241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

De gigantische loods waar ooit de broodfabriek stond staat vol marktramen waar vooral families hun oude rommel verkopen: troep getrokken uit het onderste van de lades, oude meuk gevonden in de donkere hoeken van de kelder. Tijdelijk hebben deze spullen weer waarde, hoe luttel dan ook. Overal wordt er gegraaid door de eindeloze hopen muf ruikende goedkope tweedehands kleding.

Aan het einde van een tafel tussen de vergeelde kunstboeken, klassiekers met gekreukelde kaften, en stapels thrillers, ligt een grote map. Wanneer ik het open zie ik een verzameling tekeningen, schilderijtjes, en schetsen die vooral abstract zijn en verwoed gekrabbeld. Ik kijk omhoog in de ogen van een langgerekte melancholieke man met grauwblonde sliertige haren, en een zilveren ronde bril rust op zijn neus. Met een nerveuze opwinding vertelt de verkoopman dat dit de laatst overgebleven werken zijn uit de tijd waarin hij zichzelf kunstenaar noemde. Van de eigenaar van de boekenkraam mag hij het mapje tentoonstellen en naast de boeken zijn kunstwerken verkopen. Ik koop een vreemde duivelse voorstelling van een beest in zwart inkt getekend over een prent.

Laat in de avond rond het eettafel merkt een vriend het werk op. Is dit niet het werk van Han van Meegeren, de grote kunstvervalser? De achtergrond blijkt een reproductie te zijn van Hertje, in de jaren twintig een van de meest veelvoorkomende prenten die aan duizenden Nederlandse muren hing. Maar ondanks de populariteit van dit werk werd van Meegeren niet door critici erkend. In een kunstwereld waarin het Cubisme, Dadaisme, en Surrealisme net hun explosieve intreden deden werd van Meegeren gezien als overbodig en werd hij bespot voor zijn gebrek aan originaliteit.

Aan het begin van de vorige eeuw was de techniek om een vervalsing te ontdekken vrij simpel: het verdachte canvas werd met alcohol gewreven waarna een naald voorzichtig in de verf werd gestoken. Bij een oud canvas is de verf volledig gehard, maar bij een nieuw schilderij blijft er bij het verwijderen van de naald een olieachtig residu achter.

Han van Meegeren kocht oude schilderijen uit de zeventiende eeuw en schraapte de originele verflaag weg. In plaats van olie gebruikte hij Bakeliet, een vroege plastic soort, om zijn pigmenten tot verf te mengen. Vervolgens werd het versgeschilderde canvas in de oven gebakken om het Bakeliet volledig te harden. Om de craquelé van een oud schilderij na te bootsten rolde hij het canvas op waardoor er kleine scheurtjes in het Bakeliet vormde. Voila! Een heuse oude meester!

Relatief weinig werken door Johannes Vermeer hebben de eeuwen overleefd. Daardoor was het des te meer opwindend toen, in de jaren dertig, er ineens een serie Vermeer doeken uit een eerde onontdekte religieuze periode begon te verschijnen. De werken werden gretig gekocht door verzamelaars zoals Boijmans van Beuningen, die 540.000 gulden betaalde voor De Emmaüsgangers, wat vandaag gelijk zou staan aan meer dan 4.5 miljoen Euro. Deze schilderijen, geprezen door kunstcritici, waren niet de meesterwerken van Johannes Vermeer, maar die van Han van Meegeren.

Hij had de kunstwereld in zijn greep, volledig beetgenomen! Met zijn uit afzetterij gewonnen vermogen leefde hij heel de Tweede Wereldoorlog in rijkdom en luxe. Maar met de bevrijding werd zijn decadente leven verstoord toen een Vermeer werd gevonden in de kunstcollectie van nazi Herman Göring. Toen de verkoop van het werk naar van Meegeren werd teruggeleid, weigerde hij de afkomst van het schilderij te onthullen. Er volgde een enorme verontwaardiging: hoe durfde hij Nederlands erfgoed in de handen van de vijand te laten vallen? Hij werd gearresteerd voor hoogverraad, waar in die tijd de doodstraf op stond.

