241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

De studium generale dag over goed en kwaad werd afgesloten met een ritueel door Winti priesteres Nana (Marian Markelo). Ik spreek haar een paar weken later om meer te weten te komen over Winti.

Winti, wat is het precies?

Het is een manier van leven waarbij het gaat om de balans tussen jezelf, de natuur, de andere mensen om je heen, je voorouders en je geestelijke begeleiders. Op alle momenten van je leven kun je iets uit winti halen dat ondersteuning biedt.

Niet als je het vergelijkt met theorieën van het westen, er is geen leider, er zijn geen geschriften, het is niet geïnstitutionaliseerd. Als je er van uitgaat dat het bij religie gaat om verbinden dan zou je het een religie kunnen noemen. Het woord religie kent vele invullingen.

Winti, waar vindt je het?

Winti is ontstaan in Suriname, zo is er de Santeria in Cuba en Condomble in Brazilië. De elementen bestaan uit de natuur, de levende mensen en de mensen die aan de andere kant van het leven staan (in winti zijn zij er echt). De natuur staat centraal, het gaat om alles wat daarin leeft maar dus ook om de mensen die hun fysieke lichaam niet meer hebben. De westerse wereld baseert zijn doen en laten op de wetenschap, die uitgaat van meetbare feiten en oorzaak en gevolg. Wetenschappers hebben ons doen geloven dat iets enkel bestaat als je het kunt meten. Zo zijn hele gebieden uit ons zicht verdwenen.

In de westerse wereld leeft iedereen in de stad. De natuur bestaat als een park, of een aangelegd bos. Mensen zijn van de natuur verwijderd, van zichzelf vervreemd. Ze richten zich op allerlei dingen om zich heen, maar niet op de natuur.

Winti is een harmoniemodel, het maakt tegenstellingen ongedaan: een belangrijk onderdeel is dat de mens die hier is ook met mensen aan de andere kant moet communiceren

Wat betekent de natuur in winti?

Vanuit winti zijn wij de topwezens van de natuur, als we bij onszelf beginnen, geven we aan anderen, bewust of onbewust een goed voorbeeld over hoe je met de natuur om kan gaan. Zorgvuldig met de natuur om gaan begint met kleine dingen: Niet zomaar vuil neerleggen, niet spugen op moeder aarde, je erf schoonhouden, zelf schoon zijn. Anders is het voor de goden van de aarde niet aantrekkelijk om naar je toe te komen, ze komen niet naar een vieze plek. De mensen zijn te veel bezig met uiterlijke dingen, ze denken dat de natuur van hen is, dat materie van hen is. Maar we leven hier tijdelijk.


Hoe is winti in Suriname ontstaan?

Winti is echt Surinaams, het vindt zijn oorsprong in de slaventijd. In Suriname werden mensen van verschillende afkomst met elkaar gemixt, en het is Suriname gelukt om van al die Afrikaanse bouwstenen een geheel te maken: winti. Tot 1979 was het strafbaar gesteld door de Nederlanders en daardoor is veel is verloren gegaan.

Waardoor ben jij je met winti gaan bezighouden?

Ik ben niet opgevoed in winti, mijn moeder was bij de evangelische broederschap, mijn grootvader was zelfs predikant in de slavernijtijd. Winti was eigenlijk altijd aanwezig: als dertienjarige moest ik het kippenhok schoonmaken, ik ging er rustig zitten en opeens klonk een stem in me: 'je weet eigenlijk alles al, je bent nog een beetje klein, maar we gaan zorgen dat je alles weet. De bovennatuur is in jou.'

Ik liep toen naar binnen en zei tegen mijn moeder: ik ga vanaf nu niet meer naar de kerk. Dat was geen probleem. Mijn vader en moeder steunden hun kinderen om te doen wat je wil doen en waar je goed in bent. Ze accepteerden onze eigenheid.

Op een dag stuurde mijn moeder me naar de markt om vis te kopen. Ik droeg mooie kleren, die kwamen uit Amerika en mocht ik dan uitzoeken. Een beetje pronkziek ben ik wel. Een man maakte me een compliment, 'O klein meisje, wat zie je er mooi uit.' 'Ja het gaat je niet aan.' antwoorde ik . Ik accepteerde het complimentje niet. Hij bleef het maar herhalen. Ik vond het irritant. Ik had een fiets met een klein tasje voorop en voor ik terug ging fietsen verzamelde ik stenen zodat ik die naar hem kon gooien als hij me weer lastig zou vallen.

