241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Museum Vrolik
Museum Vrolik, waterhoofd
Museum Vrolik

Museum Vrolikinianum, de privécollectie van Gerard Vrolik (1775-1859) en zijn zoon Willem (1801-1863), was gevestigd in het statige woonhuis van Gerard aan de Amstel. Het museum was in de negentiende eeuw uitgegroeid tot een vermaarde collectie, waaraan wetenschappers uit binnen- en buitenland zich kwamen vergapen. Vader Gerard Vrolik, hoogleraar plantkunde, verloskunde, anatomie en chirurgie, verzamelde vooral op het gebied van pathologische anatomie, een vakgebied dat in zijn tijd sterk in opkomst was. Zoon Willem, hoogleraar anatomie, fysiologie en dierkunde, prefereerde de vergelijkende anatomie en aangeboren afwijkingen.

Toen Willem Vrolik in 1863 stierf telde Museum Vrolik 5103 objecten. Hieronder bevonden zich zeldzame aangeboren afwijkingen zoals ‘dubbelde misgeboorten,’ cyclopen en sirenen, tientallen ‘ziekelijk misvormde beenderen,’ twee skeletten van dwergen, een enorme schedel van een volwassen man met waterhoofd en het skelet van de leeuw die koning Lodewijk Napoleon ooit bezat.

Museum Vrolik, baby met een oog

De weduwe Vrolik zag wel wat in verkoop van deze enorme verzameling. De collectie dreigde te worden opgedeeld en naar het buitenland te worden verscheept. ‘Een verlies voor de stad!’ oordeelde een aantal vooraanstaande Amsterdammers. Ze kochten de verzameling van de weduwe Vrolik en schonken hem aan het Athenaeum Illustre, de voorloper van de Amsterdamse universiteit.

Vanaf de jaren ‘50 en ‘60 van de negentiende eeuw hield een ‘gewone’ anatoom zich niet meer bezig met ziekten en dus ook niet met het collectioneren op dat gebied. Bovendien zorgde de evolutietheorie van Darwin (1859) voor een hele nieuwe kijk op het ontstaan van soorten. In de ideeënwereld van Willem Vrolik was een door god gegeven ‘vormkracht’ nog verantwoordelijk voor de ontwikkeling van een levend wezen, maar Darwins selectietheorie maakte die kracht overbodig.

De collectie-Vrolik vormt een ware tijdscapsule van vlak vóór de grote medische en wetenschappelijke veranderingen die de nieuwe tijd zou brengen, de negentiende-eeuwse wetenschappelijke ziel bleef in de verzameling.

Sinds september 2012 is de vaste presentatie van museum Vrolik geheel vernieuwd.

Het ‘nieuwe’ Museum Vrolik is een echt collectiemuseum geworden met ruim 1000 preparaten, skeletten en schedels. Er is geen duidelijke looproute: mensen kunnen dwalen langs de vitrines en zich verwonderen over een aangeboren afwijking of onze eigen bouw, ze kunnen speuren, zich verwonderen en vergelijkingen maken.

Ad Reinhardt, Moma
Ad Reinhardt, Moma

Wat heeft dit voor te stellen? Kunst als onderzoek.

Plotseling heeft iedereen het over ‘onderzoek in de kunst’ en over ‘de kunstenaar als onderzoeker’. Kunstenaars en vormgevers kunnen sinds kort promoveren aan de universiteit van Leiden, er is een nieuwe Master Artistic Research gestart aan de KABK, kunstdocenten doen onderzoek. Wat wordt eigenlijk met dit onderzoek bedoeld?

Zijn zwarte schilderijen gaan over “niets”, zei Ad Reinhardt (1913 – 1966). In de eerste van deze schilderijen, gemaakt in 1953, waren nog donkere tonen groen, rood en blauw te onderscheiden. Ook de formaten varieerden. Maar vanaf 1960 tot aan zijn dood schilderde Reinhardt niets anders dan zwarte doeken op identiek formaat, vijf bij vijf voet (157,5 x 157,5 centimeter). Hij “schilderde de allerlaatste schilderijen”, zei hij, “de laatste die je maken kan”.

