241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Een ieder die wil trouwen met een lief afkomstig uit een ander land moet naar de IND om de vergunningen te regelen. De Immigratie en Naturalisatie Dienst geeft al of niet verblijf papieren af en doet dit in de praktijk nooit met gulle hand of een warm welkom. Nu blijkt er op sommige afdelingen een traditie te bestaan om in dit soort gevallen te vragen om een bewijs van liefde. ???? Ja, een bewijs van liefde. Wat stuur je in zo’n geval aan de ambtenaar op, de rozen zijn al verwelkt en in de prullenbak beland, de intieme gesprekken door de telefoon zijn niet vastgelegd, misschien heb je wat smsjes bewaard. En wat zal die ambtenaar accepteren als een bewijs van liefde? Misschien vind hij die mooie foto die je van je geliefde maakte wel juist GEEN bewijs van liefde. Het bewijs van liefde heeft verder geen enkele status, het mag niet worden gebruikt als bewijs voor gebrek aan liefde. Toch wordt het gevraagd.
Andy Warhol, 5 Deaths
Zo toonde het NOS-journaal ooit beelden van een man die met een tractor de woonkamer van zijn ex-geliefde was binnen gedenderd. ‘Ik hou van haar!’ Zo verklaarde de man aan heel Nederland. En zij had hem verlaten. En hij hield van haar.

In de documentaire De 10e kamer (La 10ième Chambre, 2004) van Raymond Depardon duikt een soortgelijke redenering op.

Ene Karim Toulbia moet voor de rechter verschijnen omdat zijn ex-vrouw aangifte heeft gedaan. Na zeven jaar van mishandeling is het haar gelukt om aan hem te ontsnappen en een nieuw eigen leven op te bouwen. Maar de man accepteert het niet en blijft haar stalken, hij bedreigt haar en zelfs de baas bij wie ze werkt. Een verschrikkelijk maar bekend verhaal.. Dan begint zijn advocaat het pleidooi; het is altijd weer lastig, privé zaken!, (..) (..) (..)

Ryan Trecartin

Karim heeft vandaag een stap gezet, geen gigantische stap. WIJ zijn nooit trots op zoiets. (Wij mannen, bedoelt de advocaat! ) Ik heb zelf ook wel eens minder correct gehandeld. (Minder correct?? ) Mannen zijn op dit gebied dommer dan vrouwen’.

Wu Junyong, End of the World

En zo gaat deze advocaat verder over de enige verzachtende omstandigheid die hij kan bedenken. Mijn cliënt is een man. En jawel, een stukje later in zijn betoog komt het: ‘Wat liefde was, verandert in iets afschuwelijks als haat. Lagen haat en liefde maar niet zo dicht bij elkaar’, verzucht hij. Geliefde gekliefde. Het idee van de aloude crime passionel herleeft in dit betoog, het is moord maar wel uit liefde.

Hoe overtuig je je lief in godsnaam van je liefde? In het begin is het nog simpel, bloemen, briefje, smsjes doen hun werk, het gaat vanzelf, de stroom blijft in beweging. Maar na dat bijna onvermijdelijke moment dat de vlinderstroom stokt,dan wordt het moeilijk. Het moment dat de hele liefdeskwestie zich opeens andersom laat lezen, als een deksel die uitdeukt , als spiegelschrift. Dan kun je wanhopig op haar stoep gaan liggen, je kaal scheren of wel 50 smsjes sturen maar alles zal zich tegen je keren. Ieder bewijs werkt tegen je en irriteert eerder dan dat het overtuigt. Je bent onmachtig want hoe keer je de blik van de ander weer in zijn verliefde vorm terug, nee dat lukt niet goed. Soms is het er weer, dan weer niet. Het blijft daarna altijd een beetje behelpen. Zullen we die foto waarop we allebei wat zuur lachen, maar wel samen zijn, dan maar aan die ambtenaar opsturen?