Zijn pleidooi was simpel: hij was onschuldig, en kon onmogelijk een verrader zijn, omdat de vermeende Vermeer een vervalsing was van eigen hand. Het werd een sensationeel proces dat zich voltrok in een rechtszaal volgehangen met de vervalste werken. Hoe kon het dat de hele kunstwereld zo was bedrogen? Van Meegeren werd voor leugenaar uitgemaakt.

In het rechtshuis werd een ruimte vrijgemaakt als atelier waar van Meegeren ter plekke, onder toezicht van officiers en journalisten, werd gesommeerd een Vermeer te schilderen. Met zijn laatste Vermeer voltooid werd zijn onschuld bewezen. Ondanks de vele miljoenen die hij verdient had met zijn bedrog, werd hij slechts veroordeeld voor een jaar opsluiting.

Van Meegeren overleed ter vrije voeten aan een hartaanval nog voordat hij aan zijn gevangenisstraf kon beginnen. Na zijn dood stegen zijn eigen werken zo in waarde dat van Meegeren vervalsingen de markt begonnen te overspoelen.

Mijn eigen door de marktkoopman bekladde Hertje hangt nog steeds aan de muur. Noemt hij zichzelf inmiddels weer kunstenaar? De mislukte kunstenaar kan een tragisch wezen worden, overmand door ijdelheid, jaloezie, en bitterheid. Maar toen Han van Meegeren door de kunstwereld werd afgestoten, schepte hij de meest omvangrijke kunstfraude ooit.“Maar over een ding ben ik zeker: als ik in de gevangenis kom te overlijden zullen ze alles gewoon vergeten. Mijn schilderijen zullen weer bekend staan als originele Vermeers. Ik heb ze niet voor het geld gemaakt, maar voor de kunst”.

Het werk van Aurie Ramirez was te zien bij galerie Jack Hanley uit San Francisco tijdens de Arco kunstbeurs in Madrid.Zij blijkt haar tekeningen te maken binnen de context van Studio Creative Growth, 's werelds oudsteen grootste studio voor volwassen kunstenaars met een handicap. Ramirez is autistisch. de vragen aan Aurie zijn geïnterpreteerd door Jennifer O Neal, haar manager in de studio. We stuurden haar een paar vragen over volkskunst:

Wat betekent volkskunst voor jou? Welke relatie heeft jouw werk met Volkskunst?

Auries werk heeft verwantschap met volkskunst in die zin dat zij geen formele kunstopleiding heeft gevolgd, ze is autodidact, ze wordt gedreven door haar verlangen om te creëren.

Denk je dat volkskunst in deze wereld zonder grenzen een invloed kan hebben die uitstijgt boven zijn eigen culturele territorium en de context waarin het werd gemaakt?

Er is heel duidelijk invloed. Outsiderkunst wordt al langere tijd verzameld door kunstinstituten en particuliere verzamelaars, en het heeft generaties toonaangevende kunstenaars beïnvloed. het is mogelijk dat volkskunst zo'n wijdverspreide invloed heeft omdat het een onmiskenbaar 'verlichtende' invloed heeft. het sterke vermogen om te communiceren met de kijker, de stuwende kracht achter de totstandkoming en de onderwerpen die zeer persoonlijk, eerlijk een gebruiksgericht zijn, dragen bij aan de originaliteit die in staat is de geest van de kijker te verruimen.

Kun je de volkskunst beschrijven waar je mee opgroeide?

In haar werk ontdek je veel dingen uit haar jeugdjaren en haar ouderlijk huis; het gezamenlijke eten, de Amerikaanse Rockband Kiss, de televisieserie The Addams family en door Punk geïnspireerde kledingstijl.

