241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

koekoeksklokken in de huiskamer

Vrijwel iedereen kent hem wel: de koekoeksklok. Dat huisje aan de muur, druk versierd met bladwerk, vogels en of andere dieren. Er hangen twee gietijzeren gewichten onder, in de vorm van dennenappels en de houten slinger is ook meestal voorzien van een blad.


Kinderen waren -en zijn- er dol op. Elke keer opnieuw komt het vogeltje vanachter zijn deurtje vandaan om buigend en snavelklappend, soms ook nog zijn vleugels bewegend, het aantal uren met zijn geroep aan te geven.
Ooit waren deze klokken buitengewoon populair, maar geleidelijk aan is dit minder geworden. Steeds meer won de gedachte terrein dat ze kitscherig waren en dat het eigenlijk niet ‘bon ton’ was om zo’n klok in je interieur op te hangen. Een Zaanse of Friese klok of een Franse comtoise aan de muur, dát was pas chic. De koekoeksklok werd in veel gevallen naar de gang verbannen en kwam uiteindelijk op zolder terecht en van daaruit niet zelden in de vuilnisbak!

Hoezo kitsch? Toegegeven, er zijn veel, ook naar mijn smaak, lelijke koekoeksklokken gebouwd. Het houtsnijwerk werd geleidelijk aan steeds minder verfijnd en bovendien ook steeds vaker in schreeuwerige kleuren uitgevoerd. Het woord lelijk is hier voor mijn gevoel prima op zijn plaats, maar kitsch? Nee.


Bij kitsch denk ik aan al die zogenaamd ‘oudhollandse’ Zaanse en Friese klokken, zoals die sinds de jaren vijftig steeds vaker verkocht werden en die nu nog steeds in enorme hoeveelheden in bejaardenhuizen de muren ‘sieren’. Op die klokken is het begrip kitsch van toepassing omdat zij samengesteld zijn uit onderdelen die overal vandaan komen, met hun kasten van multiplex of spaanplaat, hun acht dagen lopende uurwerkjes uit het Zwarte Woud en hun gegoten koperen sierstukjes met daarop de tekst: ‘Nu elck sijn sin’.


Een authentieke Zaanse klok bestáát wel, maar is meer dan een halve meter groot, het zware peervormige gewicht aan een koord moet tweemaal per dag opgetrokken worden en de klok kost zo’n slordige tienduizend euro. Maar dan heb je ook wel een exemplaar dat gebouwd is rond het jaar 1700!

Zaanse klokken


De meeste ‘geleerden’ gaan er tegenwoordig vanuit dat de koekoeksklok rond 1730 is ‘uitgevonden’ door Franz Anton Ketterer in Schönwald in het Zwarte Woud. Van tijd tot tijd werden er in bestaande typen klokken twee ‘orgelpijpjes’, met daarop kleine blaasbalgjes, ingebouwd. Een mechaniekje tilde deze balgjes elk halfuur na elkaar op en omdat ze onderling een terts of een kwart in toonhoogte verschilden, was de ‘koekoeksklok’ geboren.


Het bekende huisjesmodel ontstond pas veel later, zo rond 1860. De baanwachtershuisjes die hier en daar langs de kort tevoren in het Zwarte Woud aangelegde spoorlijnen verrezen, stonden model voor dit nieuwe type klok, dat in liefhebberskringen daarom ook wel wordt aangeduid als ‘Bahnhäusle’. Dit waren nog steeds vrij sober uitgevoerde klokken. Er wás al wat houtsnijwerk aan en op te vinden, maar vanaf zo rond 1880 werd een en ander geleidelijk aan veel ‘rijker’ en kwam het in veel meer uitvoeringen en afmetingen op de markt. Ook werden sommige koeksklokken voorzien van nóg een vogeltje: de kwartel. Die roept elk kwartier een keertje vaker en op het hele uur roept de koekoek daarna nog eens het aantal uren dat de wijzers aangeven. Ook zijn er nogal wat koekoeksklokken voorzien van een speelwerk(je). Na het roepen van de koekoek klinkt dan bijvoorbeeld nog de melodie ‘Edelweiss’ of ‘Der fröhliche Wanderer’ of een gedeelte uit ‘Eine kleine Nachtmusik’ van Mozart om maar eens wat te noemen.

Ook bijzonder is dat de koekoeksklok sinds de begintijd met alle meubelstijlen meegegaan is: er zijn ‘Biedermeier-koekoeksklokken’, prachtige uitvoeringen met Jugendstilkenmerken, Art Deco-klokken, maar ook ‘moderne’ uit de jaren zestig en zeventig.