Scene from Godard's Le Mepris (Contempt)

Femmy Otten - New Myth for New Family

Femmy Otten - New Myth for New Family

Femmy Otten - New Myth for New Family

Femmy Otten - New Myth for New Family

Wagenmenner van Delphi

Femmy Otten - New Myth for New Family

Een Grootse Liefde

Niemand heeft grip op de roes van de liefde, die je als een terrorist overvalt om je te knevelen en mee te voeren naar zoete oorden. In deze onderdompeling wisselen de pijn van het verlangen en het totale genieten elkaar af. Een grote liefde kan werken als een kantelpunt, als een ervaring die de wereld voorgoed transformeert. Tegenover me zit Femmy Otten en we praten naar aanleiding van haar recente installatie (New Myth for New Family, 2011) op de Rijksacademie waarin de liefde vibreerde en triomfeerde, en de toeschouwer verlegen werd van al die blikken rondom hem. Tussen ons in ligt een boek van Pierre Klossowski op tafel, een boek vol erotiek en voyeurisme. In de kleurpotloodtekeningen van Klossowski komt iets klassieks samen met iets tijdelijks en ook de gewelddadige kant van de liefde zien we terug in het werk, soms zelfs letterlijk zoals in de foto’s van het vastbinden van zijn vrouw Denise.

Otten vertelt over het moment waarop ze haar eerste reliëf maakte, kon maken, na een heel intense liefdeservaring. ‘Na een stabiele en prettige relatie van zeven jaar kreeg ik een ongekend heftige romance. Er is toen iets bij me opengeslagen wat niet meer is weggegaan, terwijl er ook iets kapot is gemaakt. Niet eerder wist ik dat je zo extreem kunt verlangen. Die overgave, je echt laten gaan, dat bracht deze liefde met zich mee. Om er na afloop weer van los te komen heb ik zijn verhaal opgetekend, alsof hij het schrijft, ik ben hem, en ik heb er een reliëf over gemaakt. Daarmee had deze ervaring z’n plek en kon ik weer verder. Die perspectiefwisseling ben ik blijven gebruiken: iedere keer als ik een werk maak schrijf ik vanuit het personage dat de aanleiding is voor een reliëf. Het geeft me een vreemd soort vrijheid.’

Femmy Otten - New Myth for New Family

Ergens in het boek van Klossowski kom ik de zin tegen ‘Then I married Denise very quickly. Denise represented reality while I was metaphysical.’ De realiteit van het lichaam omarmde zijn geest en voerde hem mee. Dat is wat de liefde doet.

In de installatie draagt een vrouw in halfreliëf op de muur een medaillon met het portret van haar geliefde dicht tegen zich aan. Het is een realistisch portret, hij draagt zelfs een bril. Boven haar hoofd zweeft een halo in verschillende lichte kleuren. Haar wang is een beetje geschaafd. Haar lijf is als in een vreemd bebloemd korset geperst en haar handen bungelen onhandig naar beneden. Tegenover het halfreliëf staan de twee geliefden op een berg met aardse attributen als een tas, een blauwe broek en een flesje bier. Twee A’s.

Femmy Otten - New Myth for New Family

‘Ik was zo in de ban van de liefde dat ik niet anders kon dan daar een werk over maken. Maar wie bezit nou wie, bezit hij haar amulet of omgekeerd? Met de pijlen, de halo, is het bijna een heiligverklaring van de liefde. Ik maak wel zijn portret maar in mijn gevoel gaat het over alle liefdes waar ik afscheid van heb moeten nemen. Terwijl ik midden in de roes van de liefde zit, loopt het vreemd genoeg toch vooruit op het einde.’

Klossowski spreekt ergens over een haperend moment, een aarzelend moment waarbij de hortende gebaren de indruk geven van onbekende krachten bezeten te zijn. De vreemde handen in de installatie van Otten lijken de directheid van de gezichtsuitdrukking tegen te spreken, iets weg te wuiven, hulpeloosheid. Of de gelaatsuitdrukking bevestigt wat de handen afwijzen, afkeuren of ontkennen.

Voormalig schrijver Klossowski sprak over zijn tekeningen als ‘de kunst van doofstommen die schilders zijn’. Staande in de installatie van Otten waait die stilte om je heen. Het is vooral de stilte van haar ervaringen die in deze installatie aanwezig is en die je als toeschouwer in de lucht met je vingers kan aanraken. Een gecondenseerd moment dat alles wat voorafging samenvat en vooruitloopt op de blikken van de kijker. De toeschouwer zit gevangen tussen de blikken, opgesloten en buitengesloten.

Otten vertelt over hoe ze in de zomer samen met haar vriend een fietstocht door Italië maakte, als een religieuze bedevaart langs de muurschilderingen uit de vroege renaissance. Hoe haar geliefde in schoonheid groeide door het fietsen, bruiner, gespierder, en zij zichzelf rood en zwetend erachteraan zag komen. De liefde heeft het overleefd. De fresco’s van Fra Angelico en Piero della Francesca waren opwekkend als zoete honing.

