het niet. Wereldwijd zijn er miljoenen zogeheten MTurken uit tientallen landen actief: mensen met een computer en een internetverbinding die al klikkend en tikkend wat centen verdienen. Er komen dagelijks nieuwe digitale internationale arbeiders bij, in Afrika zelfs per mobiele telefoon. Inmiddels hebben ook beeldend kunstenaars de voordelen van deze goedkope werkkrachten ontdekt: op internet verschijnen nu de eerste kunstprojecten waarvoor Mechanische Turken zijn ingezet.

Via internet arbeid organiseren is een interessant gegeven. Landsgrenzen worden met gemak overschreden, en een sofinummer is niet noodzakelijk – het enige wat je nodig hebt is een bankrekening. We kennen al de beelden van Aziatische jongeren die urenlang zitten te gamen voor mensen in het rijke Westen, maar er zijn meer vormen van online werken op afstand.

De Mechanische Turk deed in november 2005 zijn intrede bij Amazon en is gestoeld op het idee dat we allemaal onderdeel zijn van een grote machine. Voor bedragen van een paar centen tot meerdere dollars zijn er op internet taken te verkrijgen, zogenaamde HITs (Human Intelligence Tasks) die verschillen in moeilijkheidsgraad. Zo kun je bijvoorbeeld steekwoorden bij foto’s of video’s aankruisen, plaatjes op kleur rangschikken, vakantierecensies voor websites schrijven of links over UFO’s verzamelen – dat laatste levert 15 dollarcent per link op. Omdat de bedragen zo luttel zijn, wordt Amazons Mechanische Turk-site ook wel spottend ‘de virtuele sweatshop’ genoemd. Toch verdienen velen er hun maandinkomen, en anderen wat zakgeld.

De term Mechanische Turk is afkomstig van een legendarische schaakcomputer uit 1770, die de Hongaarse uitvinder Wolfgang von Kempelen maakte op verzoek van keizerin Maria Theresia. Op oude etsen is te zien hoe een pop met een tulband, de Turk, achter een kast zat waarop een schaakbord was bevestigd. Toeschouwers dachten dat de ruimte eronder leeg was en dat de pop het schaakbord bestuurde. In werkelijkheid zat er gewoon een mannetje in verstopt dat goed kon schaken. Via een uitgekookt systeem kon hij de stukken zien en met de arm van de pop verzetten. Het apparaat, destijds een mechanisch wonder, reisde als een exotische ker- misattractie langs de vorstenhoven. Edgar Allen Poe deed in 1836 een poging om de wer- king van de Turk te beschrijven, om zo aan te tonen dat er wel een schaker van vlees en bloed in moest zitten. Zijn essay Maelzel’s Chess Player wordt nog altijd gezien als de eerste ‘whodunit’: wie belazerde de boel en hoe?

In onze tijd heeft een omkering plaatsgevonden: creëerden mensen eerst voornamelijk machines die het leven vergemakkelijkten, nu hebben machines mensen nodig om taken goed uit te voeren. Een goed voorbeeld van deze omkering zijn captcha’s, een soort kleine puzzeltjes die alleen door een mens kunnen worden ingevuld. Iedereen die wel eens internet gebruikt, stuit vroeg of laat op een captcha: bijvoorbeeld in de vorm van verwrongen cijfers of letters die je moet natypen als je op Facebook een handeling verricht. De computer weet dat correcte interpretatie van deze gegevens door een mens moeten zijn ingevoerd, een machine kan de vervorming immers niet interpreteren. Dit principe wordt gebruikt om te zorgen dat reacties per mail of op blogs niet door machines worden gegenereerd; dit alles om onzin, reclame en andersoortige spam te voorkomen.

Het invullen van captcha’s kan ook anders gebruikt worden. Op dit moment worden door onder meer Google Book Search duizen- den boeken ingescand. Tijdens dat scanproces gaat er geregeld iets mis en worden letters per ongeluk vervormd. Een machine kan dat niet zien of corrigeren, maar wij wel. Zo kun je elke keer als je een captcha invult, een klein beetje meehelpen om een vervormde inge- scande tekst leesbaar te maken.

