241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Felix Gonzalez-Torres: When people ask me, “Who is your public?” I say honestly, without skipping a beat, “Ross.” The public was Ross. The rest of the people just come to the work.

Ross Laylock was Felix Gonzalez-Torres’ partner, toen bij Laylock HIV geconstateerd werd stelde de arts zijn ideale gewicht vast op 175 pond. ‘Portrait of Ross’ is precies dat: 175 pond snoepgoed op een stapel. De kijker mag meer zijn dan kijker en kan deel van het werk worden door een snoepje te pakken. En elke morgen wordt de stapel aangevuld tot het ideale gewicht weer is be­reikt.

Het snoepgoed is een representatie van het gewicht van Ross en ook een vertaling van diens strijd tegen zijn ziekte. De ziekte vreet het gewicht van de patiënt weg, maar het gewicht van de geest blijft dezelfde en zorgt er iedere ochtend weer voor dat de patiënt verder kan.

Voor het werk dreigt iedere dag de afwezigheid als de hoop zover slinkt dat er geen snoepje meer over zou zijn is er geen kunst en is de kijker verantwoordelijk. Gonzalez-Torres speelt met zijn Stacks iedere dag opnieuw een spel met de bezoeker, die hij laat bepalen hoe zijn werk eruit ziet. Kunst werd bij Gonzalez-Torres iets vloeibaars, iets bewegends.

En iets dat zomaar weg kon zijn.

Een zwart-wit foto van een leeg bed met twee kussens. Een bed waarin is geslapen. Het is het eigen bed van de kunstenaar. Het werk heeft geen titel. De foto is tentoongesteld in de Projects Gallery van het MOMA en tegelijkertijd werd het beeld op vierentwintig billboards getoond in verschillende buurten van New York, Second Avenue en East 97th Street in Manhattan en Third Avenue en East 137th Street in de Bronx. De plekken hadden geen relatie meer met de kunstwereld van musea, galeries en verzamelaars. Het aantal, vierentwintig, refereert aan de da­tum waarop Ross is overleden.

De overweldigende beeldenstroom van New York die op de voorbijganger afkomt werd onderbro­ken door deze rustige en lege foto. Er was geen tekst die de foto zou kunnen duiden. En de foto had, in tegenstelling tot de beelden die de billboards normaal gesproken sieren, niet tot doel de voorbijganger iets te verkopen. Het was gewoon een foto van een leeg bed met twee kussens, een laken met kreukels. Een beeld van een privé ruimte doemt op in de openbare ruimte.

De keuze Ross nooit af te beelden wordt gezien als een politieke daad van Gozalez- Torres. De gebruikelijke afbeeldingen van AIDS werden altijd ingezet om homoseksuele en heteroseksuele groepen van elkaar te onderscheiden. De zieke homoseksuelen en de gezonde heteroseksue­len. Gonzalez-Torres weigert Ross af te beelden. Met het billboard Untitled toont Gonzalez-Torres de on­zichtbaarheid van de homo­seksuele gemeenschap. Maar hij wil zich niet afzetten tegen de dominante gemeenschap zoals Mapplethorpe dat deed. Gonzalez-Torres nodigt de kijker uit, ongeacht hun sek­suele voorkeur.

Gonzalez-Torres brengt ook op een andere manier afwezigheid in zijn werk. Met zijn eigenzin­nige manier van tentoonstellen, door de bezoekers het werk mee te laten nemen geeft hij een andere invulling aan de rol van de kunstenaar en de rol van de kunst. De rol van kunstenaar als vormgever, de rol van kunst als vorm. Bij Gonzalez-Torres is de kunst niet langer statisch, maar aan verandering onderhevig.

Gonzalez-Torres: Go to a meeting and infiltrate and then once you are inside, try to have an effect. I want to be a spy, too. I do want to be the one who resem­bles something else [….] We have to restructure our strategies [….] I don’t want to be the enemy anymore. The enemy is too easy to dismiss and to attack.

In hoeverre is het zijn werk?


Gonzalez-Torres: ‘Perhaps between public and private, between personal and social, between fear of loss and the joy loving, of growing, changing, of always becoming more, of losing oneself slowly and the being replenished all over again from scratch. I need the viewer, I need the public interaction. Without the public these works are nothing. I need the public to complete the work. I ask the public to help me, to take responsibility, to become part of my work.’

