241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

“Het meest perfecte, meest veelzijdige, meest beroemde Amerikaanse model: haar gezicht en figuur hebben duizenden moderne meesterwerken geïnspireerd.”

Aan het begin van de 20ste eeuw was de socialite Audrey Munson, ook wel bekend als Miss Manhattan, een enorme muze en het meest gewilde model van New York waardoor haar beeld alomtegenwoordig werd op zowel doek als steen. En nog steeds is haar beeltenis te zien in vele hoeken van Manhattan: van de Pulitzer fontein tot het Civic Fame beeld: het grootste beeld van de stad na het Vrijheidsbeeld.

Haar bekendheid en populariteit waren zo groot dat haar beeld tijdens de Panama Pacific International Exhibition van 1915 bijna alle geëxposeerde werken sierden.

In 1915 verliet Audrey New York om in Californie een carrière in de gloednieuwe filmindustrie achterna te gaan. Hier speelde ze in een aantal films waaronder Inspiration, waarin ze de eerste actrice zou zijn om naakt te verschijnen in een niet pornografische film.

In Californie huurde ze een kamer in het huis van een dokter. Uit jaloersheid voor een mogelijke liefdesaffaire stuurde de vrouw van de doktor Audrey weg. Niet lang daarna werd de vrouw dood gevonden, en werd de doktor veroordeeld voor moord. Voordat hij kon worden executeert, hing hij zichzelf op in zijn cel.

Civic Fame building, NYC

Na dit schandaal waren haar carrière en haar reputatie verwoest, en begon zij af te dalen in een neerwaartse spiraal. Ze beschuldigde “hogere machten” voor het uiteenvallen van haar carrière en verzon een verloving aan ene Joseph J. Stevenson. Toen Stevenson, die niet bestond, volgens Audrey de huwelijk afblies, nam zij een dosis kwik om een einde aan haar leven te maken.

Melvin Memorial, Massachussets

Hoewel ze de zelfmoordpoging overleefde, ging haar geestelijke gezondheid steeds verder achteruit en werd ze op haar 39ste in een psychiatrische inrichting geplaatst. Hier zou ze 65 jaar verblijven om op 105 jarige leeftijd te overlijden.

Kasteel, nachtclub, palazzo.

Jonkheer, hertog, baron.

Industriëlen en rock chic.

Jazzpianisten, acrobaten, Coco Chanel.

Achthonderd kwartflessen van de allerbeste champagne, fonkelend in de ochtendzon.

Minks, nerts’ en sabelbonts zachte streling.

Smoking en black tie.

Celebrities met cheetah of leeuwenwelp aan de lijn.

Het blauw geverfde doodshoofdaapje op de schouder van de gastheer, de gedrogeerde boa constrictor in het decolleté van de markiezin.

Yves Saint Laurent, Pierre Cardin en Christian Dior.

Salvador Dalí’s wandelstok van oud-Catalaans notenhout, meetikkend op de maat van een wals; rode mieren krioelen tussen de dubbele glazen van zijn bril, Amanda Lear aan zijn zijde.

Arm in arm met Kees van Dongen, Tristan Tzara en Marcel Duchamp: graaf en gravin de Noialles.

‘Een verdwenen wereld’ noemt Nicholas Foulkes* de traditie van het gekostumeerde bal in de kringen van oude adel, haute bourgeoisie en kunstenaars.

‘Een bal geven is niet hetzelfde als jezelf kostelijk vermaken,’ liet baron De Rothschild weten toen hij aan het eind van zijn bancaire leven zijn memoires schreef. De gefortuneerde liefhebber van extravaganza somde eens nauwkeurig alle voorbereidingen op die nodig zijn voor een geslaagd gekostumeerd bal; van de tafelschikking tot het bloemenarrangement, van de juiste belichting en decoraties tot aan de keuze van de gasten en de menulijst: de organisatie van een high concept-feest blijkt even gecompliceerd als die van een museumtentoonstelling, militaire operatie of theaterstuk in meer bedrijven.

Nooit mogen de gastheer en -vrouw het uiteindelijke doel uit het oog verliezen: de feestelijke ontsnapping aan de grauwe werkelijkheid. ‘Is het niet onze taak,’ schreef Rothschild, ‘om, ieder naar zijn eigen stijl en smaak, het leven te verrijken met wat overbodig en weelderig is en het te verfraaien met een paar flitsende, korte momenten van ongrijpbare schoonheid?’

Het bal als zorgvuldig georkestreerd moment van vervoering, een roes van luxe, beauté, volupté, een hypergestileerde vlucht in een andere tijd, een verfijnd Gesammtkunstwerk, even vluchtig als de ijle fragrance van een jasmijnparfum uit de Shanghaidelta... Ontsnapt aan je alledaagse zelf leef je dubbel intens.

Stijl is alles, schreef dichter-van-de-goot Charles Bukowski eens. (‘Style is the difference, a way of doing, a way of being done./ Six herons standing quietly in a pool of water,/ or you, naked, walking out of the bathroom without seeing me.’)