Een ander voorbeeld van het intelligent inzetten van gezamenlijke arbeid is Google Image Labeler, een online-spel waarbij men- sen plaatjes van ‘tags’ (steekwoorden) voorzien. Een speler ziet een plaatje, bijvoor- beeld van een rode auto in een bos. Hij wordt via een database willekeurig gekoppeld aan een anonieme tegenspeler, en als beiden de- zelfde tags invullen, kun je samen punten verdienen. Als je allebei: ‘auto’, ‘rood’ en ‘bos’ hebt ingevuld, kun je door naar het vol- gende plaatje. Doordat heel veel mensen zo beelden van steekwoorden voorzien, kunnen wij via een zoekmachine makkelijk plaatjes vinden.

Op internet kom je de eigenaardigste vormen van werk tegen. Zo is er bijvoorbeeld het internetproject Payday (alleen voor Amerikanen) waar je 1000 dollar kunt verdienen door 10 mensen een creditcard aan te smeren. Om- dat je je vrienden niet wilt lastigvallen, bied je via een forum 50 dollar voor wie zich aanmeldt voor een nieuwe kaart; dat kost je dus 10 keer 50 dollar – zelf heb je dan 500 dollar verdiend. Payday krijgt van de creditcardmaatschappij 1650 dollar voor elf nieuwe creditcardgebruikers, reclamegeld dat vroeger naar de ‘oude’ media ging.

De Amerikaanse kunstenaar Aaron Koblin maakt kunst met virtuele arbeiders. In 2006 vroeg hij Mechanische Turken om tienduizend handgetekende schapen. Hij bood 2 dollar cent per tekening – het kunstwerk kostte hem dus 200 dollar, de schapen verzamelde hij over een periode van veertig dagen, mensen deden er gemiddeld 105 seconden over, dat betekent dat het arbeidersloon gemiddeld uitkomt op 0,69 dollarcent per uur. Op Koblins website kun je een selectie zien van al deze krabbels, die samen het kunstwerk The Sheep Market vormen. Tegen een witte achtergrond staan duizenden schapen in zwarte lijnen, die allemaal naar links kijken. Sommige schapen zijn heel trefzeker neergezet, anderen juist weer heel knullig getekend.

Een vergelijkbaar kunstwerk, dat Koblin samen met Takashi Kawashima maakte, is Ten Thousand Cents. Voor dit project deelden de kunstenaars een biljet van honderd dollar op in duizend stukjes en vroegen aan Mechanische Turken – die niet wisten wat ze voor zich hadden – een stukje na te tekenen met een tekenprogrammaatje. Online zie je al die duizenden puzzelstukjes samengeplakt in een nieuw biljet (te koop voor $100). Als je op een van die stukjes klikt, zie je in een soort filmpje het voorbeeld en hoe het is nagetekend. Je kunt goed zien wie zijn best heeft gedaan, en wie het erbij heeft laten zitten: die stukjes zijn niet precies. Voor Daisy Bell, Koblins meest recente project met Mechanische Turken, krijgt de kunstenaar volgende week een prijs op het mediafestival Transmediale in Berlijn. Uitgangspunt voor dit kunstwerk is het muziekstuk Daisy Bell uit 1892, dat in de jaren zestig een van de eerste nummers was die met synthetische stemmen werden opgenomen. Ook werd het lied gebruikt in de slotscène van de film 2001, A Space Odyssey, waarin computer HAL zingt.

Koblin gaf iedere individuele internetwerker de opdracht een toon te beluisteren, die vervolgens moest worden nagezongen (6 dollarcent per toon). Daarna smolt hij al deze tonen weer samen tot een muziekstuk. Als je Daisy Bell online bekijkt, zie je een grafische weergave: er trekt een schuif over de notenbalk en je hoort 2088 verschillende stemmen die samen, zonder het te weten, een lied ten gehore brengen – een overweldigende kakofonie. Maar hoe mooi het resultaat ook is, Koblin zegt met zijn werk vooral kritiek te willen leveren op het gebruik van de MTurken. Meestal moeten zij simpele en repetitieve taken uitvoeren. Het werk wordt op contractbasis gedaan en de aanbieders hoeven geen belasting af te dragen, zo worden wetten omzeild rond minimumloon en overwerk. Maar de arbeiders moeten wel hun werk opgeven aan de belastingdienst en het is onmogelijk om je te verenigen in een vakbond. In het geval van Koblins schapen behoort het kunstwerk Koblin toe en niet de tekenaars die voor twee dollarcent per tekening afzagen van hun copyright.

