241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Ze waren streng, maar liefdevol. Met eten kwam hij nooit te kort. Al was het zelden lekker. Hij deed er zo lang over om zijn bord leeg te krijgen, dat de laatste happen meestal koud waren. Bij het op straat spelen vonden geen noemenswaardige voorvallen plaats. Op zijn rapporten kwam zo nu en dan een onvoldoende voor. Het liep gesmeerd. Er was maar een ding dat hem zorgen baarde. Zorgen baren is te sterk uitgedrukt, iets dat hem opviel. Ergens moest een foutje zijn ingeslopen. Iets waar hij geen vat op had. Geen vloek die op hem rustte, maar zeker ook geen zegen.

Klassen werden regelmatig door de leerkracht in een rij opgesteld. Een rij was de meest overzichtelijke manier om een groep te vervoeren van A naar B. Van het klaslokaal naar het schoolplein als het speelkwartier was, over straat naar het zwembad als het schoolzwemmen was. In de rij staan was leuk, dan stond er iets te gebeuren, iets anders tenminste dan in de schoolbank zitten. Maar niet altijd kondigde de rij iets plezierigs aan. Als de klas op een ongebruikelijk tijdstip in de rij werd gezet, kon je er donder op zeggen dat aan het eind van een lange gang iemand in een witte jas stond te wachten met een injectienaald. Of beneden in het kamertje van het hoofd had de schooltandarts zijn intrek genomen. En of de duvel ermee speelde, altijd was hij de eerste die naar voren moest komen. Om zijn arm te ontbloten, zijn mond open te sperren. Het duurde even voordat hij het in de gaten kreeg. Toen nog even voor hij bedacht dat er misschien iets mis met hem was dat het lot hem steeds als eerste aanwees.

Hij begon er thuis over, boven een van de borden die maar niet leeg wilden. Zijn vader nam hem apart, op zich al een veeg teken. Het was zeker iets uit de wereld der volwassenen. Iets waarvan de reikwijdte moeilijk te overzien was.

"Duizenden jaren geleden en niet eens in ons eigen land, heeft iemand het alfabet bedacht. Hoe dat precies in zijn werk ging weten we niet, maar uiteindelijk is het er op uitgedraaid dat de letter A vooraan is komen te staan. En zo is het gebleven. Denk niet dat de A ooit naar een andere plek in het alfabet zal verhuizen. Er staan niet veel dingen vast, maar dat wel. Net zoals de A ook de eerste letter blijft van Aarsman. Daarom staat een Aarsman in rijen vaak vooraan. Tenminste als de rij in alfabetische volgorde wordt opgesteld. Natuurlijk zijn er wel meer namen die met een A beginnen. Maar hoeveel zijn er waarvan de tweede letter ook een A is? Daarom worden Aarsmannen bijna altijd als eerste naar voren geroepen. Het pakt wel eens verkeerd uit, maar vaak is het juist handig om de eerste te zijn. Wanneer er iets leuks gaat gebeuren, sta jij ook vooraan. Als Sinterklaas op school komt en jullie worden naar voren geroepen voor de kadootjes. Bijvoorbeeld."

Vader zag de rimpels die zich vormden op het voorhoofd van zijn zoon.

"Het is even door de zure appel heenbijten, maar je zult zien, op den duur wil je niet anders dan overal de eerste zijn. Waarom denk je dat er spreekwoorden bestaan als: "De eerste klap is een daalder waard." En wat dacht je van: "Stel niet uit tot morgen wat ge heden nog kunt doen?"

Haalt je de koekoek, dacht Hans Aarsman. Die naam kwám van zijn vader. Die kon niet anders dan roepen hoe fijn het was om zo te heten. Maar, inderdaad, als er iets leuks stond te gebeuren, waren de Aarsmannen in het voordeel.