Stijl is wat de balbezoeker onderscheidt van de gewone man.

Stijl is wat de deelnemers in hun kostbare kostuums ervan weerhoudt weg te zakken in een zompige alcoholische roes.

Hen zul je niet aantreffen in een achterafsteegje, de met kreeftvlekken besmeurde black tie hangend op de navel, gescheurde spaghettibandjes fladderend in de koele ochtendwind, schreeuwend naar de daken of hysterisch androgyne liefdesverklaringen aan Amanda Lear stamelend.

Wie het kostuum aantrekt van een zeventiende-eeuwse zonnekoning, zich vermomt als baron Charlus uit Marcel Prousts À la recherche du temps perdu of zich als mysterieuze prinses van achter de Bosporus verkleedt, vindt zijn bedwelming in de perfecte stilering, constateert Nicholas Foulkes in zijn erudiete studie van de sociologie van het bal.

Hij selecteerde foto’s van het Romanov Ball uit 1903 in Sint-Petersburg, waar vrijwel alleen hoge Russische adel aanwezig was, tot aan het door baron en barones De Rothschild in 1971 georganiseerde The Proust Ball, dat werd bezocht door de jetset van de jaren zeventig, die curieuze mix van lagere adel, popsterren, kinderen van de Zeer Rijken (‘spoiled brats’) en beroemde schrijvers en filmsterren.

Het was het bal waar hoffotograaf en estheet Cecil Beaton vilein opmerkte dat Elizabeth Taylor er zo schokkend vulgair uitzag, ‘een superbejaarde Assepoester met plompe, ruwe handen en een te grote diamant om haar nek.’

Daarna, zei Rothschild, leek het alsof er een einde was gekomen aan een tijdperk.

De tijdelijkheid van het bal komt overeen met de tijdelijkheid van de roes. Wat ervan overblijft is – cliché der clichés – de herinnering. De nabeelden die zich in de harde geheugenschijf nestelen zijn die van de meeslepende mise-en-scène, het decor dat de gasten de indruk gaf zich in een andere tijd te bevinden; om nog maar te zwijgen van de hoogstandjes van de chef-kok, de oogverblindende kostuums en de kwikzilveren je ne sais quoi-sensatie die zo kenmerkend is voor alle feestelijke bijeenkomsten waar de champagne stroomt.

Het is precies dat vliedende, kortstondige gevoel dat fotografen als Man Ray, Cecil Beaton, Baron de Meyer en Horst P. Horst wisten vast te leggen, en dat zo anders is dan de herinnering aan het doorsnee feest.

Kijk ’s naar die Eyes Wide Shut-achtige opname van Jacqueline de Ribes, nicht van graaf Étienne de Beaumont, het brein achter vele spraakmakende bals uit de periode 1915-1955. Op het bal van Don Carlos de Beistegui verscheen zij in drievoud, geflankeerd door twee vrouwen van dezelfde lengte en ongeveer hetzelfde postuur, verscholen achter identieke maskers, gekleed in dezelfde jurken, van identieke juwelen en kapsels voorzien. Een imposant staaltje stilering, een perfecte verdwijnact van het ego, een waarachtig kunstwerk, ‘dat een paar uur tot leven komt, de nacht verlicht in al zijn meerkleurige pracht en uitdooft bij het eerste licht van de langzaam tevoorschijn kruipende grijs-roze dageraad’. En dat is precies zoals het geweest moet zijn. Jammer genoeg waren we er niet bij.

Nicholas Foulkes, Legendary Costume Balls of the Twentieth Century. Assouline Publishing, New York, 2011.

* Nicholas Foulkes schreef er het luxueus uitgegeven Legendary Costume Balls of the Twentieth Century over, waarin negen beroemde balfeesten uit de twintigste eeuw in woord en beeld voorbijtrekken.

Galina Ustvolskaya is geen gewone held. Ze is een anti-held. Ze heeft er alles aan gedaan om niet bekend te worden, laat staan beroemd. Het is haar niet gelukt. Daarvoor is Ustvolskaya’s muziek te onontkoombaar overweldigend.

Ze heeft 25 werken nagelaten, totaal zes uur muziek. Maar elk werk is een monument, letterlijk en figuurlijk. Na afloop van het concert dat in 1996 in het Concertgebouw in Amsterdam plaatsvond en waar het Koninklijk Concertgebouw Orkest onder leiding van Mstislav Rostropovitch ondermeer de Symfonie nummer 2 van Galina Ustvolskaya had uitgevoerd, was het publiek letterlijk met stomheid geslagen. Men was zo verpletterend onder de indruk, dat het minutenlang doodstil bleef alvorens een ovatie losbarstte. Voor Ustvolskaya telde alleen de muziek, de rest: ijdelheid. Daarom en om de fabelachtige kracht van haar muziek is ze een held voor mij.

In de documentaire van Cherry Duyns, waarin Reinbert de Leeuw de teruggetrokken componiste (Ich bin menschenscheu) bezoekt, vangen wij een glimp op van het flatgebouw waar zij vrijwel haar hele leven woonde en van haar piepkleine flatje zelf.