241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

De Wellustige Turk is een pre-Victoriaanse roman die in Engeland in 1828 uitkwam, geschreven in de vorm van een correspondentie tussen de heldin, Emily Barlow, en haar vriendin, Sylvia Carey. Op zeiltocht naar India wordt Emily gekidnapt door Moorse piraten en wordt tegen haar wil een van de vrouwen in de harem van Ali, Dey van Algiers. Hoewel ze zich aanvankelijk verzet, wekt Ali haar sluimerende seksualiteit en ze begaat vrijwillig sodomie, een groot taboe in het Engeland van destijds. Wanneer Ali ook Emily’s penvriendin Sylvia met een list naar Algiers weet te krijgen en haar in weet te lijven in zijn harem, volgt een soortgelijke seksuele ontwaking. Sylvia weigert echter sodomie te bedrijven, hetgeen haar ertoe drijft zijn penis bruut te amputeren. Aangezien hij nu ontmand is, stuurt Ali de vrouwen terug naar Engeland. Emily komt terug naar huis met Ali’s geamputeerde fallus bij zich, geconserveerd in een pot met sterk water.

De volgende tekst komt uit een gesprek tussen de kunstenaar, Patrizio di Massimo, en Robert Leckie in oktober 2013.

Ik kwam De Wellustige Turk tegen bij het lezen van Edward Saids Oriëntalism - een boek dat de grondlagen legde van postkoloniale theorie – gedurende mijn MA aan de Slade School of Fine Art, in 2009.

Edward Said vermeldt De Wellustige Turk – hetgeen anoniem is gepubliceerd - en beschrijft het als een “zwart boek” van westers oriëntalisme. Geïntrigeerd als ik was, kocht ik snel een herdruk online. Toen ik er voor het eerst doorheen bladerde vond ik het een erg merkwaardig document. De Amerikaanse academicus Steven Marcus beschrijft het helder als zoiets als [ik citeer] “een stolsel van de stereotypen die het Westen heeft geproduceerd over de Oriënt.” Maar ook de erotische, oriëntale enscenering fascineerde me – je zou kunnen zeggen dat ik deelde in de fascinatie van de auteur. En dit terwijl ik het boek oorspronkelijk tegenkwam via Said en dus wist hoezeer het was verankerd in de slecht geïnformeerde autoriteit van westerse ‘kennis’ over de Oriënt.

Nadat ik De Wellustige Turk had ontdekt, vroeg ik me een lange tijd af wat voor vorm mijn engagement zou moeten aannemen. Ik begon ruwweg drie jaar geleden, terwijl ik het boek las, met het maken van tekeningen, die ik nooit heb tentoongesteld. Ik deed destijds een residency bij De Ateliers in Amsterdam en ik herinner me dat ik poogde het project te beschrijven voor een paar leraren en medekunstenaars. Mijn ideeën waren, toegegeven, erg vaag en hoewel sommigen het een veelbelovend vooruitzicht vonden, hielden anderen vol dat ik het project niet zou moeten doorzetten, dus dat heb ik niet gedaan. Pas een paar jaar later kwam ik terug bij het idee, na een uitnodiging te hebben ontvangen van Alessandro Rabottini om een solotentoonstelling te presenteren bij de Villa Medici in Rome.

Het pad dat naar die tentoonstelling leidde was hobbelig en ik vorderde op een frustrerend langzaam tempo. Als ik terugkijk, denk ik dat ik met drie voornaamste moeilijkheden te kampen had: hoe zo’n beladen onderwerp niet banaal te maken, hoe zo’n interpretatie te vertalen naar de schilderkunst, en hoe de tekst te ‘volgen’, of juist niet. Ik denk dat het opnieuw aan de slag gaan met de culturele productie uit het verleden ons kan aanmoedigen om opnieuw stil te staan bij wat, waar en hoe we geweest zijn, wat cultuur betreft. En hoewel De Wellustige Turk misschien niet iedereen interesseert, blijven we allemaal beïnvloed door de manier waarop westerse wereldrijken de verhoudingen tussen verschillende landen in de koloniale epoche hebben verstoord. De verbijsterend simplistische en radicaal aan elkaar geopponeerde relatie tussen Oost en West, die zo grotesk wordt geportretteerd in het boek, is nog steeds politiek relevant en het Oosten wordt nog steeds tot fetisj gemaakt. Voor de schrijver van De Wellustige Turk was de Oriënt de plek bij uitstek om een reeks gefantaseerde seksuele ontmoetingen te situeren die niet waren toegestaan in het pre-Victoriaanse Engeland. Voor ons is, naar ik meen, het scheppen van de nodige ruimte voor discussie over hoe seksueel verlangen in de Arabische wereld wordt afgeschilderd, cruciaal voor ons begrip van die cultuur.