Blogger Andy Baio liet zich door Koblin inspireren en wilde weten wie er nou toch achter de MTurken schuilgaan. Hij vroeg of mensen, voor vijf cent, hun gezicht wilden laten zien. Dat bleek te weinig; slechts twee mensen meldden zich binnen 24 uur aan. Vijftig dollarcent bleek uiteindelijk, na wat geëxperimenteer, het minimum. De opdracht luidde: maak een portretfoto van jezelf voor de webcam en hou een handgeschreven bordje op met waarom je ‘turkt’. "I turk for..." Het resultaat is te zien in een collage op zijn blog: dertig portretten, van tien vrouwen en twintig mannen, tussen de 20 en 30 jaar oud, van uiteenlopende etnische afkomst. 21 van hen turken voor het geld; 9 uit verveling of voor de lol.

Ook in Nederland zijn er kunstenaars die met de Mechanische Turk experimenteren. Kunstenaar Jonathan Puckey (29) werd met vormgeefster Luna Maurer gevraagd om voor Museum De Lakenhal het jaarverslag van 2007 vorm te geven. Ze besloten het jaarverslag door MTurken in het Engels te laten vertalen, in gesproken taal. De meesten waren het Nederlands niet machtig en zeiden wat ze dachten dat er ongeveer stond. Op de website kun je het jaarverslag zien en de interpretaties in het Engels horen. Het is een grappig en ook eigenaardig experiment. Een voorbeeldje van een jaarverslagzin: „Deze omslag in denken gaat niet gepaard bij de gratie Gods”, waarop een stem met Zuid-Amerikaans dialect zegt: „The others in death, to him gave nothing by the grace of God.” Puckey werkt ook mee aan de videoclip van de Utrechtse muzikanten C-Mon & Kypski, waarvoor gebruik gemaakt wordt van Mechanische Turken. Voor het nummer More Is Less maakt videokunstenaar Roel Wouters een clip waarin de fans mee kunnen spelen. Aan het publiek wordt gevraagd een pose na te doen die een van de bandleden in de clip aanneemt. Je krijgt één frame uit de clip geselecteerd die je zo goed mogelijk na moet doen, daarvan maak je een foto met je webcam en die plaats je op de site. De website is heel gebruikersvriendelijk, duizenden mensen hebben de moeite genomen hun beeltenis te uploaden. Al deze foto’s worden, na selectie doorMTurken, door de computer op de juiste plek gezet. Zo ontstaat een filmpje met in elk frame iemand anders. Langzaam groeit een videoclip waarin de muzikanten zich gespiegeld zien in hun fans. In totaal zijn er in de clip zo’n 1400 frames beschikbaar. De foto’s rouleren, de clip ververst zichzelf, zo heeft iedereen zijn eigen ‘frame of fame’, zoals het project ook heet. Degenen die beoordelen of mensen wel de juiste houding hebben aangenomen en de beeldkwaliteit goed genoeg is, zijn ingehuurde Mechanische Turken.

De invloed van virtuele arbeid is nog jong, maar de ontwikkeling heeft nu al onoverzienbare consequenties. Wie had ooit gedacht dat Mechanische Turken zouden worden ingezet om vermiste personen op te sporen? Vrienden van de Amerikaanse miljonair Steve Fossett kwamen in 2007 op het idee om, via Google Earth, satellietfoto’s van Nevada door MTurken te laten beoordelen. Wie weet zagen ze brokstukken van zijn verdwenen vliegtuig. Ook voor de computerwetenschapper Jim Gray, die vermist raakte met zijn zeilboot, werden MTurken ingezet. De werkers kregen voor het bekijken van een reeks satellietfoto’s rond de 25 dollarcent. Aaron Koblin maakt gebruik van ‘de macht van het getal’ met kunstwerken als The Sheep Market of het muziekstuk Daisy Bell. Bij de videoclip One-frame- of-fame is de uitkomstminder voorspelbaar. Toen het project van start ging was het de vraag wat er zou gebeuren. Er deden afgelopen maandag, de 25ste, 10217 mensen aan mee. Voor de makers waren de populariteit en de creatieve invulling een verrassing. In die onvoorspelbaarheid ligt de potentie voor de kunst, of die nu gemaakt wordt met MTurken, fans of gamers.

