241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Scene uit The Brain That Wouldn't Die

Tijdens haar eerste scheikundeles met Professor Allios, wiens gezicht grotendeels werd bedekt met een gigantische wijnvlek, waardoor het moeilijk gissen was welk deel vlek en welk deel ongeschonden huid was, leerde ze over de verschillende overgangsfases van water.

Water komt voor in vaste, vloeibare, en gasvorm. Heel soms neemt het de vorm aan van plasma. Je zou deze verschillende vormen van materie kunnen vergelijken met het creatieve proces van een kunstenaar, waarbij ideeën kunnen beginnen als wazige vormen die eindigen in kunstwerken, gegoten in een vaste vorm.

De oorsprong van het idee; het wazige beeld, organisch in zijn ruwe vorm, kan worden vergeleken met een ontastbare stof, één die misschien de consistentie heeft van plasma— een stof met een uniek eigenschap, die geen definitieve vorm of volume heeft tenzij het zich in een houder bevindt.

In het paranormale veld wordt ectoplasma geassocieerd met ‘hauntings’ en staat het bekend als een stof die tijdens seances door mediums wordt uitgespuwd. Deze materiële transformaties zijn te vergelijken met het ontstaan van een idee en zijn uiteindelijke tastbare vorm. Tijdens het creatieve proces gaat de kunstenaar door een aantal gecompliceerde stadia:ze tast af, bevraagt zichzelf, raakt geobsedeerd, schakelt heen en weer tussen verschillende ideeën, en raakt mogelijk in totale verwarring. Het is juist in deze overgangspunten dat het werk vorm begint te nemen, ook al is dit in ruwe schetsvorm. Dit proces, dat tussen verschillende geestelijk toestanden schommelt, verleent een essentiële mobiliteit aan het vormen van het concept.

Toch heeft elke kunstenaar zijn/haar eigen manieren om te experimenteren, en helaas zal de laatste fase van het werk — het voltooide werk — altijd zichtbaar zijn, terwijl de angst en verwarring meestal niet in het eindresultaat duidelijk zijn. De backstage van de meeste kunstenaarsstudio’s zijn hermetisch afgesloten, waardoor het bijna onmogelijk is om een lineaire theorie te vormen over het experimenteren van de kunstenaar. Kunnen we daardoor stellen dat de werkwijze van kunstenaars en mediums iets in gemeen hebben, namelijk dat beide geen rationele grondlegging hebben?

Bruce Lee zei “Maak je hoofd leeg, wees vormeloos, zoals water. Water die je in een kop giet, wordt het kopje. Stop het water in een fles, en het water wordt de fles. Stop het in een theepot en het wordt een theepot. Nu kan water stromen, maar het kan ook crashen. Wees water, mijn vriend.”

Voor haar betekent het ontbreken van vorm vrij zijn van een vaste positie, punt of protocol, het vermijden van het veilige, het verzet tegen formalisatie. De woorden van Bruce Lee zetten haar aan tot denken. Soms heeft ze het idee dat ze als kunstenaar een tweesnijdend zwaard in de hand heeft waar ze niet weet mee om te gaan. Ze voelt zich verdeeld tussen het volgen van een vrije, vormeloze alledaags bestaan en de plicht om streng en gedisciplineerd te leven. Ze is er zich van bewust dat een bepaalde mate van routine noodzakelijk is om haar werk verder te laten ontwikkelen, maar toch blijft ze huiverig voor onnodige herhalingen.


Desondanks herhaalt ze dagelijks, bijna als een mantra, een gedachte waar ze graag in wil geloven: maak fouten, neem het risico, leer op de verkeerde wijze, wees buigzaam, maak je niet druk om het resultaat, gebruik wat je niet kent als startpunt, zet je rauwe gevoel in, en bevestig jezelf als kunstenaar, zelfs als mensen je niet helemaal vertouwen wanneer je zegt dat je een kunstenaar bent die nooit schildert.Ze vraagt zich af wat het voordeel is aan het niet horen bij een duidelijk en voorverpakte sociale categorie. Graag zou ze willen geloven in vrijheid, maar ook om op een doelbewuste manier weg te doen met de stereotypen van wat een kunstenaar zou moeten zijn, een verlangen wat doet denken aan de welbekende oppositie tussen de rationaliteit van de wetenschap en de irrationaliteit van de kunstenaar.