"De eerste klap is een daalder waard." En: "Stel niet uit tot morgen wat ge heden nog kunt doen." Hij herkauwde die spreekwoorden, hij proefde ze, ze lagen op zijn lippen. Mooi waren ze, en handig, als je het even niet wist. Hij zocht er nieuwe bij: "Wie het eerste komt die het eerste maalt." Er waren erbij die speciaal gemaakt leken voor jongetjes die tegen hun wil vooraan moesten staan. Maar vreemd genoeg, op zijn speurtocht naar nieuwe, kwam hij er ook tegen die juist het tegendeel beweerden. Daar had je: "Haastige spoed is zelden goed." En: "De eersten zullen de laatsten zijn." Je kon er eigenlijk alle kanten mee op, met die spreekwoorden. "Hardlopers zijn doodlopers."

De spreekwoorden waren elkaar nog aan het tegenspreken, toen op een avond niet hij maar zijn broer de laatste was die z'n bord leeg had. Hij merkte het omdat de laatste hap die in zijn mond verdween, niet koud was zoals gebruikelijk, maar lauw. Zonder er echt toe besloten te hebben, begon hij het tempo verder op te voeren. Al gauw had hij als eerste zijn bordje leeg. Voor het eerst zag hij de voordelen van opschieten. Als iets toch moest gebeuren, dan net zo lief onmiddellijk. Was hij er meteen vanaf. Je kon het ook zo bekijken: stonden zijn klasgenoten nog in de rij te trillen, dan had hij zijn injectie al gehad. Als de anderen nog overhoord moest worden, kon hij al achterover leunen. Sneller dan hij zelf voor mogelijk had gehouden was hij eraan gewend geraakt om een Aarsman te zijn, met die dubbele AA.

En toen draaide het zich om. Hij merkte hoe hij zenuwachtig werd als hij per ongeluk een keer niet vooraan stond bij de prikken en de tandarts. Van school was hij nog niet thuis of hij dook achter zijn huiswerk. Zijn bord schrokte hij leeg. Bij alles dacht hij, als het toch moet gebeuren, dan maar meteen. En zo raffelt hij, nog steeds, zowel de leuke als de nare dingen, in een noodtempo af. Een verjaardagspartijtje? Niet te lang blijven hangen. "Visite en vis blijft maar even fris." Valt er een rekening of een formulier in de bus, Hans Aarsman vult ze nog diezelfde avond in en gooit ze op een holletje in de brievenbus. Als eerste in het hele land klaar met zijn belastingaangifte. Op de eerste van de maand de huur overgemaakt. Nooit schulden. Zijn naam staat op menige lijst bij menige instantie, bovenaan. Als er iets georganiseerd wordt, komen de organisatoren Hans Aarsman het eerst tegen. Wie kan nog om die man heen? Geen groepsmanifestatie of zijn naam staat weer boven aan de uitnodiging. En zo kon het gebeuren dat ik ook hier mijn zegje mag doen. Dat is één. Maar er is nog iets met die achternaam.