Tegenwoordig worden veel koekoeksklokken voorzien van een batterijuurwerk, met ‘siergewichten’ en dito slinger van plastic. Het -net echte- koekoekgeluid, geplaatst op een chip, komt dan uit een luidsprekertje in de klok. Wanneer men bij dit laatste van kitsch wil spreken kan ik mij dat overigens wel voorstellen. Maar………de koekoek is nog steeds niet uitgeroepen en er worden nog ieder jaar zo’n half miljoen exemplaren gebouwd in hun ‘geboortestreek’: het Schwarzwald in Zuid-Duitsland. En niet, zoals zoveel mensen denken, in Zwitserland en/of Oostenrijk!
de logeerkamer bij Henk Valk


kinder klokken

Uit de Latijnse woorden ambio voor ‘rondom’ en het werkwoord agere voor‘leiden, drijven’ is het begrip ambacht ontstaan. In zijn oorsprong had het de betekenis van bode, gezant of dienaar. Veel later zou het niet meer gebruikt worden om degene die de dienst uitvoert te duiden, maar de dienst of het handwerk zelf. Ambacht toont zich hiermee als al oorspronkelijk verbonden te zijn met een vervulling van praktische functies. Daarom krijgt ambacht tegenwoordig, ten opzichte van de vrije kunst, wel eens het etiket toegepaste kunst.

Iets dat we kunnen leren van andere culturen is dat er niet overal een radicaal onderscheid bestaat tussen de begrippen kunsten ambacht. Wanneer de smid van de Dogonstam in Mali een masker uit hout kerft, gaat het er niet om of het mooi of lelijk wordt. Belangrijker is of de uiteindelijke afbeelding klopt met de overlevering.

Wagenmenner van Delphi

De correctheid van een beeltenis staat dus boven de esthetische ervaring daarvan. Voltooide maskers worden bewaard op wat wij als oneerbiedige plekken beschouwen, in donkere hoeken van huizen of afgelegen grotten. Alleen voor ceremonies en festiviteiten worden de maskers tevoorschijn gehaald. Pas hun gebruiksfunctie maakt ze voor de Dogon kunstvoorwerp. Daarna verwordt het tot onbeduidend object.

Ambacht houdt dus bezieling in. Een voorwerp waar uren werk in zit wordt waardevol door de functie die het krijgt. Binnen de Westerse context daarentegen ligt de schoonheid van ambacht vaak in de zichtbaarheid van de talloze uren die in het maken zitten. Maar dat wat een mens kan maken, kan een machine in feite ook. Verschil met het machinaal gefabriceerde object is dat de menselijke hand het een ziel geeft. Islamitische tapijtknopers zijn zich hier maar al te bewust van. Zij hechten grote waarde aan de foutjes in hun tapijten — alleen God doet namelijk de dingen perfect.

God kan hier gelezen worden als concept van de perfectie zoals dat ook binnen de massaproductie bestaat. In plaats van een afstandelijkheid door onbegrip over de origine van een object, trekt een menselijke fout een voorwerp dichter naar ons toe. Het ontzag voor producten die volmaakt zijn in hun gelijkheid, maakt plaats voor een drang de dingen dichter bij onszelf te willen halen. We willen objecten begrijpen in hun uniekheid.

Wat naar mijn idee het belangrijkste is aan ambachtelijkheid is ons bewust te worden van die bezieling. Zoals een masker een ziel krijgt tijdens een dans, zo ligt bezieling aan de basis van elk ambachtelijk object. Het idee van dit oorspronkelijke rondom leiden is daarin niet zo ver weg, namelijk: rondom de massaproductie en de technische vooruitgang geleid worden naar de bezielde en menselijkere wereld die lange tijd sluimerde. Zonder naar specifieke ambachten en technieken te kijken, is begrip van die kerngedachte het belangrijkst.

In de eenvoudige, handgemaakte objecten zit een menselijkheid die lange tijd weinig zichtbaar is geweest. Het is die menselijkheid die verworden is tot een esthetiek. Daar tegenover staat het kille, afstandelijke dat door machines is gemaakt.

Ik begrijp de tapijtknopers wel. Iets compleet perfects, dan wel met of zonder hulp van computers en machines gemaakt, verhoudt zich veel minder tot mij persoonlijk. Wanneer ik de dingen handmatig doe en er foutjes ontstaan, doordat bijvoorbeeld een kleur niet uitvalt zoals ik had gehoopt, wordt iets pas echt. Het is het bijzondere feit dat iets dat je eigenhandig hebt gemaakt, magischer kan zijn dan iets dat onmenselijke perfectie vertoont.