Internetencyclopedie Wikipedia behoort tot de zes best bezochte websites in Nederland. Vreemd genoeg is deze kennisbron geheel gevuld door vrijwilligers, die er dus niet voor betaald krijgen en in hun vrije tijd lemma’s schrijven. Curieus dat het überhaupt werkt. De Nederlandse Wikipedia bestond in juni 2012 vijftien jaar.

Vrijwel dagelijks gebruik ik Wikipedia en vergelijk regelmatig gelijksoortige lemma’s in verschillende talen. Leuk en leerzaam, al schrijf ik zelf geen lemma’s. Jammer misschien, want de beste manier om de encyclopedie te verbeteren is door er actief aan bij te dragen. Dat is het belangrijkste principe van Wikipedia: twee weten meer dan één.

Momenteel wordt de Nederlandse Wikipedia voornamelijk gevuld door hoog opgeleide mannen van rond de dertig. Vrouwen en mensen boven de veertig brengen nauwelijks wat in. De Nederlandstalige online encyclopedie bevat momenteel meer dan 600.000 artikelen. De Engelstalige versie is het grootst met ruim 3.100.000 artikelen.

Kunstenaars mopperen vaak over de lemma’s die over hen in Wikipedia staan en waarvan de feiten niet kloppen. Dat valt zo te verhelpen, ze kunnen een opmerking plaatsen op de overlegpagina van het artikel, met een verwijzing naar de juiste bronnen. Bekende Nederlanders die met rechtszaken dreigen, trekken vrijwel altijd bij als ze horen hoe makkelijk de lemma’s gecorrigeerd kunnen worden. Een enkele keer valt informatie niet te beschermen. Een actrice die bijvoorbeeld niet met haar meisjesnaam in de encyclopedie wilde, kon hier niets tegen ondernemen omdat die op talloze andere plekken online te vinden is. De informatie werd dus niet geschrapt.

Toch baart de manier waarop Wikipedia functioneert critici zorgen. En dan gaat het vooral om de neutraliteit en betrouwbaarheid van de lemma’s. Welk controlerend mechanisme bewaakt Wikipedia als in principe iedereen ‘van goede wil’ mee mag doen? Maar de feiten logenstraffen deze argwaan. Uit een onderzoek door het wetenschappelijke tijdschrift Nature uit 2005 bleek dat de Encyclopedia Britannica maar een heel klein beetje beter is dan de Engelstalige Wikipedia. En afgelopen vijf jaar is de Wikipedia zo gegroeid en verbeterd dat het de vraag is wie nu de beste zou zijn.

In maart werd in de Openbare Bibliotheek in Amsterdam een Wikipedia Conferentie gehouden, ‘Critical Point of View’, waar kritisch gekeken werd naar de problemen van Wikipedia. In deze twee dagen werden internationale Wikipediaversies tegen het licht gehouden en hun voor- en nadelen uitvoerig besproken. De Nederlandse Wikipedia heeft een pagina waarin de nadelen punt voor punt worden opgenoemd. Zoals: ‘de meerderheid heeft niet altijd gelijk’ en ‘mallotige en moedwillige verkeerde bijdragen worden snel serieus genomen’. Wikipedia kan geen garantie geven voor de juistheid en kwaliteit van de informatie. Men geeft ook toe dat vanwege het open karakter van het project, vandalisme hier en daar een probleem is.

De Amerikaanse conceptuele kunstenaars Scott Kildall en Nathaniel Stern experimenteerden zoals velen voor hen met de encyclopedie. Zij creëerden Wikipedia Art, een artikel gemaakt als kunstwerk/performance dat iedereen kon bewerken. Maar aangezien het een conventionele pagina betrof in de Engelstalige Wikipedia, werd deze snel verwijderd. Het argument van de kunstenaars om de entry te behouden was dat dit ‘kunstwerk’ terug te vinden was in geloofwaardige bronnen: interviews, blogs, in teksten van media-instituten. Het argument om het te verwijderen was dat het om informatie ging die niet in een encyclopedie thuishoort. De actie lijkt een vergeefse poging om de encyclopedie als ‘kunstplatform’ te gebruiken. Op de website wikipediaart.org is het debat rond dit project terug te lezen.