De Wellustige Turk is een pre-Victoriaanse roman die in Engeland in 1828 uitkwam, geschreven in de vorm van een correspondentie tussen de heldin, Emily Barlow, en haar vriendin, Sylvia Carey. Op zeiltocht naar India wordt Emily gekidnapt door Moorse piraten en wordt tegen haar wil een van de vrouwen in de harem van Ali, Dey van Algiers. Hoewel ze zich aanvankelijk verzet, wekt Ali haar sluimerende seksualiteit en ze begaat vrijwillig sodomie, een groot taboe in het Engeland van destijds. Wanneer Ali ook Emily’s penvriendin Sylvia met een list naar Algiers weet te krijgen en haar in weet te lijven in zijn harem, volgt een soortgelijke seksuele ontwaking. Sylvia weigert echter sodomie te bedrijven, hetgeen haar ertoe drijft zijn penis bruut te amputeren. Aangezien hij nu ontmand is, stuurt Ali de vrouwen terug naar Engeland. Emily komt terug naar huis met Ali’s geamputeerde fallus bij zich, geconserveerd in een pot met sterk water.

De volgende tekst komt uit een gesprek tussen de kunstenaar, Patrizio di Massimo, en Robert Leckie in oktober 2013.

Ik kwam De Wellustige Turk tegen bij het lezen van Edward Saids Oriëntalism - een boek dat de grondlagen legde van postkoloniale theorie – gedurende mijn MA aan de Slade School of Fine Art, in 2009.

Edward Said vermeldt De Wellustige Turk – hetgeen anoniem is gepubliceerd - en beschrijft het als een “zwart boek” van westers oriëntalisme. Geïntrigeerd als ik was, kocht ik snel een herdruk online. Toen ik er voor het eerst doorheen bladerde vond ik het een erg merkwaardig document. De Amerikaanse academicus Steven Marcus beschrijft het helder als zoiets als [ik citeer] “een stolsel van de stereotypen die het Westen heeft geproduceerd over de Oriënt.” Maar ook de erotische, oriëntale enscenering fascineerde me – je zou kunnen zeggen dat ik deelde in de fascinatie van de auteur. En dit terwijl ik het boek oorspronkelijk tegenkwam via Said en dus wist hoezeer het was verankerd in de slecht geïnformeerde autoriteit van westerse ‘kennis’ over de Oriënt.

Nadat ik De Wellustige Turk had ontdekt, vroeg ik me een lange tijd af wat voor vorm mijn engagement zou moeten aannemen. Ik begon ruwweg drie jaar geleden, terwijl ik het boek las, met het maken van tekeningen, die ik nooit heb tentoongesteld. Ik deed destijds een residency bij De Ateliers in Amsterdam en ik herinner me dat ik poogde het project te beschrijven voor een paar leraren en medekunstenaars. Mijn ideeën waren, toegegeven, erg vaag en hoewel sommigen het een veelbelovend vooruitzicht vonden, hielden anderen vol dat ik het project niet zou moeten doorzetten, dus dat heb ik niet gedaan. Pas een paar jaar later kwam ik terug bij het idee, na een uitnodiging te hebben ontvangen van Alessandro Rabottini om een solotentoonstelling te presenteren bij de Villa Medici in Rome.

Het pad dat naar die tentoonstelling leidde was hobbelig en ik vorderde op een frustrerend langzaam tempo. Als ik terugkijk, denk ik dat ik met drie voornaamste moeilijkheden te kampen had: hoe zo’n beladen onderwerp niet banaal te maken, hoe zo’n interpretatie te vertalen naar de schilderkunst, en hoe de tekst te ‘volgen’, of juist niet. Ik denk dat het opnieuw aan de slag gaan met de culturele productie uit het verleden ons kan aanmoedigen om opnieuw stil te staan bij wat, waar en hoe we geweest zijn, wat cultuur betreft. En hoewel De Wellustige Turk misschien niet iedereen interesseert, blijven we allemaal beïnvloed door de manier waarop westerse wereldrijken de verhoudingen tussen verschillende landen in de koloniale epoche hebben verstoord. De verbijsterend simplistische en radicaal aan elkaar geopponeerde relatie tussen Oost en West, die zo grotesk wordt geportretteerd in het boek, is nog steeds politiek relevant en het Oosten wordt nog steeds tot fetisj gemaakt. Voor de schrijver van De Wellustige Turk was de Oriënt de plek bij uitstek om een reeks gefantaseerde seksuele ontmoetingen te situeren die niet waren toegestaan in het pre-Victoriaanse Engeland. Voor ons is, naar ik meen, het scheppen van de nodige ruimte voor discussie over hoe seksueel verlangen in de Arabische wereld wordt afgeschilderd, cruciaal voor ons begrip van die cultuur.