Otten: ‘De Madonna del Parto van Piero della Francesca in de kerk waar zijn moeder begraven ligt, is vrij van sentiment, pure schilderkunst. Zo ontroerend. Toen ik een fresco van Fra Angelico zag moest ik aan Henry Darger denken, die mate van detaillering herken ik heel erg, hij is zo op de vierkante millimeter bezig, daaruit spreekt een eigenaardige devotie, een bijna autistische bevlogenheid. Ik herken dat, dat is waar ik altijd naar op zoek ben, korte momenten dat je zeker weet dat het helemaal klopt, dat het goed komt in je werk. Een bestemd gevoel. Bij het uitvoeren ben ik heel langzaam aan het zoeken naar die precieze vorm. Totale toewijding, daar gaat het ook om. Heeft met vergetelheid te maken, die roes waarbij je in een soort hypnotiserende toestand terechtkomt. Een roes in alle stilte en concentratie.’

‘Hetzelfde overkomt me wel eens als ik een concert beluister. Tijdens een concert van een stuk van Schubert leek mijn lichaam te groeien, de ledematen voelden heel lang met grote warme voeten en handen aan het verre uiteinde. Dat je lichaam zich zo anders tot jezelf verhoudt, ook dat is een roes. Dat kan je ook gebeuren als je een heel fijne massage krijgt van iemand, maar het is veel intenser als het vanuit jezelf opkomt, veel grootser.’

Femmy Otten - New Myth for New Family

Op de expositie in Kunstvereniging Diepenheim zag ik haar de laatste hand leggen aan een reliëf, ze zette een koptelefoon op om zich af te zonderen en in uiterste concentratie maakte ze de schildering met een paar streken verf af. ‘Werken, ja, dat is een geweldige roes. Helaas kan ik dat niet altijd bereiken: soms lummel ik de hele dag rond op mijn atelier om dan om een uur of elf ’s avonds twintig minuten te kunnen werken. Daar heb ik dan die hele dag voor nodig. Dat maakt het soms heel frustrerend, dat maakt dat kunst veel tijd nodig heeft. Ik kan het proces wel versnellen door gewoon iets te gaan tekenen of te maken, dan komt het op gang, en ja, dan is het een meditatie.’

‘Francis Alÿs vindt die roes door te wandelen, door dat repetitieve. Het ritme van de voetstappen maakt dat je onderdeel wordt van een groter geheel. Ieder heeft zo zijn eigen rituelen om in een roes te raken.’

‘Het is een specifieke schoonheid die mij in zijn grip heeft. Ik kan er niet helemaal de vinger op leggen maar ik word er wel heel gelukkig van. Dat kan gewoon in de trein gebeuren, een jong meisje dat me obsedeert door haar schoonheid, daar geniet ik van, dat is superspannend, het avontuur van het kijken. Dat wil ik zo graag vasthouden. Dat gevoel dat iets zo makkelijk kan verdwijnen, kan ik slecht verdragen.’

‘Mijn werk gaat altijd over mensen die heel dicht bij me staan maar ook dan heb ik dat heel specifieke gevoel voor schoonheid. Zo gebruik ik vaak het gezicht van mijn jongste zusje want zij heeft die specifieke, magische schoonheid waar ik naar op zoek ben. Het is altijd heel duidelijk geweest wat ik mooi vond, het archaïsche, de simpele, krachtige vormen, vrij van emoties. Maar het is meer dan dat: het is iets oers, iets heel ouds, dat geen verhaal vertelt maar visueel is en een sublimatie.’

Als 13-jarige liep Femmy met haar moeder het Nationaal Archeologisch Museum in Athene binnen. Ze zag daar de wagenmenner van Delphi en begon te huilen. Een suppoost nam haar bij de hand en ze mocht over het hekje heen klimmen om zijn voet te aaien. ‘Dat beeld aanraken leek bijna een seksuele ervaring, zo sterk en allesomvattend.’ De wagenmenner, afkomstig van het heiligdom van Apollo te Delphi (470 v. Chr) is een statig beeld van 1 meter 80 in brons. Een lange man wiens zware gewaad in plooien naar beneden valt. Een open blik, in kleur ingelegde ogen, iets geopende mond. Een ervaring die de wereld alvast een beetje deed kantelen.

Wagenmenner van Delphi

Een doosje lucifers is een wonder op zakformaat. Verwoestende kracht gegijzeld in een massaproduct, getemde natuur in een pakje. De lucifer is in al zijn nietigheid een groots symbool voor de manier waarop de mens de elementen naar zijn hand heeft gezet.