Op de terugweg was die man er weer maar toen ik een steen naar hem wilde gooien stond de man opeens in het bos aan de overkant van de rivier. Dit is niet goed! Ik schrok en fietste heel hard naar huis waar mijn moeder me voor brutaal en onbeleefd uitmaakte: je moet geen stenen naar oudere mannen gooien maar dank je wel zeggen als je een complimentje krijgt.

Later ging ik als verpleegkundige naar de binnenlanden. Drie dagen voorvertrek sliep ik en had de volgende ervaring - geen droom- maar meer een waarneming. In mijn slaap kwam er een man naar me toe, een mooie man van brons, die man zei me: je gaat naar Stoelenmanseiland en ik laat je kennis maken met alle mensen die je moet leren kennen. Overal waar we aan land gingen stonden mensen stonden klaar, de man zei: dit is ze, dit is ze.

In een groot open veld stonden mannen en vrouwen om een grote ijzeren pan heen, en brachten hem aan de kook. De man: 'ik ga mijn hand er in doen en jij moet dat ook doen.' Ik deed mijn hand in die pan. In mijn slaap heeft die man bezit van mij genomen. Ik keek naar die man, naar zijn glimlach, het was de man in het bos. Door die 'droom' was ik in trance geraakt en heb zo hard gegild dat de buurvrouw kwam, die forceerde de deur en zij begreep wat er gebeurde: winti, zij herkende het.

Toen ik bij kwam zag ik dat zij allemaal dingen om me heen gezet, pimba, witte klei, jenever, een kalebas. Ze heeft gezegd: 'meisje je moet iets doen, je hebt winti, je moet het je moeder vertellen.'

Wie is die man?

Deze winti is een oorlogsgod, een stoere mannelijke god. Ik ben ook nergens bang voor. Als kind was ik door deze eigenschappen heel brutaal en eigenzinnig. Daaruit blijkt al dat je eigenlijk niet je eigen weg kiest, het zat altijd al in me, het is het lot. Je krijgt vaardigheden en inzichten om wat er voor je geschreven staat te doen, je bestemming te bereiken en de winti's komen op je weg om je daarmee te helpen. Zo kun je het lot, of je bestemming bereiken, met behulp van Winti's en de Jorka's de geesten van de voorouders.

Mijn leider is een kromanti winti, ik hou van hem, hij is mooi, een gebeeldhouwde bronzen man, en sterk. Ik ben me bewust van zijn krachten.Dat maakt dat ik als vrouw ook heel mannelijk ben.

Maar een oorlogsgod klinkt afschrikwekkend, draagt hij wel bij aan het goede van de wereld?

Mijn winti is een kromanti, een oorlogsgod, een dondergod met kennis van kruiden en rituelen. Dat lijkt misschien negatief maar is het niet, in de slaventijd was de orde van de kromanti's nodig, het waren onverschrokken en heldhaftige geesten. Waar strijd moet zijn, daar komt hij. Het gebied van de kromanti is de actie, het doen het opruimen.

Wanneer ik in nood ben, dan zal hij het van me overnemen. In de Bijlmer werd ik eens door twee mannen aangevallen, de winti heeft het van me over genomen.

Ik noem hem oorlogsgod vanwege deze eigenschappen. Het is een kracht van mij die via de tot slaaf gemaakte voorouders is gekomen.

En via de Kromanti ben je wintipriesteres geworden, hoe is dat verlopen?

In binnenlanden van Suriname hebben we rituelen gedaan, ik ben goed geïnitieerd en heb gebruiksvoorwerpen gekregen. Ik weet hoe ik er mee om moet gaan. Als initiatie trouw je met je winti, ik krijg de energie van binnenuit, ook om anderen te helpen. Als er iets gebeurt in mijn leven los ik de dingen op mijn manier op, met een glas water, een kaars, een foto, een glas met sterke alcohol en de eigen rituelen.

het glas water bevat geheime krachten en ondersteunt de winti, de kaars geeft de ziel licht mee.

Hoe zie jij ,vanuit het gedachtengoed van Winti, de functie van de kunstenaar?

In de westerse samenleving is het spirituele aspect van het leven een beetje verloren geraakt. De nadruk op materiele zaken heeft welvaart gebracht maar er is sprake van een onbalans. Het immateriële aspect is wezenlijk onderdeel van de samenleving. Naar mijn idee is de taak van de kunstenaar om dit immateriële of spirituele aspect terug te brengen naar de samenleving, om de samenleving weer in balans brengen, dit is wat het moment van nu vraagt.