Een ander wikikunstproject, opgestart door Wikimedia Nederland, is de fotowedstrijd Wiki Loves Art/NL. Vorig jaar juni mochten de bezoekers die meededen aan deze wedstrijd foto’s maken van kunstwerken in verschillende musea – wat normaal gesproken meestal niet mag. Ongeveer 5000 foto’s werden ge-upload naar fotowebsite Flickr, en ter beschikking gesteld van Wikipedia onder een creative commons licentie. Onder de winnende foto's was een foto van een Gispenlamp; verfstreken op het schilderij van Isaac Israëls en een vakantiehuisje van Rietveld. Bladerend door de website met amateurfoto's valt op hoe verschillend hetzelfde werk eruit kan zien door een andere lichtval, of eenvoudigweg door een vreemde fotohoek te kiezen. Dat viel grafisch vormgever Hendrik-Jan Grievink ook op. Hij ontwierp eerder het memoryspel Fake for Real, waarbij twee dezelfde kaartjes net iets verschillen: de afbeelding op de een is 'echt' en op de andere 'nep'. Bijvoorbeeld een foto van een echte clownvis tegenover een plaatje van Little Nemo uit de animatiefilm van Disney.Grievink is momenteel druk bezig met een kunstboek Wiki Loves Art, en zoekt naar de verschillende invalshoek van de amateur: schilderijen zijn gefotografeerd zonder frame, heel pixelig of juist extreem scherp. Door het spelen met de vele foto's uit de amateurcolllectie wil Grievink zowel een verslag maken als beelden 're-mixen'.

Afgelopen jaar doneerde het Koninklijk Instituut voor de Tropen beeldmateriaal van onze voormalige koloniën Suriname en Indonesië, deze foto's werden digitaal 'gerestaureerd' door vrijwilligers (zo bewerkt dat de afbeelding duidelijker werd). Het Tropenmuseum verspreidt informatie via de online encyclopedie over de Surinaamse Marrons, afstammelingen van Afrikanen die door slavenhandelaars onder dwang naar Suriname zijn gehaald. Ook worden bijschriften voor de Indonesische Wikipedia door vrijwilligers in het Bahasa Indonesia vertaald. Instituten als het Tropenmuseum hebben baat bij het archiveren van foto’s door Wikipedia. Het materiaal wordt fanatiek gebruikt en door vrijwilligers verbeterd en voorzien van secundaire informatie (metadata). Dit betekent niet alleen dat meer mensen van de collecties kunnen profiteren, het houdt ook in dat de collecties zelf aan betekenis winnen.

Natuurlijk zetten musea en archieven hun collectie op hun eigen website, maar de mankracht en de kritische massa om informatie te verbeteren hebben ze niet en een collectie digitaliseren maakt die niet per se zichtbaar. Het brede publiek bereik je er niet mee, door samen te werken met Wikimedia/pedia ben je makkelijker vindbaar in zoekmachines en bereik je een andere doelgroep. Daarnaast blijft een encyclopedie natuurlijk een encyclopedie, het is geen online museum of archief.

Voor veel musea is de gedachte geen controle meer te hebben over de collectie, door beeldmateriaal onder een vrije licentie te doneren, een denkomslag. Natuurlijk heeft die licentie voorwaarden zoals bronvermelding, maar vaak wordt het materiaal ook commercieel vrijgegeven. En ontwikkelen musea andere businessmodellen om kunst en cultuur op de voorgrond te brengen via een platform als het internet. De eerste stappen om materiaal, gemaakt met publieke gelden, ter beschikking te stellen aan het publiekdomein worden gemaakt. Met dat materiaal mogen we nu allemaal mee aan de slag, goed voor de creativiteit en wie weet uiteindelijk ook voor de kunst.

Via sites als Amazon en Google Image Labeler verdienen honderden goedkope arbeidskrachten een centje bij. Mechanische Turken worden deze internetwerkers genoemd. Ook beeldend kunstenaars maken van hun diensten gebruik.

‘Wat doe jij voor de kost?”
"Ik ben een Mechanische Turk.”