Toen ik dit project begon dacht ik veel na over wat voor standpunt ik zou innemen. Ik zou bijvoorbeeld door kunnen gaan met mijn moralistisch oordeel en mijn politieke correctheid en het boek als niets anders dan een embleem van een achterhaalde en ‘racistische’ cultuur kunnen beschouwen, of ik zou het zeer dubieuze motief van de auteur kunnen adopteren en mijn werk met het zijne verweven zonder vragen te stellen. Maar geen van beide paden voelde aan als het mijne, en dus realiseerde ik me uiteindelijk dat ik eigenlijk slechts wilde dit onderwerp op een of andere manier te berde te brengen, zij het op mijn eigen manier.

In deze zin beschouw ik mijn project niet als een replicatie of een heropvoering van het boek – ik zie het eerder als een voorstel met betrekking tot hoe we nog altijd diep ingebed zijn in onze culturele overlevering. Mijn verwijzing naar het boek dient voornamelijk om de connectie tussen de oriëntalistische traditie en seksueel verlangen te benadrukken, waarvan ik meen dat het een interessante lens blijft waardoor we onze huidige verhouding tot de ‘Ander’ kunnen analyseren, hoe problematisch en dubbelzinnig die verhouding ook moge zijn.

Ik wilde het project niet losmaken van de traditie van illustratie... Ik wilde niet dat mijn werk het verhaal de ene bladzijde na de ander zou volgen, met afbeeldingen die vervolgens naar specifieke passages zouden verwijzen. In zoverre ik het begrijp, heeft de schilderkunst altijd in de geschiedenis naar literaire bronnen verwezen, of dat nu de bijbel is of Griekse mythen, en mijn werk zoekt naar hedendaagse ‘ingangen’ in deze vorm van het maken van kunst. Daarom wilde ik de illustratie omarmen en mijn werk zien als het voortzetten van deze traditie...Deze beelden zijn illustratief, maar ik hoop dat ze ook op zichzelf kunnen staan.

Bij het fantaseren over het interieur van de harem begon ik me vooral te interesseren in elementen van het decor – kussens, gordijnen, kwastjes, kandelaars – op deze manier schiep ik een soort metataal. Er is een verband met taal in het gebruik van visuele ‘beeldspraak’. Op dezelfde manier waarop je taal kan vervangen door beeld, kwam ik erachter dat ik een been door een kwastje kon vervangen, of billen door een kussen.

Ik denk ook dat deze werken schaamteloos over-the-top zijn omdat ik denk dat er geen enkele reden is voor schaamte. Hoe gevoelig het ook ligt, ik moet mijn besluit doorzetten om een project te maken over dit heikele onderwerp, en ik denk dat dat, als het aan mij ligt, plezier, speelsheid en genot noodzakelijk maakt. Indien De Wellustige Turk gebaseerd is op stereotypen en hoe zij voorwaarde zijn van ons begrip van een ‘Andere’ wereld, en indien ik met betrekking tot deze stereotypen niet de moralist wil uithangen, dan moet ik er gebruik van maken.