Het was in het biologielokaal. De eerste jaren van de middelbare school waren ze in de weer geweest met zichzelf. De bloedsomloop van de mens, de spijsvertering, het zenuwgestel. Toen daalden ze af naar andere zoogdieren, van groot naar klein, van de walvis tot de mol. En toen kwamen de koudbloedigen, de kikkers en de krokodillen. Hij zal zestien zijn geweest toen de kleinere meercellige organismen aan de beurt kwamen. En meteen daarna als laatste: de parasieten. Organismen die het niet alleen afkonden, die een groter wezen nodig hadden om te overleven. Dat mocht een plant zijn, een beest en ook de mens. Ze kropen naar binnen, zetten het daar op een eten en legden hun eieren. Spoelwormen, lintwormen, mijnwormen. Hoe ze van varkens op de mens sprongen en weer terug. Stuk voor stuk kwamen ze op het bord te staan, met een tekening erbij. Zijn gedachten waren al aan het afdwalen -het was nogal een waslijst- toen een gejoel hem wakker schudde. De lerares had een beestje op het bord getekend. Een maanvormig staafje. Zaten er haartjes aan? Hij herinnert zich het niet meer, wel weet hij nog goed wat ze eronder had geschreven: Aarsmade. Het gejoel was oorverdovend, en men wees erbij: naar hem. Wat voor beest de aarsmade precies is weet hij nog steeds niet. Toen de lerares begreep wat de oorzaak was van de consternatie, pakte ze een borstel en veegde resoluut haar tekening weg. Er is verder geen woord aan de aarsmade vuil gemaakt. Door haar tenminste. Zijn klasgenoten hebben zich nog enige weken vermaakt met het bedenken van varianten op zijn achternaam. Wat kan de natuur een bron van inspiratie zijn. Verzin er zelf ook een paar, zo moeilijk is het niet. Toendertijd hadden de bedenkers van Reetvent en Kontkerel het meeste succes. Niet reageren hield hij zichzelf voor, en hij hield vol. Tot vele weken later de Amerikenen in Vietnam met napalm begonnen te gooien, mens, plant en dier werden platgebrand. De gemoederen op school werden daardoor zo in beslag genomen dat het beestje en zijn ongelukkige naamverwant in de vergetelheid raakten. Hij was nog even bang dat de aarsmade in de proefwerkweek zou opduiken. Stel dat een van de vragen was: Noem drie parasieten van de mens? Maar de biologielerares liep met een grote boog om alle vragen heen waarop het antwoord dat maanvormige staafje, met of zonder haartjes zou kunnen zijn.

Tegenwoordig hoor ik nog wel eens een nauwelijks hoorbaar gniffeltje als ik een instantie aan de lijn heb, of ik zie een mondhoekje optrekken aan de andere kant van een balie. Met als uitschieter die keer dat ik de verdwijning van een fiets opgaf. De dienstdoende politie-agent trok een gezicht alsof hij mij een welgemeend advies gaf:

"Dat ze u nooit hebben verteld dat iedere Nederlandse burger zijn naam voor een luttel bedrag kan laten veranderen. Als het een rare naam is zelfs voor niets."

Maar daar begin ik niet aan. Boven mij en onder mij staan de andere Aarsmannen in het telefoonboek. Moet ik die in de steek laten? Ik ken ze allemaal. Ze stammen af van mijn grootvader. Tot voor kort tenminste. In de jaren tachtig heeft er een kleine volksverhuizing plaatsgevonden. Tientallen Aarsmannen van buiten Amsterdam trokken naar de stad en namen een telefoonaansluiting. Die hadden ook het voordeel van de alfabetische volgorde ingezien.

Enkele maanden geleden las ik in de krant dat ene Olga Aarsman mee had gedaan aan de miss Ajax verkiezingen. Ze is geen nichtje van me en ze won niet.

Tags: taal, alfabet
Related: Families
Een van de eerste keren dat ik opmerkte dat ik het effect van het benoemen een interessante bezigheid vond, was in het eerste jaar van de Rietveld.
‘Maak allemaal een panorama.’ Dat was de opdracht.

Als goud van mijn generatie ben ik natuurlijk niet gaan uitzoeken hoe je daadwerkelijk een panorama moet maken. Ik ging naar de tandarts en vroeg om een vooraanzicht-röntgenfoto van mijn gebit. Ik printte die uit op A3 en toen dacht ik: dit heet nou een panorama, maar ik noem het ‘City by night’. De tekst bij een beeld kan een wereld ontsluiten of een wereld weergeven. Het spanningsveld tussen het woord, de betekenis, en het beeld, de zichtbaarheid, is speelveld. Marcel Duchamp noemde de titel in de beeldende kunst een onzichtbare kleur.

Soms is het zichtbare een verwachting. Een zwangere buik. Daarmee ook onzichtbaar. Wat erin zit, krijgt een naam. De kers op de taart.

Ik wil het vandaag onder meer over namen hebben omdat elke wereld valt of staat bij het hebben van een naam. Ik zal het geven van een naam introduceren met een smakelijke roddel. Mijn eerste zwartgallige liefdesgeschiedenis dacht ik te hebben afgesloten op mijn achttiende. Toch kwam er nog een achtervolgingsscène.