1836, op het platteland van Salento in Puglia, Italië. Een boerin, die na het eten van wilde bramen in een delirium is geraakt, wordt met een bleek gezicht uitgestrekt tussen de braamstruiken gevonden. Het is dichtbij de Dolmen van Caroppo, in de buurt van Galatina. Haar handen en voeten zijn zwart. Vanuit het dorp komen direct muzikanten met tamboerijnen aangesneld. Ze verzamelen zich rond het lichaam en beginnen muziek te maken.

De vrouw, in eerste instantie in een verstarde toestand, begint schoppend en schokkend haar lichaam te bewegen op het ritme van de tamboerijn. Zij beweegt urenlang in een uitzinnige dans. Om haar heen is haar familie, die haar kleurrijke doeken laat zien. Zij kiest er één met de kleur die ze het meeste haat.

De priester, die intussen ook ter plekke is, geeft haar bidprentjes van Sint Bruno. De boerin stopt deze al dansend en ijlend in haar mond en ze kauwt erop. Ze eet ze op.

Eindelijk, na uren van waanzin, braakt ze water uit haar neus en mond richting de put. Ze krijgt weer kleur en ze komt weer bij haar verstand. Haar familie brengt haar terug naar huis, naar het dorp waar ze woont.

Waar ik vandaan kom is de bijgelovige fascinatie voor heidense rituelen verweven met de katholiek-christelijke leer. De symbolen overlappen elkaar of zijn samengevoegd; de katholieke kerk heeft de heidense rituelen ingekapseld en vertaald naar een katholieke verklaring. In dit bizarre trans-religieuze scenario, bovendien gevoed door de veranderingen van het leven op het platteland en de modernisering in Zuid-Italië, is er onder het volk een behoefte ontstaan aan spirituele transcendentie. Deze vernieuwde interesse voor trance, het vrijwillige verlies van het bewustzijn, is een reactie op het verdwijnen van de eigen rol in de gemeenschap, om dit verlies als het ware te compenseren

Ik heb me altijd afgevraagd waar de functie van de betekenis van het symbool eindigt, en ik heb gemerkt dat de betekenis wordt vastgelegd door de interpretatie die het individu er aan toekent. Het religieuze symbool blijkt dan heel sterk omdat het tegenstellingen kan bevatten. Ik denk dat een kunstwerk op eenzelfde wijze fungeert, de motor kan worden voor verschillende betekenissen. Een stille motor die de tegenstellingen in zich bergt is als een draaiend rad. Het draait en draait tot het zichzelf overstijgt, en zich overtreft. Het danst op het ritme van de kosmisch trommel, zodat de twee tegenpolen zich kunnen verzoenen op de as van de mogelijkheden.

Een vrouw, een zwerfster, herhaalt steeds dezelfde bewegingen. Ze wordt verliefd op voorwerpen, ze haat de kleuren. Ze vraagt of ze gekleed kan worden met spiegels. Ze leeft dichtbij een stortplaats en soms kun je haar een mantra horen zingen. Ze houdt ervan om zichzelf te herhalen en afwezig zijn, zichzelf te missen voor altijd. Ze woont in een grote Europese stad.

Zichzelf ertoe zetten om het bewustzijn te verliezen, de materiële status te verlaten, is een bekende techniek die gebruikt wordt in esoterische religies. Iedereen kan status van de extase bereiken, mits met de nodige opoffering. Maar zoals in Zuid-Italie en elders in Europa wordt de status van de extase een schuilplaats tegen het sociale verlies, het verlies van de eigen rol in de gemeenschap, de verlossing voor de minderheden. Het rechtvaardigt de eigen ontoereikendheid om aan een collectief en productief model te voldoen. Ophouden met acteren om een levend symbool te worden, zo mogelijk iets wat anderen willen zien.

S. Giuseppe da Copertino, en meer recentelijk Padre Pio, zijn er in een staat van gelukzaligheid, in geslaagd om te vliegen, en op twee plaatsen tegelijkertijd te verschijnen, als het elektron .... As real as double.

Op weg naar Italië, afgelopen zomer, moest ik voortdurend denken aan het Stendhal-syndroom, dat recentelijk door de Florentijnse psychiater Prof. Dr. Graziella Magherini werd vastgesteld bij zeker honderd mensen. Die mensen waren gek geworden na een overweldigende kunstervaring, zoals dat Stendhal ook ooit is overkomen. Na een bezoek aan Florence beschreef de Franse schrijver hoe de goddelijke schoonheid van die stad hem hevige hartkloppingen bezorgde, en een angst om bij elke stap die hij zette onderuit te gaan. In de praktijk behield Stendhal zijn zelfcontrole natuurlijk, en daarin verschilde hij van de patiënten van Prof. Magherini, die stuk voor stuk rijp waren voor opname.