Soms, als ze bijna in slaap valt, voelt ze zich overweldigd door duizelingen. Dit gebeurt vooral wanneer ze in een stoel zit en slaap probeert te weerstaan. In deze staat – tussen slapen en waken – ervaart ze een zekere drijvende sensatie, alsof ze zich fysiek in een ruimte bevindt die niet echt bestaat. Ze voelt zich vreemd, zoals het luchtbelletje in een waterpas die zichzelf recht probeert te houden.

Deze onzekere toestand van mijmering tussen zijn en niet-zijn is cruciaal geweest in de geschiedenis van scheikunde. In de 19de eeuw begreep de Duitse wetenschapper Friedrich Kekulé bij het wakker worden ineens de ringstructuur van benzeen doordat hij droomde van een slang die zijn eigen staart inslikte. In een vergelijkbare situatie, viel Dimitri Mendeelev, bedenker van het periodiek systeem der elementen, na drie dagen en nachten zonder te slapen, in een diepe sluimer waaruit hij uiteindelijk ontwaakte en ineens het patroon voor zich zag die de basis zou leggen voor het systeem.

Valentina Pini, Stick, 2014,

Vloeistof, equilibrium, en dromen zijn drie mysterieuze elementen die indirect met elkaar verbonden staan. Een transparante vloeistof kan een sterke kracht verbergen: een gif, een geneesmiddel, of een zelfs een toverdrank. Equilibrium is sterk gerelateerd aan bewustzijn, denk bijvoorbeeld aan wat er gebeurt bij de aandoening labyrinthitis: een ontsteking die devloeistof in de oor ontregelt, waardoor het gevoel van evenwicht wordt aangetast.Het is een mechanisme die je zou kunnen vergelijken met de werking van een waterpas. Dromen zijn dromen en zijn grenzeloos. Het is interessant om te weten dat alchemisten lang speculeerde over het materiaal waaruit de droom bestond. Zonder enig bewijs dachten ze dat dromen uit een soort gas, nevel, of ultra fijne vloeistof moest bestaan, onderworpen aan vluchtigheid, maar ook, net als een gas, in staat om zich te verzamelen en in de lucht te blijven hangen.

Robert Cervera, Untitled (Jelly Reservoir), 2013. Strawberry jelly, concrete dust.

In het leven van een mens zijn er momenten wanneer we nader komen tot het begrijpen van de taal van materie.

Zoals wanneer de schoffel zich in de aarde stort: het graaft door de kruimelige eerste laag, dan wordt de aarde plooibaar bij het bereiken van de vochtige onderlaag, waarna het een bijna vast vorm aanneemt, in het verse donker van de hardwerkende aardewormen. Tsjak, en de worm is in tweeën.

Of de bij elkaar gebundelde stokken en latten van de houthandelaar: de spanning van het touw, rechtgetrokken in een lijn, dat seconden eerder amorf in zijn zak lag te dutten.

Robert Cervera, Pink Nappe, 2013. Polyvinyl, cement.

Of wanneer je, in een moment van onoplettendheid, een snee door de huid van je hand snijd en je even niet zeker weet wat de fysieke factuur zal brengen: een vluchtige witte lijn, een golf bloed, en alles daar tussen in.

In deze momenten is sculptuur te vinden. Ook kunnen we in sculptuur deze momenten onthullen. En het geluid die deze ogenblikken maken – een intern geluid, binnenin de geest – wordt weerkaatst en vormt, zoals bij sonar, een beeld van de wereld.

Materialen en menselijke handelingen zijn voortdurend met elkaar in gesprek. Knijpen, snijden, doordrenken, schaven, wiggen, kloppen. Haptische wonderen. Hoe de dingen voelen, hoe ze ons laten voelen.