Dat klinkt absurd maar is het niet. Wereldwijd zijn er miljoenen zogeheten MTurken uit tientallen landen actief: mensen met een computer en een internetverbinding die al klikkend en tikkend wat centen verdienen. Er komen dagelijks nieuwe digitale internationale arbeiders bij, in Afrika zelfs per mobiele telefoon. Inmiddels hebben ook beeldend kunstenaars de voordelen van deze goedkope werkkrachten ontdekt: op internet verschijnen nu de eerste kunstprojecten waarvoor Mechanische Turken zijn ingezet.

Via internet arbeid organiseren is een interessant gegeven. Landsgrenzen worden met gemak overschreden, en een sofinummer is niet noodzakelijk – het enige wat je nodig hebt is een bankrekening. We kennen al de beelden van Aziatische jongeren die urenlang zitten te gamen voor mensen in het rijke Westen, maar er zijn meer vormen van online werken op afstand.

De Mechanische Turk deed in november 2005 zijn intrede bij Amazon en is gestoeld op het idee dat we allemaal onderdeel zijn van een grote machine. Voor bedragen van een paar centen tot meerdere dollars zijn er op internet taken te verkrijgen, zogenaamde HITs (Human Intelligence Tasks) die verschillen in moeilijkheidsgraad. Zo kun je bijvoorbeeld steekwoorden bij foto’s of video’s aankruisen, plaatjes op kleur rangschikken, vakantierecensies voor websites schrijven of links over UFO’s verzamelen – dat laatste levert 15 dollarcent per link op. Omdat de bedragen zo luttel zijn, wordt Amazons Mechanische Turk-site ook wel spottend ‘de virtuele sweatshop’ genoemd. Toch verdienen velen er hun maandinkomen, en anderen wat zakgeld.

De term Mechanische Turk is afkomstig van een legendarische schaakcomputer uit 1770, die de Hongaarse uitvinder Wolfgang von Kempelen maakte op verzoek van keizerin Maria Theresia. Op oude etsen is te zien hoe een pop met een tulband, de Turk, achter een kast zat waarop een schaakbord was bevestigd. Toeschouwers dachten dat de ruimte eronder leeg was en dat de pop het schaakbord bestuurde. In werkelijkheid zat er gewoon een mannetje in verstopt dat goed kon schaken. Via een uitgekookt systeem kon hij de stukken zien en met de arm van de pop verzetten. Het apparaat, destijds een mechanisch wonder, reisde als een exotische ker- misattractie langs de vorstenhoven. Edgar Allen Poe deed in 1836 een poging om de wer- king van de Turk te beschrijven, om zo aan te tonen dat er wel een schaker van vlees en bloed in moest zitten. Zijn essay Maelzel’s Chess Player wordt nog altijd gezien als de eerste ‘whodunit’: wie belazerde de boel en hoe?

In onze tijd heeft een omkering plaatsgevonden: creëerden mensen eerst voornamelijk machines die het leven vergemakkelijkten, nu hebben machines mensen nodig om taken goed uit te voeren. Een goed voorbeeld van deze omkering zijn captcha’s, een soort kleine puzzeltjes die alleen door een mens kunnen worden ingevuld. Iedereen die wel eens internet gebruikt, stuit vroeg of laat op een captcha: bijvoorbeeld in de vorm van verwrongen cijfers of letters die je moet natypen als je op Facebook een handeling verricht. De computer weet dat correcte interpretatie van deze gegevens door een mens moeten zijn ingevoerd, een machine kan de vervorming immers niet interpreteren. Dit principe wordt gebruikt om te zorgen dat reacties per mail of op blogs niet door machines worden gegenereerd; dit alles om onzin, reclame en andersoortige spam te voorkomen.

Het invullen van captcha’s kan ook anders gebruikt worden. Op dit moment worden door onder meer Google Book Search duizen- den boeken ingescand. Tijdens dat scanproces gaat er geregeld iets mis en worden letters per ongeluk vervormd. Een machine kan dat niet zien of corrigeren, maar wij wel. Zo kun je elke keer als je een captcha invult, een klein beetje meehelpen om een vervormde inge- scande tekst leesbaar te maken.

Een ander voorbeeld van het intelligent inzetten van gezamenlijke arbeid is Google Image Labeler, een online-spel waarbij men- sen plaatjes van ‘tags’ (steekwoorden) voorzien. Een speler ziet een plaatje, bijvoor- beeld van een rode auto in een bos. Hij wordt via een database willekeurig gekoppeld aan een anonieme tegenspeler, en als beiden de- zelfde tags invullen, kun je samen punten verdienen. Als je allebei: ‘auto’, ‘rood’ en ‘bos’ hebt ingevuld, kun je door naar het vol- gende plaatje. Doordat heel veel mensen zo beelden van steekwoorden voorzien, kunnen wij via een zoekmachine makkelijk plaatjes vinden.