Niet lang geleden opende ik mijn Facebookpagina en daar zag ik babyfoto’s. Die jongen had een kind gekregen. Als de titel van het fotoalbum zag ik met tien uitroeptekens mijn naam staan. Hij had zijn dochtertje Annelein genoemd. Midas Dekkers zei: Je naam is een gedicht. De ouders proberen er alles in te stoppen dat de grootsheid van jouw bestaan moet omvatten.

Wel drie keer heb ik de computer opnieuw opgestart en in- en uitgelogd, maar Facebook was niet kapot. Door zijn dochter Annelein te noemen heeft hij ons toch nog weten te verbinden.

Natuurlijk zijn we niet verbonden. Natuurlijk is het maar een naam. Iedereen die een beetje logisch nadenkt, weet dat het geen kwaad kan. Maar waarom voelde dat dan zo giftig?

Dat gebaar is zo veel groter dan de feitelijke gebeurtenis. De machtsuitoefening.

‘What’s in a name? That which we call a rose
By any other name would smell as sweet’

De Noord-Amerikaanse Indiaan beschouwt zijn naam als een onderdeel van zichzelf. Zijn naam is even belangrijk als zijn ogen of tanden. Kwaadwillig gebruik van zijn naam is hetzelfde als een verwonding aan zijn lichaam. Er zijn Aboriginals die hun naam geheimhouden om zichzelf te beschermen tegen het kwaad. Er zijn Indianenstammen waar de mensen allemaal hun naam veranderen als er iemand is doodgegaan. Sommige Indianen moeten hun naam verdienen. Tot die tijd heten ze jongen of meisje. Andere Indianen zullen hun eigen naam nooit uitspreken in de buurt van een open rivier omdat hun ziel dan meegevoerd kan worden en het kwaad hen dan weet te vinden.

Mensen hebben namen, kunstwerken hebben titels, producten hebben een merk, planten en dieren een terminologie.

Als ik het me goed herinner zijn er ook Aboriginals die namen hebben die naar verschijnselen in de natuur verwijzen. Zo kan de naam Karla bijvoorbeeld vuur betekenen. Als die persoon doodgaat, noemen ze die naam nooit meer. Voor ‘vuur’ moet een ander woord gemaakt worden. Zo verandert hun wereldbeeld constant. De associaties bij het woord ‘vuur’ moeten herboren worden.

Een wereldbeeld dat op deze manier een eigen autoriteit opeist, kan ik in theorie erg waarderen. Niet omdat ik bereid ben om zo te kijken, niet omdat ik daartoe in staat ben. Maar omdat je nooit weet wanneer Karla doodgaat.

Sommige mensen praten in naam der wet, anderen praten in naam der kunst. Het toe-eigenen van macht en de naam is altijd met elkaar verbonden. Amerikanen zeggen mij: Hi! What’s your name? Annelein? O hi, Annelein. Nice to meet you Annelein.

Een vriendin van me vindt het walgelijk dat kassières een naambordje dragen. Het brengt hen in een nederige positie.

Je kunt iemand taggen, verkleinen tot een begrip. Of bij producten, vergroten tot een begrip.

"I love love” she said, closing her eyes. ––Jack Kerouac, On the Road (1957)
Love loves to love love. ––James Joyce, Ulysses (1922)

Wat bedoelen we eigenlijk as we ‘ik hou van je’ zeggen, of als we ‘verliefd’ zijn? Wat is datgene waar we van houden?

Zijn gezicht, zijn handen, haar lach, haar stem? De geur van zijn haar, haar kleine slaperige oogjes, zijn manier van lopen, haar enthusiasme, zijn muziekverzameling, intelligentie, onafhankelijkheid, haar geestigheid, voorzichtigheid, haar zachte huid? Zijn gebroken vingernagels? Hoe ze kijkt als ze wegkijkt, die gekke kleine vlek op zijn linker schouder? Hoe hij ‘hullo’ zegt aan de telefoon? Een of ander ‘objet petit a’ dat niet te beschrijven valt, de taal ontstnapt, iets ontastbaars – of, integendeel, iets dat precies kan worden aangewezen, een ‘punctum’?