Robert Cervera, Untitled (Theatre Bundle), 2013. Concrete, adhesive tape.

(Hegel en Bourdieu zouden stellen dat er geen onderscheid kan worden gemaakt tussen humaniteit en materialiteit. Wij mensen zijn materialen die andere materialen maken, die tenslotte ons definiëren. De dingen die wij maken, maken ons.)

Het grenzeloos karakter van het universum komt ter discussie. Vloeiende materie die elke kant op gaat, en wij die het achtervolgen, die het proberen te overhalen deze kant of die kant op te gaan, om in de rij te blijven staan, om in groepen van vier, of zestien, of zesenveertig te blijven wachten.

We doen ons best om het ontelbare te tellen, om grenzen aan te geven, en vorm te maken. We eindigen gefrustreerd en bedrogen door de weerbarstigheid van materie, maar blijven gecharmeerd door zijn grilligheid.

Robert Cervera

(Zou het kunnen dat we materie proberen te bedwingen, op dezelfde manier dat sommige vogels gevangen houden in kooien, om zo hun vogelvlucht beter te kunnen bewonderen?

Deze vraag fascineert mij. Maar ook ben ik gefascineerd door het onverwachte, de onvoorziene blunder, die ik zie als het volgende hoofdstuk in het voortdurende dialoog met materiaal.

Istanbul Moving Museum

Een troop (ook: trope of tropos) is een stijlfiguur (volgens sommigen een stijlfout) waarbij een bestaande uitdrukking op een min of meer oneigenlijke manier wordt gebruikt.

Het moment is onvermijdelijk. Je bent bezig in de studio, diep gezonken in het maken van een werk, en ineens wordt je bekropen door een ongemakkelijk gevoel: heb ik dit niet al eerder gezien, en dan niet van eigen hand? Of je bent in een staat van totale voldoening, achterover leunend en bomvol geluk en tevredenheid met het voltooide werk in je achterhoofd, totdat je die ene blog post tegenkomt, of die ene galerie binnenwandelt, en een werk ziet dat veel te veel op dat van jouw lijkt, en je ineens elke hoop van originaliteit voelt wegvloeien.

Maar wees niet bang! Je bent niet alleen.

Misschien moeten wij juist dankbaar zijn voor onze verbondenheid met de ‘cloud’ en de angst voor onoriginaliteit wegwuiven. Je zou kunnen stellen dat het maken van kunst in wezen een sociale bezigheid is (wat is het kunstwerk immers zonder de Ander). Als dit het geval is, zouden we dan niet eerder troost moeten vinden in onze deelname in een wereld van gelijkgestemde collega’s, en niet verstijfd raken door de angst voor de vele tropen die zich voordoen in de kunstwereld?

Kijk zelf maar naar deze voorbeelden, je zou bijna kunnen zeggen dat het tegenkomen van de troop onontkoombaar is:

1. (Kamer)planten:

Alejandro Almanza Pereda
Melani Bonajo, Gabriele Beveridge

2. Het digitale goes analogue

Mikkel Carl
Yves Scherer
David Jablonowski
Yuri Pattison

3. Pur en piepschuim:

Folkert de Jong and Stacy Fisher
David Bade

4. De lichtbuizen:

Sarkis and Cerith Wyn Evans
Claire Fontaine

5. Forever gradients:

Nicolas Deshayes and Alex da Corte
Adam Faramawy

6. Koel staal:

Anne de Vries
Alice Khalilova, Brian Dooley

7. Kledingstukken nonchalant gedrapeerd op kunst:

Tom Burr and Marie Lund

8. Het herleven van de klassieken:

Oliver Laric and Charlie Billingham
Jamie Sneider

9. Marmer manie:

Gabriele Beverdige en George Henry Longly
Pierre Clement

10. Eigen huis & tuin

Ola Vasiljeva
Nairy Baghramian
marc camille chaimowicz

Kandinsky voorspelde ooit in 1913 dat de kunst zich zou ontwikkelen tot één van pure bewustzijn en gedematerialiseerd. Volgens hem zouden kunstwerken in de toekomst telepatisch gedeeld worden. Hoewel we dat punt beslist nog lang niet bereikt hebben, lijkt het in ieder geval alsof we vaak uit dezelfde geestelijke fontein drinken.