Op internet kom je de eigenaardigste vormen van werk tegen. Zo is er bijvoorbeeld het internetproject Payday (alleen voor Amerikanen) waar je 1000 dollar kunt verdienen door 10 mensen een creditcard aan te smeren. Om- dat je je vrienden niet wilt lastigvallen, bied je via een forum 50 dollar voor wie zich aanmeldt voor een nieuwe kaart; dat kost je dus 10 keer 50 dollar – zelf heb je dan 500 dollar verdiend. Payday krijgt van de creditcardmaatschappij 1650 dollar voor elf nieuwe creditcardgebruikers, reclamegeld dat vroeger naar de ‘oude’ media ging.

De Amerikaanse kunstenaar Aaron Koblin maakt kunst met virtuele arbeiders. In 2006 vroeg hij Mechanische Turken om tienduizend handgetekende schapen. Hij bood 2 dollar cent per tekening – het kunstwerk kostte hem dus 200 dollar, de schapen verzamelde hij over een periode van veertig dagen, mensen deden er gemiddeld 105 seconden over, dat betekent dat het arbeidersloon gemiddeld uitkomt op 0,69 dollarcent per uur. Op Koblins website kun je een selectie zien van al deze krabbels, die samen het kunstwerk The Sheep Market vormen. Tegen een witte achtergrond staan duizenden schapen in zwarte lijnen, die allemaal naar links kijken. Sommige schapen zijn heel trefzeker neergezet, anderen juist weer heel knullig getekend.

Een vergelijkbaar kunstwerk, dat Koblin samen met Takashi Kawashima maakte, is Ten Thousand Cents. Voor dit project deelden de kunstenaars een biljet van honderd dollar op in duizend stukjes en vroegen aan Mechanische Turken – die niet wisten wat ze voor zich hadden – een stukje na te tekenen met een tekenprogrammaatje. Online zie je al die duizenden puzzelstukjes samengeplakt in een nieuw biljet (te koop voor $100). Als je op een van die stukjes klikt, zie je in een soort filmpje het voorbeeld en hoe het is nagetekend. Je kunt goed zien wie zijn best heeft gedaan, en wie het erbij heeft laten zitten: die stukjes zijn niet precies. Voor Daisy Bell, Koblins meest recente project met Mechanische Turken, krijgt de kunstenaar volgende week een prijs op het mediafestival Transmediale in Berlijn. Uitgangspunt voor dit kunstwerk is het muziekstuk Daisy Bell uit 1892, dat in de jaren zestig een van de eerste nummers was die met synthetische stemmen werden opgenomen. Ook werd het lied gebruikt in de slotscène van de film 2001, A Space Odyssey, waarin computer HAL zingt.

Koblin gaf iedere individuele internetwerker de opdracht een toon te beluisteren, die vervolgens moest worden nagezongen (6 dollarcent per toon). Daarna smolt hij al deze tonen weer samen tot een muziekstuk. Als je Daisy Bell online bekijkt, zie je een grafische weergave: er trekt een schuif over de notenbalk en je hoort 2088 verschillende stemmen die samen, zonder het te weten, een lied ten gehore brengen – een overweldigende kakofonie. Maar hoe mooi het resultaat ook is, Koblin zegt met zijn werk vooral kritiek te willen leveren op het gebruik van de MTurken. Meestal moeten zij simpele en repetitieve taken uitvoeren. Het werk wordt op contractbasis gedaan en de aanbieders hoeven geen belasting af te dragen, zo worden wetten omzeild rond minimumloon en overwerk. Maar de arbeiders moeten wel hun werk opgeven aan de belastingdienst en het is onmogelijk om je te verenigen in een vakbond. In het geval van Koblins schapen behoort het kunstwerk Koblin toe en niet de tekenaars die voor twee dollarcent per tekening afzagen van hun copyright.