Internetencyclopedie Wikipedia behoort tot de zes best bezochte websites in Nederland. Vreemd genoeg is deze kennisbron geheel gevuld door vrijwilligers, die er dus niet voor betaald krijgen en in hun vrije tijd lemma’s schrijven. Curieus dat het überhaupt werkt. De Nederlandse Wikipedia bestond in juni 2012 vijftien jaar.

Vrijwel dagelijks gebruik ik Wikipedia en vergelijk regelmatig gelijksoortige lemma’s in verschillende talen. Leuk en leerzaam, al schrijf ik zelf geen lemma’s. Jammer misschien, want de beste manier om de encyclopedie te verbeteren is door er actief aan bij te dragen. Dat is het belangrijkste principe van Wikipedia: twee weten meer dan één.

Momenteel wordt de Nederlandse Wikipedia voornamelijk gevuld door hoog opgeleide mannen van rond de dertig. Vrouwen en mensen boven de veertig brengen nauwelijks wat in. De Nederlandstalige online encyclopedie bevat momenteel meer dan 600.000 artikelen. De Engelstalige versie is het grootst met ruim 3.100.000 artikelen.

Kunstenaars mopperen vaak over de lemma’s die over hen in Wikipedia staan en waarvan de feiten niet kloppen. Dat valt zo te verhelpen, ze kunnen een opmerking plaatsen op de overlegpagina van het artikel, met een verwijzing naar de juiste bronnen. Bekende Nederlanders die met rechtszaken dreigen, trekken vrijwel altijd bij als ze horen hoe makkelijk de lemma’s gecorrigeerd kunnen worden. Een enkele keer valt informatie niet te beschermen. Een actrice die bijvoorbeeld niet met haar meisjesnaam in de encyclopedie wilde, kon hier niets tegen ondernemen omdat die op talloze andere plekken online te vinden is. De informatie werd dus niet geschrapt.

Toch baart de manier waarop Wikipedia functioneert critici zorgen. En dan gaat het vooral om de neutraliteit en betrouwbaarheid van de lemma’s. Welk controlerend mechanisme bewaakt Wikipedia als in principe iedereen ‘van goede wil’ mee mag doen? Maar de feiten logenstraffen deze argwaan. Uit een onderzoek door het wetenschappelijke tijdschrift Nature uit 2005 bleek dat de Encyclopedia Britannica maar een heel klein beetje beter is dan de Engelstalige Wikipedia. En afgelopen vijf jaar is de Wikipedia zo gegroeid en verbeterd dat het de vraag is wie nu de beste zou zijn.

In maart werd in de Openbare Bibliotheek in Amsterdam een Wikipedia Conferentie gehouden, ‘Critical Point of View’, waar kritisch gekeken werd naar de problemen van Wikipedia. In deze twee dagen werden internationale Wikipediaversies tegen het licht gehouden en hun voor- en nadelen uitvoerig besproken. De Nederlandse Wikipedia heeft een pagina waarin de nadelen punt voor punt worden opgenoemd. Zoals: ‘de meerderheid heeft niet altijd gelijk’ en ‘mallotige en moedwillige verkeerde bijdragen worden snel serieus genomen’. Wikipedia kan geen garantie geven voor de juistheid en kwaliteit van de informatie. Men geeft ook toe dat vanwege het open karakter van het project, vandalisme hier en daar een probleem is.