Daar heb je het. Dus: maak je niet druk, ga er voor, maak wat!

Papier is kwetsbaar. Elke vorm van contact met de wereld heeft een weerslag op zijn conditie. Zodra je er een hand op legt, komt het in beweging. Een subtiele bobbeling, een lichte vlek. Ook als papier beschenen wordt door de zon, als er water op valt, als de wind het oplicht of als het op de grond terecht komt, zal het daar sporen van bewaren.

Papier is het zinnebeeld van de macht van het slachtofferschap. Uit zichzelf zal het nooit iets uithalen, maar het zal alles wat het overkomt onthouden en etaleren. Papier is passief maar waakzaam. Zijn kracht is gelegen in zijn vermogen te incasseren en te getuigen, de vergankelijkheid van het bestaan te verkondigen. Zodra de driedimensionale wereld tegen zijn tweedimensionale membraan aan botst, maakt het daar gewag van.

Geen wonder dat papier het wegwerpmateriaal bij uitstek is. We verpakken er voedsel in, maken er aantekeningen op, vegen er onze monden, geslachten en billen mee schoon. Papier vraagt om bezoedeling. Het geeft aan wie het bevuilde een dankbaar gevoel van reinheid, een onloochenbaar bewijs van gebruik. Het vergt minimale inspanning om je dit weerloze materiaal toe te eigenen. Papier geeft zijn gebruiker een gevoel van achteloze macht.

Des te meer indruk maakt het wanneer papier gekoesterd wordt: als het wordt ingelijst achter glas, beschermd in een vitrine of kluis, als het gehanteerd wordt met witte handschoentjes. Omdat er iets op staat dat iemand wil bewaren. Beloften, uitvindingen, levenstekens uit een voorbije tijd. Juist vanwege zijn nietsige teerheid kan papier een onvoorstelbare status krijgen. Is het toeval dat onze contracten en bankbiljetten van papier gemaakt zijn? Dat het lichaam van Christus wordt opgegeten in de vorm van een hostie, een muntje van gewijd, eetbaar papier? Dat een geschenk pas zijn rituele waarde krijgt als het in cadeaupapier wordt verpakt?

Een onbeschreven papier wordt wel ‘maagdelijk’ genoemd. Weinig materialen kunnen zo smetteloos ogen als een vers vel papier. Zo’n stralend nieuw vlak kan een belofte zijn, maar ook pure intimidatie. Een leeg papier staat niet voor niets symbool voor het writer’s block. Het wit zit op slot. Als een onneembare vesting ligt het te wachten. Kaal en naakt als een onontgonnen akker. Wat moet er gezaaid worden? Eenmaal begonnen is er geen weg terug.

Er is een tekening waar ik vaak aan denk, al ken ik haar alleen van een beschrijving die ik ooit ergens las. Het is een tekening van Bas Jan Ader. Het is een vel papier waarop eindeloos pogingen zijn gedaan om een tekening te maken, die steeds opnieuw volledig zijn uitgegumd, tot er nog maar een flinterdun vliesje papier over was. Een ode aan het falen, aan de vergeefse inspanning om een voorstelling van de verbeelding te materialiseren op papier. Hoewel op papier in theorie alles kan, komt daar in de praktijk meestal bar weinig van terecht. Alleen de belofte houdt altijd stand.