Blogger Andy Baio liet zich door Koblin inspireren en wilde weten wie er nou toch achter de MTurken schuilgaan. Hij vroeg of mensen, voor vijf cent, hun gezicht wilden laten zien. Dat bleek te weinig; slechts twee mensen meldden zich binnen 24 uur aan. Vijftig dollarcent bleek uiteindelijk, na wat geëxperimenteer, het minimum. De opdracht luidde: maak een portretfoto van jezelf voor de webcam en hou een handgeschreven bordje op met waarom je ‘turkt’. "I turk for..." Het resultaat is te zien in een collage op zijn blog: dertig portretten, van tien vrouwen en twintig mannen, tussen de 20 en 30 jaar oud, van uiteenlopende etnische afkomst. 21 van hen turken voor het geld; 9 uit verveling of voor de lol.

Ook in Nederland zijn er kunstenaars die met de Mechanische Turk experimenteren. Kunstenaar Jonathan Puckey (29) werd met vormgeefster Luna Maurer gevraagd om voor Museum De Lakenhal het jaarverslag van 2007 vorm te geven. Ze besloten het jaarverslag door MTurken in het Engels te laten vertalen, in gesproken taal. De meesten waren het Nederlands niet machtig en zeiden wat ze dachten dat er ongeveer stond. Op de website kun je het jaarverslag zien en de interpretaties in het Engels horen. Het is een grappig en ook eigenaardig experiment. Een voorbeeldje van een jaarverslagzin: „Deze omslag in denken gaat niet gepaard bij de gratie Gods”, waarop een stem met Zuid-Amerikaans dialect zegt: „The others in death, to him gave nothing by the grace of God.” Puckey werkt ook mee aan de videoclip van de Utrechtse muzikanten C-Mon & Kypski, waarvoor gebruik gemaakt wordt van Mechanische Turken. Voor het nummer More Is Less maakt videokunstenaar Roel Wouters een clip waarin de fans mee kunnen spelen. Aan het publiek wordt gevraagd een pose na te doen die een van de bandleden in de clip aanneemt. Je krijgt één frame uit de clip geselecteerd die je zo goed mogelijk na moet doen, daarvan maak je een foto met je webcam en die plaats je op de site. De website is heel gebruikersvriendelijk, duizenden mensen hebben de moeite genomen hun beeltenis te uploaden. Al deze foto’s worden, na selectie doorMTurken, door de computer op de juiste plek gezet. Zo ontstaat een filmpje met in elk frame iemand anders. Langzaam groeit een videoclip waarin de muzikanten zich gespiegeld zien in hun fans. In totaal zijn er in de clip zo’n 1400 frames beschikbaar. De foto’s rouleren, de clip ververst zichzelf, zo heeft iedereen zijn eigen ‘frame of fame’, zoals het project ook heet. Degenen die beoordelen of mensen wel de juiste houding hebben aangenomen en de beeldkwaliteit goed genoeg is, zijn ingehuurde Mechanische Turken.

De invloed van virtuele arbeid is nog jong, maar de ontwikkeling heeft nu al onoverzienbare consequenties. Wie had ooit gedacht dat Mechanische Turken zouden worden ingezet om vermiste personen op te sporen? Vrienden van de Amerikaanse miljonair Steve Fossett kwamen in 2007 op het idee om, via Google Earth, satellietfoto’s van Nevada door MTurken te laten beoordelen. Wie weet zagen ze brokstukken van zijn verdwenen vliegtuig. Ook voor de computerwetenschapper Jim Gray, die vermist raakte met zijn zeilboot, werden MTurken ingezet. De werkers kregen voor het bekijken van een reeks satellietfoto’s rond de 25 dollarcent. Aaron Koblin maakt gebruik van ‘de macht van het getal’ met kunstwerken als The Sheep Market of het muziekstuk Daisy Bell. Bij de videoclip One-frame- of-fame is de uitkomstminder voorspelbaar. Toen het project van start ging was het de vraag wat er zou gebeuren. Er deden afgelopen maandag, de 25ste, 10217 mensen aan mee. Voor de makers waren de populariteit en de creatieve invulling een verrassing. In die onvoorspelbaarheid ligt de potentie voor de kunst, of die nu gemaakt wordt met MTurken, fans of gamers.