Alexander Pope, kleinste dichter ooit

Engelse dichter, nooit groter geworden dan 137 cm

Wilhelm Reich, sextherapeut
Alexander Pope, kleinste dichter ooit

Engelse dichter, nooit groter geworden dan 137 cm

Dames en heren kleine kunstenaars!

Toen ik werd gevraagd hier vandaag een voordracht te houden voor kleine kunstenaars moest ik meteen aan Wilhelm Reich denken. Uit de dikke mist van mijn geheugen sprong Rede an den kleinen Mann tevoorschijn, een hartenkreet van de Pools-Oostenrijkse sextherapeut waaraan ik in geen twintig jaar meer had gedacht. De Rede had destijds indruk op mij gemaakt, niet vanwege het uitgangspunt (de kleine man lijdt onder de grote man), maar door de aanpak. In een directe aanspreekvorm, van man tot man, pepert Reich de kleine man in dat hij zijn benauwde knechtenleven geheel aan zichzelf te wijten heeft.

Wilhelm Reich, sextherapeut
Kleine man!, roept Reich, je bent als de dood voor je eigen kleinheid en daarom sluit je je ogen ervoor. Je veracht jezelf en voelt je het best in de rol van geliefde slaaf. Wat je gegeven wordt neem je, maar zelf geef je alleen wat van je wordt geëist. Je mag de mensen niet je vrijheid nastreven en aan de waarheid heb je een hekel. In plaats daarvan ben je de hele dag bezig met levenstactieken. Je gelooft niet dat iemand die bij je aan tafel zit ooit iets groots zou kunnen presteren, maar alles wat in je krant staat geloof je klakkeloos. Als je mag kiezen tussen naar de bibliotheek gaan of een vechtpartij bijwonen kies je de vechtpartij, en van de grote mannen zie je niet de echte groten, maar alleen de quasi-groten, die zich met vele kleinen omringen. Zo gaat de aanklacht door, de hele Rede an den kleinen Mann lang. Reich voelt met de aangesprokene mee want de kleine man zit ook in hemzelf. Hij ziet alleen niets in halfzachte methodes en daarom stelt hij zich hard op, als een strenge maar rechtvaardige vader. Gelukkig maar, want dankzij die strengheid is Rede an den kleinen Mann een goed boek, ook al wordt het nauwelijks meer gelezen nu de kleine man nagenoeg is uitgestorven.


Hoe anders is het gesteld met de kleine kunstenaar! De kleine kunstenaar lééft, holt zelfs meteen naar de aula als hij hoort dat er een voordracht is speciaal voor kleine kunstenaars.

Kleine kunstenaar!, roep ik dus, tegenover elke droom van een groot kunstenaarschap staan honderd kouwe douches! De kleine man die in je zit is honderd keer makkelijker de nek om te draaien dan de kleine kunstenaar in je. Van de kleine vrouw die in je zit kun je honderd grote maken, maar van de kleine kunstenaar in je niet één groot kunstenaar.

Weet je nog, kleine kunstenaar, wat je zei op dat feestje op die boot, na je eindexamen? 'Nu ben ik een artiest,' zei je, en in je toon zat een vreemde combinatie van zelfspot en eigendunk. Duidelijk was de betrekkelijkheid hoorbaar, het besef dat alles nu pas echt ging beginnen, dat kunstenaar een nog veel te pretentieus woord was en dat je jezelf daarom een artiest noemde, net als de televisiekomiek, de liedjeszanger en de kleinkunstenaar. Tegelijkertijd klonk je heel zelfbewust, net of je al niet meer van hier was en nog uitsluitend sprak in al te letterlijk vertaalde Engelse zinnen als Now I am an artist. Net of je mentaal al over de grenzen van het stadstaatje Holland heen was en al op weg een wereldkunstenaar te worden.