Er zijn twee tegenpolen onder de tekenaars. Er zijn de behoedzame perfectionisten, die het papier rond hun tekensporen zo wit en ongerept mogelijk laten, en de liefhebbers van de vlek en de kreukel. Tekenaar Rik Smits behoort tot de eerste categorie. Op zijn reusachtige, met feilloze precisie getekende panorama’s, vaak vanuit vogelperspectief, blinkt het papier tussen en rondom zijn lijnen hagelwit en strak, alsof geen hand het ooit beroerd heeft.
Tijdens het maken van een grote tekening jaagt Smits er soms wel 12 linealen doorheen. Als het plastic van zijn lineaal vervuild raakt door het grafiet van de lijnen die Smits ermee trekt, begint hij een waas achter te laten op het papier. Dan is het tijd voor een nieuwe. Smits verbruikt jaarlijks zo’n 100 linealen. Voor het gemak koopt hij in de Bruna gewoonlijk de hele voorraad op. Als er door het gewicht van het hangende papier een knik in een van zijn reusachtige tekeningen is ontstaan, stoomt en strijkt Smits het papier tot er niets meer van te zien is. Tekenaar Kim Habers daarentegen scheurt, kreukt en snijdt haar papier. Haar soms ruimtevullende tekeninstallaties lijken op gestolde rampen.

Het werk van Kim Habers

Jochem van Tol maakte de gevoeligheid van papier zelf tot onderwerp in zijn installatie VEL. Etude # 5 for paper (2009). Hij hing een reusachtig leeg vel papier op, met ervoor een rij lampen die hij steeds van temperatuur liet wisselen. Onder invloed van de warmte begint het papier zachtjes uit te zetten en te golven, waardoor er steeds andere abstacte voorstellingen ontstaan. Van Tol kent de kinetische eigenschappen van papier als geen ander. Hij formeerde zelfs een muzikale compositie voor papier, die hij uitvoert met het door hem opgerichte Papier Ensemble. Tijdens hun concerten brengt het Papier Ensemble verschillende soorten papier aan het knisperen, kermen, lispelen en toeteren.

Een van de mooiste eigenschappen van papier is zijn vermogen om met minimale middelen de verbeelding op volle kracht in gang te zetten. Het liedje It's Only a Paper Moon, onder andere uitgevoerd door Ella Fitzgerald and the Delta Rhythm Boys, laat zich beluisteren alsof het door een tekening zelf gezongen wordt:

Say, its only a paper moon
Sailing over a cardboard sea
But it wouldn't be make-believe
If you believed in me
[LINK: http://www.youtube.com/watch?v=ndxAZfJxfy8].

Sommige mensen denken dat het tijdperk van het papier op zijn einde loopt nu de wereld digitaliseert. In de digitale animatie Paper Age (2013) [LINK: http://www.kenottmann.com/2013/05/blog-paper-age-fur-deutschen-webvideopreis-2013-nominiert/] van Ken Ottmann zie je hoe de krachten van een uit krantenpapier gevouwen dinosaurus het begeven als hij midden in een landschap van krantenpapier op een reusachtige tablet stuit. Hij loopt het scherm op, valt, en sterft. Hoe fraai de beelden ook zijn, de papierfetisjist ziet vooral hoe nep de dinosaurus van digitaal papier beweegt. Als hij zijn geprogrammeerde leden beweegt buigen zijn elastische pixels soepel heen en weer, terwijl echt papier zou vouwen en kreukelen. Zo toont het filmpje onbedoeld het tegendeel aan van wat het wil demonstreren. Juist de fragiliteit van papier is het geheim van zijn magie. Zolang wij lichamen hebben, zullen we naar materialen verlangen die net zo kwetsbaar zijn als wij.

De dinosaurus uit Paper Age

Alexander Pope, kleinste dichter ooit

Engelse dichter, nooit groter geworden dan 137 cm

Wilhelm Reich, sextherapeut
Alexander Pope, kleinste dichter ooit

Engelse dichter, nooit groter geworden dan 137 cm

Dames en heren kleine kunstenaars!

Toen ik werd gevraagd hier vandaag een voordracht te houden voor kleine kunstenaars moest ik meteen aan Wilhelm Reich denken. Uit de dikke mist van mijn geheugen sprong Rede an den kleinen Mann tevoorschijn, een hartenkreet van de Pools-Oostenrijkse sextherapeut waaraan ik in geen twintig jaar meer had gedacht. De Rede had destijds indruk op mij gemaakt, niet vanwege het uitgangspunt (de kleine man lijdt onder de grote man), maar door de aanpak. In een directe aanspreekvorm, van man tot man, pepert Reich de kleine man in dat hij zijn benauwde knechtenleven geheel aan zichzelf te wijten heeft.