Hoe langer ik erover nadacht hoe beter ik begreep dat Stendhal onder invloed van die schoonheidservaring niet gek werd, maar het wilde worden. Wat was, in zijn tijd, nou nog een mooier bewijs van menselijke verfijning en sensibiliteit dan flauwvallen onder een kunstwerk? De negentiende eeuw was nog maar net begonnen, de psychiatrie moest nog worden uitgevonden en het was nog mode om op je psychosomatische klachten prat te gaan.

Waarom ik op weg naar Italië nadacht over dit alles weet ik niet, in ieder geval niet omdat ik op weg was naar enige Italiaanse kunstattractie. Integendeel, mijn doel was het isolement, de rust om nu eens een paar weken ongestoord te lezen.

Ik betrok een huisje in de buurt van de stad Macerata, in de provincie De Marken. Het huisje bood uitzicht op een dal, dat het in z'n eentje ruimschoots kon opnemen tegen de mooiste landschapsschilderijen ter wereld. Ik installeerde een ligstoel op het overdekte terras, ging zitten en begon te lezen. Roerloos zat ik dagenlang in mijn boeken te genieten van de wereld, zoals ik in de schaduw van de zon genoot. Ik vergat de tijd en dacht dat alles voor altijd zo zou blijven.

Ik las aangrijpende Italiaanse fictie van Luigi Pirandello, Cesare Pavese en Claudio Magris, en een diepgravende studie over het leven van Franciscus van Assisi, door de Nederlandse Helene Nolthenius. Maar het meest werd ik gepakt door de autobiografie van Benvenuto Cellini, de vechtersbaas, ijdeltuit en grote geest met lange tenen, die er niet voor terugschrikt het kleinste pesterijtje te vergelden met een voorbedachte moord.

Wat een aanstekelijk karakter! Als geen ander demonstreert de zestiende-eeuwse goudsmid en beeldhouwer de kunst om de waarheid te liegen. Na elke bladzijde van zijn autobiografie begreep ik beter hoe je moet vertellen: een aantal waar gebeurde voorvallen gedetailleerd weergeven, en de waarachtigheid daarvan nog verhogen door er een paar onwaarheden aan toe te voegen.

Ik was ongeveer halverwege Cellini's levensverhaal toen ik last kreeg van een reader's block. Door het onafgebroken zitten was mijn lichaam stijf als een plank en het snakte, nog opgehitst door Cellini's continue gepronk met zijn fysieke moed en energie, naar beweging. Op het moment dat ik het boek neerlegde was mijn held net door de Paus in de gevangenis geworpen. 'Daar blijft hij nog wel even zitten,' besloot ik, 'de hoogste tijd om mij nu zelf ook eens in het Italiaanse leven te storten. Op naar Macerata!'

In Macerata bleek een openluchttheater te zijn waar diezelfde avond Carmen werd opgevoerd, de opera van Bizet. Er was nog plaats in een schellinkje, een hooggelegen kamertje met een open wand. Er stonden zes stoelen, voor mij alleen.
De regisseurs en vormgevers van het spektakel hadden weten te bereiken dat de 120 jaar die de wereld nu al draait sinds de dood van Bizet, nagenoeg werden uitgewist. Alles was van een negentiende-eeuwse echtheid. Er verschenen echte paarden op het toneel en echte huifkarren, echte vuren brandden er. Het volk werd uitgebeeld door een gigantische macht echte volksmensen, zoals ze in de 120 jaar sinds Gustave Courbet nooit meer geschilderd zijn. Ook zat er een echte krekel in de orkestbak, die met zijn solopartijtjes voor een echte landelijke sfeer zorgde, vooral bij de kampvuurscènes. Maar het allerechtst was wel de vleermuis die in een spleet in de muur van mijn schellinkje woonde.

De hele voorstelling lang vloog hij af en aan, schichtig en dreigend tegelijk. Het was pikdonker daarboven en mijn toch al toenemende melancholie dreigde uit te lopen op een onvervalste kerkhofstemming. Dat werd me teveel van het goede, en dus probeerde ik de treiterige vleermuis te lijf te gaan, met mijn opgerolde programmablad als sabel. Ik sloeg en stak, maaide en mepte. Maar toen ik bij een slalommende beweging tussen mijn zes stoelen een schoen verloor en die nog net voor een duik in de benedenzaal kon behoeden, begon ik het slapstick-achtige van de situatie in te zien. Ik staakte de strijd en een paar minuten later zat ik opgelucht op een terras aan het operaplein. Na een paar sambuca's was ik weer helemaal bij de tijd.