De gespletenheid die je daar liet zien, kleine kunstenaar, is niet toevallig en typeert niet alleen jou, zij doortrekt alles wat kunst is. Er is de kleine kunst, het geploeter dat wordt bespot en vervloekt en doodgezwegen, en er is de grote kunst, zo hoog en heilig verklaard dat je er haast niet meer bij kunt komen. Het niemandsland daar tussenin is als een oceaan zo onafzienbaar. De ene soort kunst is minder waard dan niets, alle geld dat daarin gaat wordt beschouwd als weggegooid. De andere soort kunst is zoveel waard dat het grootste geld erbij verbleekt.

Jij, kleine kunstenaar, mag de oceaan proberen over te steken in een roeibootje. Al komt er een paradijs op aarde, altijd zul je het als kleine kunstenaar moeten blijven doen met de riemen die je nu al hebt. Altijd zul je worden klein gehouden, met harde hand, zonder pardon of medelijden. Dat is het verschil tussen de kleine kunstenaar en de kleine man. De kleine man was klein omdat hij arm en onmachtig was. Hij kon opklimmen, zich vermannen en verenigen en zijn macht en marktwaarde vergroten. Zo kon hij de kleine man in zichzelf overwinnen.

Kleine kunstenaars daarentegen kunnen de kleine kunstenaar in zichzelf nooit overwinnen. Ze blijven altijd klein omdat ze bij elk kunstwerk weer vooraan moeten beginnen. Echte kunst wordt kunstwerk voor kunstwerk uitgevonden. Kunst op zichzelf klimt niet, staat onverschillig tegenover macht en weigert zich te verenigen. Kleine kunstenaars die hun eigen marktwaarde denken te kunnen beïnvloeden zijn het slachtoffer van het Grote Postmoderne Misverstand. Dat zegt dat kunstenaars middenstanders zijn.

Geen honderd cursussen kunstmanagement en geen honderd netwerken, kleine kunstenaar, kunnen je marktwaarde groter maken dan die van een loterijlot: alleen de loterijbaas en de notaris hebben er invloed op. Kleine kunstenaars die dat niet begrijpen hebben de kleine man in zichzelf nog niet overwonnen. De kleine man verrichtte nuttig werk, dat nut kon vergroot worden en die vergroting te gelde gemaakt. Kunst echter heeft geen nut, nuttige kunst is geen kunst.

Niettemin is er weleens een kleine kunstenaar die met zijn roeibootje onverhoeds aanlandt op de kust van de grote kunst. Op één van de honderdduizend loten valt een grote prijs immers. Maar in principe zal de kleine kunstenaar, net als de kleine man dat vroeger deed, moeten afzien: sappelen, zwoegen, kromliggen. Voor altijd, want uitsterven zal de kleine kunstenaar nooit. De kleine kunstenaar moet eeuwig lijden, zo is het nu eenmaal. En dan biedt lijden nog geen enkele garantie voor een grote prestatie, hoe jammer dat ook is voor het Hardnekkige Romantische Misverstand. Dat zegt dat de genialiteit van een met bloed, zweet en tranen gemaakt kunstwerk vaststaat als het door niemand wordt bekeken, begrepen of gekocht.

Kleine kunstenaar!, er is geen frustrerender, geen ondankbaarder, ja geen mensonterender leven dan dat van jou! Je staat op de onderste trede en houdt je vast aan de bovenste en daar tussenin is niets! Het enige dat je gaande houdt is hoop, 'hoop, de vleugels aller tijden,' zoals de kleine dichter zegt. Maar hoop waarop? Zeg niet dat je hoopt een grootheid te worden, kleine kunstenaar, of erger nog, dat je beroemd wilt worden. Een grootheid kun je niet willen worden, grootheid blijkt! Beroemd kun je niet willen worden, beroemdheid wordt gemaakt! Beter dan de kleine kunstenaar in jezelf te overwinnen is het om de grote, beroemde kunstenaar die in je kop zit eruit te gooien.