Wilhelm Reich, sextherapeut
Kleine man!, roept Reich, je bent als de dood voor je eigen kleinheid en daarom sluit je je ogen ervoor. Je veracht jezelf en voelt je het best in de rol van geliefde slaaf. Wat je gegeven wordt neem je, maar zelf geef je alleen wat van je wordt geëist. Je mag de mensen niet je vrijheid nastreven en aan de waarheid heb je een hekel. In plaats daarvan ben je de hele dag bezig met levenstactieken. Je gelooft niet dat iemand die bij je aan tafel zit ooit iets groots zou kunnen presteren, maar alles wat in je krant staat geloof je klakkeloos. Als je mag kiezen tussen naar de bibliotheek gaan of een vechtpartij bijwonen kies je de vechtpartij, en van de grote mannen zie je niet de echte groten, maar alleen de quasi-groten, die zich met vele kleinen omringen. Zo gaat de aanklacht door, de hele Rede an den kleinen Mann lang. Reich voelt met de aangesprokene mee want de kleine man zit ook in hemzelf. Hij ziet alleen niets in halfzachte methodes en daarom stelt hij zich hard op, als een strenge maar rechtvaardige vader. Gelukkig maar, want dankzij die strengheid is Rede an den kleinen Mann een goed boek, ook al wordt het nauwelijks meer gelezen nu de kleine man nagenoeg is uitgestorven.


Hoe anders is het gesteld met de kleine kunstenaar! De kleine kunstenaar lééft, holt zelfs meteen naar de aula als hij hoort dat er een voordracht is speciaal voor kleine kunstenaars.

Kleine kunstenaar!, roep ik dus, tegenover elke droom van een groot kunstenaarschap staan honderd kouwe douches! De kleine man die in je zit is honderd keer makkelijker de nek om te draaien dan de kleine kunstenaar in je. Van de kleine vrouw die in je zit kun je honderd grote maken, maar van de kleine kunstenaar in je niet één groot kunstenaar.

Weet je nog, kleine kunstenaar, wat je zei op dat feestje op die boot, na je eindexamen? 'Nu ben ik een artiest,' zei je, en in je toon zat een vreemde combinatie van zelfspot en eigendunk. Duidelijk was de betrekkelijkheid hoorbaar, het besef dat alles nu pas echt ging beginnen, dat kunstenaar een nog veel te pretentieus woord was en dat je jezelf daarom een artiest noemde, net als de televisiekomiek, de liedjeszanger en de kleinkunstenaar. Tegelijkertijd klonk je heel zelfbewust, net of je al niet meer van hier was en nog uitsluitend sprak in al te letterlijk vertaalde Engelse zinnen als Now I am an artist. Net of je mentaal al over de grenzen van het stadstaatje Holland heen was en al op weg een wereldkunstenaar te worden.

De gespletenheid die je daar liet zien, kleine kunstenaar, is niet toevallig en typeert niet alleen jou, zij doortrekt alles wat kunst is. Er is de kleine kunst, het geploeter dat wordt bespot en vervloekt en doodgezwegen, en er is de grote kunst, zo hoog en heilig verklaard dat je er haast niet meer bij kunt komen. Het niemandsland daar tussenin is als een oceaan zo onafzienbaar. De ene soort kunst is minder waard dan niets, alle geld dat daarin gaat wordt beschouwd als weggegooid. De andere soort kunst is zoveel waard dat het grootste geld erbij verbleekt.

Jij, kleine kunstenaar, mag de oceaan proberen over te steken in een roeibootje. Al komt er een paradijs op aarde, altijd zul je het als kleine kunstenaar moeten blijven doen met de riemen die je nu al hebt. Altijd zul je worden klein gehouden, met harde hand, zonder pardon of medelijden. Dat is het verschil tussen de kleine kunstenaar en de kleine man. De kleine man was klein omdat hij arm en onmachtig was. Hij kon opklimmen, zich vermannen en verenigen en zijn macht en marktwaarde vergroten. Zo kon hij de kleine man in zichzelf overwinnen.