De Amerikaanse conceptuele kunstenaars Scott Kildall en Nathaniel Stern experimenteerden zoals velen voor hen met de encyclopedie. Zij creëerden Wikipedia Art, een artikel gemaakt als kunstwerk/performance dat iedereen kon bewerken. Maar aangezien het een conventionele pagina betrof in de Engelstalige Wikipedia, werd deze snel verwijderd. Het argument van de kunstenaars om de entry te behouden was dat dit ‘kunstwerk’ terug te vinden was in geloofwaardige bronnen: interviews, blogs, in teksten van media-instituten. Het argument om het te verwijderen was dat het om informatie ging die niet in een encyclopedie thuishoort. De actie lijkt een vergeefse poging om de encyclopedie als ‘kunstplatform’ te gebruiken. Op de website wikipediaart.org is het debat rond dit project terug te lezen.

Een ander wikikunstproject, opgestart door Wikimedia Nederland, is de fotowedstrijd Wiki Loves Art/NL. Vorig jaar juni mochten de bezoekers die meededen aan deze wedstrijd foto’s maken van kunstwerken in verschillende musea – wat normaal gesproken meestal niet mag. Ongeveer 5000 foto’s werden ge-upload naar fotowebsite Flickr, en ter beschikking gesteld van Wikipedia onder een creative commons licentie. Onder de winnende foto's was een foto van een Gispenlamp; verfstreken op het schilderij van Isaac Israëls en een vakantiehuisje van Rietveld. Bladerend door de website met amateurfoto's valt op hoe verschillend hetzelfde werk eruit kan zien door een andere lichtval, of eenvoudigweg door een vreemde fotohoek te kiezen. Dat viel grafisch vormgever Hendrik-Jan Grievink ook op. Hij ontwierp eerder het memoryspel Fake for Real, waarbij twee dezelfde kaartjes net iets verschillen: de afbeelding op de een is 'echt' en op de andere 'nep'. Bijvoorbeeld een foto van een echte clownvis tegenover een plaatje van Little Nemo uit de animatiefilm van Disney.Grievink is momenteel druk bezig met een kunstboek Wiki Loves Art, en zoekt naar de verschillende invalshoek van de amateur: schilderijen zijn gefotografeerd zonder frame, heel pixelig of juist extreem scherp. Door het spelen met de vele foto's uit de amateurcolllectie wil Grievink zowel een verslag maken als beelden 're-mixen'.

Afgelopen jaar doneerde het Koninklijk Instituut voor de Tropen beeldmateriaal van onze voormalige koloniën Suriname en Indonesië, deze foto's werden digitaal 'gerestaureerd' door vrijwilligers (zo bewerkt dat de afbeelding duidelijker werd). Het Tropenmuseum verspreidt informatie via de online encyclopedie over de Surinaamse Marrons, afstammelingen van Afrikanen die door slavenhandelaars onder dwang naar Suriname zijn gehaald. Ook worden bijschriften voor de Indonesische Wikipedia door vrijwilligers in het Bahasa Indonesia vertaald. Instituten als het Tropenmuseum hebben baat bij het archiveren van foto’s door Wikipedia. Het materiaal wordt fanatiek gebruikt en door vrijwilligers verbeterd en voorzien van secundaire informatie (metadata). Dit betekent niet alleen dat meer mensen van de collecties kunnen profiteren, het houdt ook in dat de collecties zelf aan betekenis winnen.

Natuurlijk zetten musea en archieven hun collectie op hun eigen website, maar de mankracht en de kritische massa om informatie te verbeteren hebben ze niet en een collectie digitaliseren maakt die niet per se zichtbaar. Het brede publiek bereik je er niet mee, door samen te werken met Wikimedia/pedia ben je makkelijker vindbaar in zoekmachines en bereik je een andere doelgroep. Daarnaast blijft een encyclopedie natuurlijk een encyclopedie, het is geen online museum of archief.

Voor veel musea is de gedachte geen controle meer te hebben over de collectie, door beeldmateriaal onder een vrije licentie te doneren, een denkomslag. Natuurlijk heeft die licentie voorwaarden zoals bronvermelding, maar vaak wordt het materiaal ook commercieel vrijgegeven. En ontwikkelen musea andere businessmodellen om kunst en cultuur op de voorgrond te brengen via een platform als het internet. De eerste stappen om materiaal, gemaakt met publieke gelden, ter beschikking te stellen aan het publiekdomein worden gemaakt. Met dat materiaal mogen we nu allemaal mee aan de slag, goed voor de creativiteit en wie weet uiteindelijk ook voor de kunst.