Zijn of haar, zoals Ronald Barthes zou zeggen, ‘verblindende originaliteit’? Of is er niets, misschien is er helemaal niets bijzonders aan de andere persoon? Zou het kunnen dat het enige wat origneel is, datgene is wat wij samen delen, en ons tweeen, samen, uniek maakt? (Roland Barthes, Fragments d’un discours amoureux (1977), s.v. Atopos)


Het zijn je ogen en je wenkbrauwen – je glimlach – nee, ik zou het niet weten. Het gaat om alles, om jou als geheel. – Knut Hamsun (1935 – eigen vertaling (rw))

Hoe het, hij, zij, jou laat voelen: speciaal, uitzonderlijk, normaal, gewoon gelukkig, als jezelf, als een ander, tijdloos, niet jong, niet oud? Kan het zijn dat de liefde niet alleen lichaam en ziel beinvloedt, maar dat ook de ervaring van tijd? Hoe kan het dat we de tijd vergeten als we samen zijn, maar tegelijkertijd over niets anders kunnen denken: tijd dat door onze vingers glipt, het vooruitzicht van afscheid – en het wachten en verlangen als we niet samen zijn? Is dit waar: de liefde heeft tijd nodig, maar voor de liefde bestaat er geen tijd?

It takes no time to fall in love. But it takes you years to know what love is. ––Jason Mraz, ‘Life is Wonderful’, from the 2005 album Mr. A-Z

Stel je voor dat er een meisje (een jonge man, een oude vrouw, zomaar iemand) wordt geboren, volwassen wordt, naar school gaat, talen leert spreken, de wereld ziet, andere landen bezoekt, naar het buitenland gaat, iets ergens studeert, zoals Frankrijk, bijvoorbeeld – waar ze verliefd, over haar oren verliefd wordt op een Frans meisje (een jonge man, een oude vrouw, zomaar iemand). Denk eens na over de details; de ene die aan de andere opvalt, de andere te onder de indruk van de heerlijke nieuwe wereld om haar heen, een toevallige ontmoeting (in een park, ja een park, in Parijs, in de lente, natuurlijk), de eerste blikken, en dan, de eerste aanraking.

Hoewel ze het nog niet weten, zal het een liefdesaffaire worden. Elke dag, elk moment is een lege pagina. Vervoering bruist rondom.

Ze spreken, kijken naar elkaar, drinken goedkope wijn uit nog goedkopere glazen, lachen, praten verder, luisteren muziek, gaan naar de film, het park,de dierentuin, bespreken boeken, theater, wat ze maar willen. Alles is mogelijk. (Natuurlijk wordt er nog meer gekeken, en zijn ze terughoudenheid en vol overgave tegelijk.).

Ze spreken beide Engels, soms een paar woorden in het Frans. Inmiddels hebben ze elkaar leren begrijpen, zelfs tijdens hun stiltes. Ze zijn nu twee, drie maanden samen, eten samen, delen afwisselend elkaars kamer en bed. Er komt een moment, op een dag midden in de zomer, een warme, donkere, klamme nacht (of vroege ochtend).

‘Je t’aime,” fluistert de andere.
Ze huivert, wankelt, wacht,
Ik hou ook van jou.

Wanneer heb je de taal der liefde leren spreken? En als je in de ene taal ‘ik hou van je’ hebt leren zeggen, kan jejezelf aan een anderstalige echt (maar dan ook echt) begrijpbaar maken? In dit (denkbeeldige?) universum is ‘ik hou van je’ niet te vertalen, noch te begrijpen, als je het niet vanaf het eerste moment begrijpt.‘Ti amo’, ‘ik hou van je’, ‘je t’aime’, ‘ich liebe dich’, ‘jeg elsker deg’, betekenen allemaal iet anders.

Hoe kan je liefde vertalen, als het in zichzelf al een vertaling is?

Is het nodig om te weten wat liefde is, om te weten wat liefde is?