Kleine kunstenaars daarentegen kunnen de kleine kunstenaar in zichzelf nooit overwinnen. Ze blijven altijd klein omdat ze bij elk kunstwerk weer vooraan moeten beginnen. Echte kunst wordt kunstwerk voor kunstwerk uitgevonden. Kunst op zichzelf klimt niet, staat onverschillig tegenover macht en weigert zich te verenigen. Kleine kunstenaars die hun eigen marktwaarde denken te kunnen beïnvloeden zijn het slachtoffer van het Grote Postmoderne Misverstand. Dat zegt dat kunstenaars middenstanders zijn.

Geen honderd cursussen kunstmanagement en geen honderd netwerken, kleine kunstenaar, kunnen je marktwaarde groter maken dan die van een loterijlot: alleen de loterijbaas en de notaris hebben er invloed op. Kleine kunstenaars die dat niet begrijpen hebben de kleine man in zichzelf nog niet overwonnen. De kleine man verrichtte nuttig werk, dat nut kon vergroot worden en die vergroting te gelde gemaakt. Kunst echter heeft geen nut, nuttige kunst is geen kunst.

Niettemin is er weleens een kleine kunstenaar die met zijn roeibootje onverhoeds aanlandt op de kust van de grote kunst. Op één van de honderdduizend loten valt een grote prijs immers. Maar in principe zal de kleine kunstenaar, net als de kleine man dat vroeger deed, moeten afzien: sappelen, zwoegen, kromliggen. Voor altijd, want uitsterven zal de kleine kunstenaar nooit. De kleine kunstenaar moet eeuwig lijden, zo is het nu eenmaal. En dan biedt lijden nog geen enkele garantie voor een grote prestatie, hoe jammer dat ook is voor het Hardnekkige Romantische Misverstand. Dat zegt dat de genialiteit van een met bloed, zweet en tranen gemaakt kunstwerk vaststaat als het door niemand wordt bekeken, begrepen of gekocht.

Kleine kunstenaar!, er is geen frustrerender, geen ondankbaarder, ja geen mensonterender leven dan dat van jou! Je staat op de onderste trede en houdt je vast aan de bovenste en daar tussenin is niets! Het enige dat je gaande houdt is hoop, 'hoop, de vleugels aller tijden,' zoals de kleine dichter zegt. Maar hoop waarop? Zeg niet dat je hoopt een grootheid te worden, kleine kunstenaar, of erger nog, dat je beroemd wilt worden. Een grootheid kun je niet willen worden, grootheid blijkt! Beroemd kun je niet willen worden, beroemdheid wordt gemaakt! Beter dan de kleine kunstenaar in jezelf te overwinnen is het om de grote, beroemde kunstenaar die in je kop zit eruit te gooien.

Alexander Pope, kleinste dichter ooit

Engelse dichter, nooit groter geworden dan 137 cm

Het enige dat je kunt willen is leven voor de kunst, werken, iets maken en iets beters maken, een kunstwerk uitvinden en dan weer een nieuw kunstwerk uitvinden. Het enige dat je kunt willen is weten. Willen weten, kennis, de rest is irrelevant. Wat de aard is van die kennis of waar die vandaan komt, dat doet er niet toe. Bij een goeie vechtpartij is evenveel te leren als in een bibliotheek.

De legendarische wereldkampioen boksen Mohammed Ali heeft eens een toespraak gehouden voor studenten van de Harvard-universiteit. Hij zei: 'Op mijn eigen manier studeer ik ook een heleboel. Maar daar betalen de mensen niet voor, de mensen betalen voor dwaasheden. De wijze kan de dwaas spelen maar de dwaas kan niet de wijze spelen. Ik speel heel wat af.'

Een groot kunstenaar, kleine kunstenaar, Mohammed Ali...