Hoe onze voorouders hebben geleerd om vuur te hanteren valt niet met zekerheid te zeggen. Wel is aannemelijk dat het lang heeft geduurd voor oermensen vuur niet alleen konden meenemen en onderhouden na een natuurlijke brand, maar het ook zelf konden laten ontstaan. Sinds de uitvinding van de lucifer is de kunst van het vuur maken kinderspel. Nooit eerder was vuur zo gebruiksvriendelijk en mobiel. Lucifers waren bovendien ‘de enige door mensen gemaakte voorwerpen die zo goedkoop waren dat men zelfs een vreemdeling erom kon vragen,’ schrijft de socioloog J. Goudsblom in zijn boek Vuur en Beschaving.

Talloze wetenschappers en filosofen hebben zich over de vraag gebogen wat de mens onderscheidt van de dieren. Sommigen beschouwen het gebruik van taal of werktuigen als typisch menselijke verworvenheden, maar er zijn ruimschoots aanwijzingen dat apen en andere dieren ook gereedschappen maken en complexe communicatiesystemen beheersen. Volgens Goudsblom heeft de menselijke soort slechts op één bekwaamheid het monopolie: vuurbeheersing. Inmiddels hebben wij de hele aarde in brand gezet. Op foto’s gemaakt vanuit de ruimte gloeit de nachtelijke aarde van het gedomesticeerde vuur van huizen, fabrieken, straten en wegen.

Een negentiende-eeuwer gebruikte gemiddeld zes à acht lucifers per dag, tegenwoordig kunnen er weken passeren zonder dat je een lucifer afstrijkt. We zijn weliswaar volkomen afhankelijk van brandstoffen en de energie die we daaruit winnen, maar de bronnen van ons geëvolueerde vuur onttrekken zich aan ons zicht. Het vuur van nu zit opgeborgen in centrales, fabrieken, motoren, kabels en batterijen. We ontsteken lampen, fornuizen, auto’s en andere apparaten door op knoppen te drukken. Vuur in zijn natuurlijke vorm, vlammend en rokend, is ornamenteel geworden. Kaarsen en kamp- en haardvuur behoren tot het domein van de romantiek en de vakantie, het zijn sfeermakers geworden. Een enkeling rookt nog, maar de electrische sigaret is in opkomst.
Geleidelijk aan is de lucifer een nostalgisch voorwerp geworden. Zullen er genoeg gebruikers overblijven om ze voor uitsterven te behoeden? Vast wel. Er is weinig ontroerender dan een doosje lucifers. Als een verzameling djins liggen de ongebruikte houtjes te slapen in hun kartonnen behuizing. Elke lucifer is een lont, een kans om iets in gang te zetten. Desnoods vonkt er slechts een kortstondige illusie, zoals in het verhaal van het meisje met de zwavelstokjes, dat op blote voeten bosjes lucifers verkocht op oudjaarsdag. Zij ontsnapte aan de kou en de honger door haar eigen onverkochte handelswaar te onsteken, en beleefde bij elke lucifer een visioen tot de dood haar overviel. Against a single match the darkness flinches - zo luidt de naam van een dia installatie van mediakunstenaar Jeanne C. Finley uit 1998. Soms is een titel een kunstwerk op zichzelf.

Ik fantaseerde vroeger soms over een reis naar een productiebos van een luciferfabriek. Ik wilde wandelen tussen de bomen die als vuurstekjes in lichtgewicht doosjes zouden belanden, doosjes waar je mee kan schudden om het geluid te horen van flinterdunne beloften die tegen elkaar aan botsen.

Op twee terreinen wordt de lucifer nog altijd op waarde geschat. Allereerst op de markt van het noodpakket. Wat als de aarde wordt getroffen door een kernbom, een natuurramp, een inslaande meteoriet, waardoor alle electrische netwerken het begeven? Wie kans wil maken zo’n ramp te overleven, moet zelf vuur kunnen maken. In geen enkel noodpakket ontbreken dan ook speciale superlucifers, waterbestendig en extra dik.