Op het randje van een nieuwe eeuw waarin ‘minder is meer’ een bio-politieke connotatie kent, zullen verschuivingen in paradigma’s drastisch de grenzen en beperkingen van sociale, economische en medialandschappen veranderen waardoor redevoering over de mogelijkheden en verantwoordelijkheden van betrokken ontwerpers buitengewoon belangrijk is geworden. Het is duidelijk dat het design-problematiek van de toekomst een integrale en verantwoordelijke benadering vraagt. Niet langer kan de rol van de ontwerper ophouden bij het voldoen aan de regels die zijn opgesteld over functionaliteit en esthetiek. Alhoewel de impact van de nieuwste, snel evoluerende ontwikkelingen in media-gebruik nog niet in volle precisie gemeten kan worden, is er wel een punt bereikt waar het beste van zowel het sociale en mobiele wordt gecombineerd, wat het mogelijk maakt voor iedereen om te opereren op een globale schaal, door middel van de comfortabele omgeving die onze persoonlijke telefoon biedt. Nieuwe applicaties worden iedere dag op de markt gebracht en daarnaast worden nieuwe gebruiksfuncties ontdekt door gebruikers.Iedereen is een nu fotograaf, een videokunstenaar/journalist, redacteur, nieuws/content-caster en een grafisch ontwerper geworden.

De professionele ontwerper (of ontwerp instructeur) heeft twee opties tijdens deze media-lawine. De eerste is om zich bij de massa aan te sluiten, maar wel een voordeel te behouden. Dit betekent dat de betrokkenheid in het nieuwe medialandschap min of meer hetzelfde is als de grote groep deelnemers, maar het getrainde oog van de professional zal de sterkte- en zwaktepunten sneller waarnemen dan de massa en kan daarom een leidende rol spelen binnen deze gemeenschap. Dit persoon zal zich snel aanpassen aan nieuwe ontwikkelingen en kan winnen aan dynamiek door zich op het voorste punt van de golf te bevinden. Autoriteit wordt gegenereerd door kennis van de actualiteit, wat daarom zorgvuldig moet worden gehandhaafd. Wij noemen hem/haar de Herder.

De tweede rol die de professional kan overwegen is die van de buitenstaander. Stevig staande in de storm, vasthoudend aan zijn geloof in concepten en originaliteit. Deze is veel meer theoretisch gebaseerd en kiest soorten van media die passend lijken voor het proces. De buitenstaander houdt vast aan gedateerde systemen en analoge technieken als dat nodig is. Beweert dat er altijd een markt zal bestaan voor kwaliteit (en heeft daar vast gelijk in), maar mist de connectie met het publiek op grote schaal. Zal erg kritisch zijn ten opzicht van de revolutie, maar verzet zich theoretisch gezien niet tegen de ontwikkeling van nieuwe mediasystemen. We noemen dit type de Wolf.

Let op dat beiden types het begrip van het objectieve media-ontwerp hebben verlaten. Ontwerpen zonder duidelijk en wel geprofileerde visie over dringende mondiale zaken is een gewelddadige en destructieve daad. Zien of niet zien is een politieke zaak.

Ad Reinhardt, Moma
Ad Reinhardt, Moma

Wat heeft dit voor te stellen? Kunst als onderzoek.

Plotseling heeft iedereen het over ‘onderzoek in de kunst’ en over ‘de kunstenaar als onderzoeker’. Kunstenaars en vormgevers kunnen sinds kort promoveren aan de universiteit van Leiden, er is een nieuwe Master Artistic Research gestart aan de KABK, kunstdocenten doen onderzoek. Wat wordt eigenlijk met dit onderzoek bedoeld?

Zijn zwarte schilderijen gaan over “niets”, zei Ad Reinhardt (1913 – 1966). In de eerste van deze schilderijen, gemaakt in 1953, waren nog donkere tonen groen, rood en blauw te onderscheiden. Ook de formaten varieerden. Maar vanaf 1960 tot aan zijn dood schilderde Reinhardt niets anders dan zwarte doeken op identiek formaat, vijf bij vijf voet (157,5 x 157,5 centimeter). Hij “schilderde de allerlaatste schilderijen”, zei hij, “de laatste die je maken kan”.