Strenge schilderijen zijn het, al zijn ze minder streng dan je op het eerste gezicht zou denken. Ze zijn niet egaal zwart, de verf is op de ene plek matter, vangt meer licht, dan op een andere plek. Wanneer de blik langs het oppervlak glijdt zie je vierkanten in de verf, en Griekse kruisen. Voor het overige is afgedaan met zo’n beetje alle kenmerken van een schilderij: voorstelling, compositie, penseelstreek, expressie, kleur. Toch zijn ze niet anoniem of mechanisch. Het zwart ademt, is ruimte. Deze schilderijen zijn bijzonder kwetsbaar, want Reinhardt gebruikte de kleinst mogelijke hoeveelheid bindmiddel zodat de verf bijna puur pigment is. Het zwarte vlak is peilloos diep, en alle licht verdwijnt in de diepte.

Reinhardt dankt zijn belangrijke positie in de moderne kunst aan deze zwarte doeken en aan zijn radicale opvatting van schilderkunst. Maar bij het bredere publiek was hij op een heel andere manier bekend, namelijk als cartoonist bij onder andere het tijdschrift de New Yorker. In 1946 maakte Reinhardt een serie cartoons getiteld “How to Look at Modern Art”. Uit deze serie komt de tekening “How to Look at a Cubist Painting” die hier is afgebeeld.

Een kubistisch schilderij dient een spottende beschouwer van repliek. “To represent” heeft in het Engels dezelfde dubbele betekenis als in het Nederlands: “voorstellen” in de zin van “weergeven” of “afbeelden”, én “voorstellen” in de denigrerende betekenis van “dat stelt niet veel voor”, “dat heeft niet veel te betekenen”. Met de boze wedervraag “Wat stel jíj eigenlijk voor?” werpt het schilderij de beschouwer op zichzelf terug.

En dit is precies wat gebeurt bij het kijken naar een kunst. Het kunstwerk zwijgt, het werpt je op jezelf terug. In tegenstelling tot vrijwel alle andere kunstvormen, als toneel, muziek, dans, literatuur, neemt het kunstwerk je niet direct mee. Dit zwijgen geldt niet alleen voor schilder- en beeldhouwkunst, maar in het algemeen ook voor performance en voor video, film en akoestische kunst: er wordt weinig ‘gezegd’, er is geen lot, of nauwelijks. En er is zelden een strikt voorgeschreven tijdsduur. Het kunstwerk ontvouwt zich in de tijdsspanne die de beschouwer kijkend doorbrengt. Het ‘verhaal’ dat ontstaat is de uitwisseling tussen kijker en kunstwerk.

Het kunstwerk geeft zich pas bloot na inspanning van de kant van de beschouwer. De beschouwer moet de eerste stap zetten, zich open stellen, zijn vooroordelen opzij zetten. Dan kan hij in het werk doordringen, en in gesprek gaan met het kunstwerk. In deze dialoog wordt de afstand tussen de ene denkwereld en de andere overbrugd. Deze ervaring van in gesprek te zijn met het kunstwerk maakt bewust van de activiteit van het eigen denken, en van te leven, levend te zijn. Zoals de filosoof Hans-Georg Gadamer zei: de ervaring van kunst is een “zijnsvermeerdering”. Dit is wat kunstwerken belangrijk maakt.

Kijken is moeilijk, zei Reinhardt, en we kunnen het leren van de kunst. Dit geldt niet alleen voor de beschouwer, maar ook voor de kunstenaar zelf. Het kunstwerk is het resultaat van een verlangen om iets te maken en om iets te zien, deze twee dingen samen. De kunstenaar is de eerste beschouwer van het werk. Hij moet leren zien wat hij gemaakt heeft en de betekenis ervan herkennen. Dit is reflectie: het nadenken over de eigen ervaring en over het wat en waarom van wat gemaakt is, met als doel de structuur van het werk op te helderen en er een basis en een context voor te vinden. Deze reflectie kan alleen plaatsvinden wanneer de maker afstand neemt van de ervaring van het maakproces. Om vervolgens, als het werk nog niet af is, de draad weer op te pakken.

Onderzoek in de kunst heeft de reflectie op het eigen werk tot onderwerp. Hierbij is het maakproces belangrijker is dan het eindprodukt. Kunstenaar-onderzoekers delen de reflectie met anderen, door middel van gesprekken, debatten, publicaties enzovoort, en worden hierdoor gevoed.

maken = denken
denken =spreken
spreken = denken
denken = maken