Toen ik dit project begon dacht ik veel na over wat voor standpunt ik zou innemen. Ik zou bijvoorbeeld door kunnen gaan met mijn moralistisch oordeel en mijn politieke correctheid en het boek als niets anders dan een embleem van een achterhaalde en ‘racistische’ cultuur kunnen beschouwen, of ik zou het zeer dubieuze motief van de auteur kunnen adopteren en mijn werk met het zijne verweven zonder vragen te stellen. Maar geen van beide paden voelde aan als het mijne, en dus realiseerde ik me uiteindelijk dat ik eigenlijk slechts wilde dit onderwerp op een of andere manier te berde te brengen, zij het op mijn eigen manier.

In deze zin beschouw ik mijn project niet als een replicatie of een heropvoering van het boek – ik zie het eerder als een voorstel met betrekking tot hoe we nog altijd diep ingebed zijn in onze culturele overlevering. Mijn verwijzing naar het boek dient voornamelijk om de connectie tussen de oriëntalistische traditie en seksueel verlangen te benadrukken, waarvan ik meen dat het een interessante lens blijft waardoor we onze huidige verhouding tot de ‘Ander’ kunnen analyseren, hoe problematisch en dubbelzinnig die verhouding ook moge zijn.

Ik wilde het project niet losmaken van de traditie van illustratie... Ik wilde niet dat mijn werk het verhaal de ene bladzijde na de ander zou volgen, met afbeeldingen die vervolgens naar specifieke passages zouden verwijzen. In zoverre ik het begrijp, heeft de schilderkunst altijd in de geschiedenis naar literaire bronnen verwezen, of dat nu de bijbel is of Griekse mythen, en mijn werk zoekt naar hedendaagse ‘ingangen’ in deze vorm van het maken van kunst. Daarom wilde ik de illustratie omarmen en mijn werk zien als het voortzetten van deze traditie...Deze beelden zijn illustratief, maar ik hoop dat ze ook op zichzelf kunnen staan.

Bij het fantaseren over het interieur van de harem begon ik me vooral te interesseren in elementen van het decor – kussens, gordijnen, kwastjes, kandelaars – op deze manier schiep ik een soort metataal. Er is een verband met taal in het gebruik van visuele ‘beeldspraak’. Op dezelfde manier waarop je taal kan vervangen door beeld, kwam ik erachter dat ik een been door een kwastje kon vervangen, of billen door een kussen.

Ik denk ook dat deze werken schaamteloos over-the-top zijn omdat ik denk dat er geen enkele reden is voor schaamte. Hoe gevoelig het ook ligt, ik moet mijn besluit doorzetten om een project te maken over dit heikele onderwerp, en ik denk dat dat, als het aan mij ligt, plezier, speelsheid en genot noodzakelijk maakt. Indien De Wellustige Turk gebaseerd is op stereotypen en hoe zij voorwaarde zijn van ons begrip van een ‘Andere’ wereld, en indien ik met betrekking tot deze stereotypen niet de moralist wil uithangen, dan moet ik er gebruik van maken.

Zacht, bleekroze en stevig. God heeft prachtige billen. Dat kan natuurlijk ook niet anders, het is tenslotte God. Ik zag ze inVerborgen musea – Erotische kunstvan Peter Woditsch (2008), een documentaire over geheime erotische kunstverzamelingen. Daarin vertelt professor Charles Méla over de goddelijke billen die Michelangelo in de vijftiende eeuw in de Sixtijnse Kapel schilderde. Ze worden door zo’n vier miljoen mensen per jaar bezichtigd. Hoe durfde Michelangelo? Heeft opdrachtgever paus Sixtus IV het niet opgemerkt, zag hij het in naam der artistieke vrijheid door de vingers, of vond hij het een geslaagde grap? Michelangelo onthult het achterste van de schepper terloops. Als in een snapshot lijken ze haast per ongeluk op het schilderij te zijn gekomen, omdat God zich na het vervaardigen van de zon en de maan en het scheiden der elementen bruusk omdraait, zodat zijn billen tussen zijn wapperende gewaden door zichtbaar worden.