Alexander Pope, kleinste dichter ooit

Engelse dichter, nooit groter geworden dan 137 cm

Het enige dat je kunt willen is leven voor de kunst, werken, iets maken en iets beters maken, een kunstwerk uitvinden en dan weer een nieuw kunstwerk uitvinden. Het enige dat je kunt willen is weten. Willen weten, kennis, de rest is irrelevant. Wat de aard is van die kennis of waar die vandaan komt, dat doet er niet toe. Bij een goeie vechtpartij is evenveel te leren als in een bibliotheek.

De legendarische wereldkampioen boksen Mohammed Ali heeft eens een toespraak gehouden voor studenten van de Harvard-universiteit. Hij zei: 'Op mijn eigen manier studeer ik ook een heleboel. Maar daar betalen de mensen niet voor, de mensen betalen voor dwaasheden. De wijze kan de dwaas spelen maar de dwaas kan niet de wijze spelen. Ik speel heel wat af.'

Een groot kunstenaar, kleine kunstenaar, Mohammed Ali...

“That which is creative, creates itself” – John Keats

“Wat onbewust is, is per definitie niet te kennen omdat het onbewust is” stelde Jaap van Heerden in 1982. Als kunstenaar heb ik echter geleerd het onbewuste denken te gebruiken, richting te geven en te vertrouwen.

De intentie overal onconventionele mogelijkheden te zien en relevante artistieke problemen te ontdekken belast mijn denken maar bezielt mijn kunstenaarsbestaan. Ik word gedreven door het geheim, het verlangen en de belofte. Voorstellingen van nog niet bestaande situaties en objecten dienen zich aan tijdens dagdromen, het voortkabbelend innerlijk gesprek of bij het werken zelf. Doelloos denken is voorwaardelijk voor het ontdekken van nieuwe verbanden en betekenissen.

Door het koesteren van deze TUT’s (task unrelated thoughts) ben ik in staat onverwachte ingangen en bruikbare metaforen te vinden die leiden naar ontelbare interpretaties van ambigue betekenissen die in het brein opgeslagen liggen. Een idee begint met een mentaal beeld en vereist iets dat zich in eerste instantie als precognitief gemompel aandient. Ik heb leren luisteren naar dit breingebabbel en probeer het in mijn werk te verbinden met het innerlijk gemompel van anderen. Kunstenaars moeten eerst naar zichzelf luisteren om te kunnen spreken.

Ideeën krijg ik in de vroege ochtend. Overdag werk ik ze uit. Tussen 3 en 5 uur in de nacht ben ik wakker;‘L’heure bleue’;stilte. Tijdens die luttele uren hebben flarden van gedachten, onbereikbaar geworden herinneringen en onsamenhangende kennis zich aaneen gesmeed tot invallen, oplossingen of nieuwe ideeën. Overdag, geef ik richting aan het denken voor de volgende nacht. Mijn gedachten zijn grotendeels doelloos maar ik ben alert en geconcentreerd om denkbeelden als potentieel waardevol te herkennen als die zich vanuit de precognitieve ruimte losmaken. Focussen werkt averechts.

Sterren ziet men pas door er langs te kijken. Van een concreet idee is dan nog geen sprake.

Terwijl ik routinematig werkzaamheden uitvoer weet ik dat mijn denken over artistieke problemen, zij het onbewust, doorgaat. Tijdens het uitvoeren is sprake van een dialectisch proces tussen denken en doen, tussen weten en voelen en tussen kiezen en beslissen. Elke uitspraak, elk kunstwerk is in die zin op te vatten als een artistieke hypothese die door een volgend werk verworpen kan worden. Tijdens het maken moeten talloze keuzes gemaakt worden op grond van kennis van het kunstdiscours, expliciete en impliciete theorieën, intuïtieve inzichten, visuele en emotionele herinneringen en esthetische voorkeuren. Er vindt continue interactie plaats tussen doelstellingen en zich in het werk aandienende kansen. Het denken voltrekt zich grotendeels buiten het bewustzijn maaris doelmatig en resultaatgericht. Het werk weerspiegelt dit proces en is de ultieme synthese van denken en doen. Het is in die zin gematerialiseerd denken.