De volgende dag werd ik wakker met een gezwollen rechtervoet. Ik voelde ook pijn, maar ik genoot van de gebondenheid aan mijn huisje, mijn terras, mijn dal en mijn boeken. Ik hinkte naar mijn ligstoel, plofte erin en alsof ik de cipier zelf was opende ik het boek van Cellini om te zien hoe onze gevangene het maakte.

Ik kon mijn ogen niet geloven. Niet dat hij was ontsnapt verbijsterde mij, maar hoe. Met name bij twee details in de beschrijving van zijn vlucht stond mijn hart stil.

Cellini zit gevangen op een kasteel met een beminnelijke en intelligente slotvoogd, Messer Giorgio. De twee mogen elkaar wel en voeren prachtige dialogen. Nu heeft de slotvoogd de pech dat hij elk jaar een paar weken hartstikke gek wordt. Het ene jaar denkt hij dat hij een kikker is, het andere jaar dat hij dood is, dan weer dat hij een oliestelletje is. Vlak voor Cellini's uitbraak begint het weer: dit jaar, zo heeft Messer Giorgio het in zijn hoofd gezet, is hij een vleermuis!

Het zweet brak me uit, en toch had ik die vleermuis op zichzelf nog wel kunnen velen, als het daarbij was gebleven. Maar het ergste moest nog komen.

Enkele bladzijden verder ontmoet de ontsnappende Cellini een onverwachte tegenslag: de slotvoogd blijkt twee extra muren om het kasteel te hebben laten bouwen. Een zoveelste kans voor Cellini om zijn heldendom te profileren, want uiteindelijk staat hij, na een gewaagde klauterpartij, natuurlijk toch buiten. Uitgerekend op dat moment (dan pas, alsof hij het heeft opgehouden) verliest hij zijn bewustzijn. Als hij weer bijkomt voelt hij een botbreuk, 'een centimeter of acht boven de rechterhiel'.

Ik slikte, keek naar de belachelijke dikte van mijn eigen rechterhiel, klapte het boek dicht en keilde het zover als ik kon het dal in.

Drie dagen heb ik gehannest met ijsklontjes in theedoeken, en getuurd naar het landschap. Toen kon ik weer lopen.

In een naburig dorp vond ik het huis van Dr. Italo Seminterrati, arts en psychiater. Hij deed zelf open en verwelkomde mij fluitend, alsof hij al weken op een patiënt zat te wachten. In zijn spreekkamer bood hij mij ijsthee met honing aan, die door een dienstmeisje in een negentiende-eeuws verpleegsterskostuum werd binnengebracht. Toen moest ik mijn verhaal doen.

Ik vertelde alles zo precies mogelijk. Uiteindelijk zei de dokter: 'U bent ongetwijfeld gevoelig voor symbolen en daar is niks mis mee. Maar het stikt nu eenmaal van de vleermuizen in Italië en dat was 500 jaar geleden ook al zo. Dat u er dus vlak na elkaar zowel op papier als in de werkelijkheid een tegenkomt lijkt me nu niet direct een wonder.'

'En mijn gezwollen voet dan,' stribbelde ik tegen, 'is dat soms ook geen wonder?'

'U schijnt de avond daarvoor nogal onvoorzichtig te zijn geweest. U hebt toen immers een schoen verloren?'

'Dat heeft er niks mee te maken, ik had die avond geen centje pijn! Gelooft u nou echt niet dat dit een geval kan zijn van vehemens imaginatio, de verhevigde verbeelding waar bijvoorbeeld ook uw landgenoot de Heilige Franciscus last van had? Die werd toch ook op een dag wakker en had opeens van die kruisigingswonden, en niet alleen maar aan één voet!'

'Dat bedoel ik nou juist,' schaterde de dokter, 'de Heilige Franciscus had helemáál geen schoenen!'

Toen stond Dr. Seminterrati op en zei: 'Meneer, ik geloof dat u volkomen gezond bent.' Hij gaf mij vriendelijk een hand, begeleidde mij naar de deur en wenste mij veel plezier voor de rest van mijn vakantie. 'Ga eens wat kunst bekijken,' zei hij nog, 'dat zal u goed doen.'

http://www.cornelbierens.nl/