Het is ongelooflijk: in het hart van Vaticaanstad zweeft Michelangelo’s God al eeuwen in deze compromitterende positie boven de lokale geestelijke bevolking in haar lange habijten, boven de toeristen die hun schouders en knieën van de paus moeten bedekken. Het grappige is, dat ik jaren geleden zelf als scholier onder Michelangelo’s fresco-gewelf heb gestaan en niets in de gaten had. Ik zal de hemelse billen hoogstens werktuiglijk hebben geregistreerd. Als er een gids was geweest die had gewezen en gezegd: ‘Kijk, de billen van God!’ had ik ze waarschijnlijk heel opmerkelijk gevonden, maar op eigen kracht en zonder hulp van de taal was ik ziende blind geweest. Ik zag wat ik verwachtte te zien: vrome kunst. Elk spoor van onheilige erotiek was aan mij verspild.

Nu weet ik dankzij Peter Woditsch’ documentaire dat het Vaticaan een van de grootste collecties pornografie ter wereld bezit. Teneinde na de uitvinding van de boekdrukkunst grip te houden op de nieuwe stroom blasfemische en onzedelijke teksten en illustraties zette de katholieke kerk de Index librorum prohibitorum op: een lijst van verboden boeken. Om deskundig te kunnen verbieden hield men nauwgezet in de gaten wat er allemaal voor verderfelijks op de markt kwam. De Index-collectie is helaas niet publiek toegankelijk, maar kunstenaar en verzamelaar Jean-Jacques Lebel mocht er ooit een blik op werpen. Hij zag kasten vol mannelijke geslachtsdelen. Afkomstig van klassieke beelden, aangekocht door kunstminnende pausen. De beelden werden voor ze in de wandelgangen van het Vaticaan mochten plaatsnemen ontmand, hun penissen netjes geëtiketteerd en opgeborgen. De castratiewonden werden afgedekt met marmeren vijgenblaadjes. Eerst werd ik erg vrolijk bij de gedachte aan deze opgeborgen geslachten, maar nu de gedwongen castratie van Henk Heithuis aan het licht is gekomen valt er minder te lachen.

Andere museale instellingen hebben hun doorgaans heidense erotische kunst anders aangepakt. Zo staat er in de Villa Borghese in Rome een beeld van een hermafrodiet die op zijn of haar zij ligt te slapen. De zijde waar je kan zien dat het beeld zowel borsten als een penis bezit, is tegen de muur geschoven. De argeloze bezoeker ziet slechts de achterkant en heeft de tweeslachtigheid van het beeld niet in de gaten. Als ik aan mijn jeugdige desinteresse voor de billen van God denk, zou ik haast denken dat de Villa Borghese zich de moeite van het omdraaien van het beeld had kunnen besparen.
Ook Jean Michel Traimond, gids in het Louvre en het Musée d’Orsay in Parijs, heeft vaak gemerkt dat mensen niet lijken te beseffen waar ze naar kijken. En dat is maar goed ook wat hem betreft, want hij vindt dat jonge meisjes, kinderen en beschroomde mensen in een museum niet geconfronteerd horen te worden met seks. Als voorbeeld van zo’n onzedelijk beeld toont hij een centaur die een Bacchante omarmt, van de Zweedse beeldhouwer Sergel. Aan de ene kant houdt de centaur de arm van de priesteres vast, aan de andere kant zie je dat hij ook een hand op haar billen heeft gelegd, en met één vinger haar anus streelt en met een andere haar vagina betast. Volgens Jean Michel Traimond heeft de gemiddelde museumbezoeker dat niet in de gaten, omdat hij een museum beschouwt als een achtenswaardig oord waar geen plaats is voor primitieve driften. ‘Kunst is iets voor de bourgeoisie, een genot voor de elite. Voor het grote publiek is het ondenkbaar dat iets ‘laags’ als erotiek ook als kunst wordt beschouwd.’

Hoe langer je erover nadenkt hoe wonderlijker het wordt: de enigen die zich een beetje gedragen in een museum zijn de bezoekers, alle beelden staan stijf van seks en geweld. Ik ga snel weer eens naar het Rijksmuseum en het Allard Piersson, ik ben benieuwd wat er te zien is nu mijn ogen eindelijk geopend zijn.

http://www.lucyindelucht.nl/andere-kijk/columns-van-richtje/de-billen-van-god

·