Strenge schilderijen zijn het, al zijn ze minder streng dan je op het eerste gezicht zou denken. Ze zijn niet egaal zwart, de verf is op de ene plek matter, vangt meer licht, dan op een andere plek. Wanneer de blik langs het oppervlak glijdt zie je vierkanten in de verf, en Griekse kruisen. Voor het overige is afgedaan met zo’n beetje alle kenmerken van een schilderij: voorstelling, compositie, penseelstreek, expressie, kleur. Toch zijn ze niet anoniem of mechanisch. Het zwart ademt, is ruimte. Deze schilderijen zijn bijzonder kwetsbaar, want Reinhardt gebruikte de kleinst mogelijke hoeveelheid bindmiddel zodat de verf bijna puur pigment is. Het zwarte vlak is peilloos diep, en alle licht verdwijnt in de diepte.

Reinhardt dankt zijn belangrijke positie in de moderne kunst aan deze zwarte doeken en aan zijn radicale opvatting van schilderkunst. Maar bij het bredere publiek was hij op een heel andere manier bekend, namelijk als cartoonist bij onder andere het tijdschrift de New Yorker. In 1946 maakte Reinhardt een serie cartoons getiteld “How to Look at Modern Art”. Uit deze serie komt de tekening “How to Look at a Cubist Painting” die hier is afgebeeld.

Een kubistisch schilderij dient een spottende beschouwer van repliek. “To represent” heeft in het Engels dezelfde dubbele betekenis als in het Nederlands: “voorstellen” in de zin van “weergeven” of “afbeelden”, én “voorstellen” in de denigrerende betekenis van “dat stelt niet veel voor”, “dat heeft niet veel te betekenen”. Met de boze wedervraag “Wat stel jíj eigenlijk voor?” werpt het schilderij de beschouwer op zichzelf terug.

En dit is precies wat gebeurt bij het kijken naar een kunst. Het kunstwerk zwijgt, het werpt je op jezelf terug. In tegenstelling tot vrijwel alle andere kunstvormen, als toneel, muziek, dans, literatuur, neemt het kunstwerk je niet direct mee. Dit zwijgen geldt niet alleen voor schilder- en beeldhouwkunst, maar in het algemeen ook voor performance en voor video, film en akoestische kunst: er wordt weinig ‘gezegd’, er is geen lot, of nauwelijks. En er is zelden een strikt voorgeschreven tijdsduur. Het kunstwerk ontvouwt zich in de tijdsspanne die de beschouwer kijkend doorbrengt. Het ‘verhaal’ dat ontstaat is de uitwisseling tussen kijker en kunstwerk.

Het kunstwerk geeft zich pas bloot na inspanning van de kant van de beschouwer. De beschouwer moet de eerste stap zetten, zich open stellen, zijn vooroordelen opzij zetten. Dan kan hij in het werk doordringen, en in gesprek gaan met het kunstwerk. In deze dialoog wordt de afstand tussen de ene denkwereld en de andere overbrugd. Deze ervaring van in gesprek te zijn met het kunstwerk maakt bewust van de activiteit van het eigen denken, en van te leven, levend te zijn. Zoals de filosoof Hans-Georg Gadamer zei: de ervaring van kunst is een “zijnsvermeerdering”. Dit is wat kunstwerken belangrijk maakt.

Kijken is moeilijk, zei Reinhardt, en we kunnen het leren van de kunst. Dit geldt niet alleen voor de beschouwer, maar ook voor de kunstenaar zelf. Het kunstwerk is het resultaat van een verlangen om iets te maken en om iets te zien, deze twee dingen samen. De kunstenaar is de eerste beschouwer van het werk. Hij moet leren zien wat hij gemaakt heeft en de betekenis ervan herkennen. Dit is reflectie: het nadenken over de eigen ervaring en over het wat en waarom van wat gemaakt is, met als doel de structuur van het werk op te helderen en er een basis en een context voor te vinden. Deze reflectie kan alleen plaatsvinden wanneer de maker afstand neemt van de ervaring van het maakproces. Om vervolgens, als het werk nog niet af is, de draad weer op te pakken.

Onderzoek in de kunst heeft de reflectie op het eigen werk tot onderwerp. Hierbij is het maakproces belangrijker is dan het eindprodukt. Kunstenaar-onderzoekers delen de reflectie met anderen, door middel van gesprekken, debatten, publicaties enzovoort, en worden hierdoor gevoed.

maken = denken
denken =spreken
spreken = denken
denken = maken