Daarnaast blijven lucifers geliefde rekwisieten bij rituele en religieuze gelegenheden. Misschien omdat ze de schijn van tijdloze natuurlijkheid bieden, met hun analoge vlam en oergeur van brand. Maar waarschijnlijk ook omdat het afstrijken van een lucifer zelf een bescheiden ritueel is, waarbij licht en warmte ontstaan ten koste van onomkeerbare destructie. Elke lucifer gaat per slot van rekening te gronde aan zijn eigen functie. Dat maakt het afstrijken van een lucifer tot een gewichtig moment. Hoe vluchtig en nietig ook, het is een offer. Een drama van dertig seconden met alles erop en eraan: de opmaat van het afstrijken, de belofte van de ontbranding, de onvermijdelijke vertering die volgt als het vuur het hout verslindt, de catharsis van de bevrijding van licht en warmte, de ondergang als het materiaal is uitgediend. Maar zonder einde geen begin.

De jacht is een symbool van het verlangen naar de Ware, The One. De jager eigent zich de macht toe om lief te hebben, totale vreugde te beleven aan het ritueel. Maar al is het spel nog zo fraai en verleidelijk; de jacht is tragisch. Sandor Marai ziet zijn vrouw als prooi, Petrarca beschouwt de liefde als een gif dat lekker smaakt en ook bij Leonardo Da Vinci zijn genot en smart met elkaar verbonden. Waar ook op gejaagd wordt en wat er ook verleid wordt, altijd heerst ambivalentie.

Een echte jager heeft een geweer. Geen pistool, maar een groot lang voorwerp waarmee gedood wordt: een konijn, een hert, een haas. Een jager is een moordenaar. De jacht roept beelden op van honden in roedels, jagerskledij, de lucht van bos en natte bladeren. Een druppel aan zijn neus.

Daar dacht ik aan toen ik een wit dildo-achtig object bekeek, met een schattig gewei op de top dat herinnert aan twijgjes. Het witte langwerpige beeldje heeft een naad die overdwars loopt, waardoor het ook lijkt op speelgoed: ooit was ik in het bezit van een plastic pop met een overdwarse naad. Het wit maakt het beeld onschuldig, de vorm doet denken aan een vrouwenlichaam met een Bami-achtig hoofd. Het kunstwerk heet Deer squirrel (Hert eekhoorn) en is gemaakt door de New Yorkse kunstenaar Robert Beck (1959). Op internet staat een afbeelding van een ander kunstwerk van Beck, materiaal: gunpowder on paper. Een wit vel met buskruit, zwart poeder in een cirkel alsof er geschoten is. Bambi, het opgejaagde hert, geschoten door de jager.

In het boek Kentering van een Huwelijk van de Hongaarse schrijver Sandor Marai staat een prachtige scene waarin de ik-figuur de vrouw besluipt die hij begeert. Hij nadert haar als een prooi en denkt er later aan terug om zijn beweegredenen af te tasten: ‘Het is heel goed mogelijk dat ik toen nog diep, heel diep in mijn hart hoopte dat er ergens ter wereld een lichaam was dat volledig met het mijne zou harmoniëren en dat ik met behulp daarvan de dorst van het verlangen en de verzadiging van de bevrediging tot een milde rust zou kunnen transformeren – overeenkomstig de droom die de mensen ‘geluk’ noemen. De fout van deze gedachte was dat geluk niet bestaat, maar dat wist ik in die tijd nog niet.’

Eigenlijk komt het erop neer dat de hoofdpersoon ‘geluk’ najaagt en of geluk nu wel of niet bestaat, duidelijk is dat het een tijdelijke toestand is en geen blijvende constante. Geluk is net als het leven, het gaat voorbij. Liefde in al zijn vormen eist juist het omgekeerde: iets eeuwigs, voor altijd, als het zachte gebrom van een personal computer die aanstaat als je er een stukje op tikt. Oftewel: zolang je ademt, heb je de plicht lief te hebben. Vandaar dat liefde, de verleiding, altijd gepaard gaat met doodsverlangen, een gefixeerde stilstand van een ogenblik met de wens zichzelf op te heffen en te versmelten. De jacht –vanzelfsprekend gekoppeld aan moord –is een symbool van dit verlangen naar de Ware, The One. Het gejaagde object is in zekere zin altijd onschuldig en de jager eigent zich te macht toe om lief te hebben, totale vreugde te beleven aan het ritueel: het geweer aanleggen, de stilte in het bos, sluipen langs ritselende bladeren, een prachtig raak slot. Tenslotte blijft er steeds een lijk achter tot de volgende jacht. De verleiding, de ware verleiding gaat beslist hand in hand met spel en flirt, waarin de onschuld allang is afgelegd en men geen hert meer is maar misschien een eekhoorn, die vrolijk op en neer springt, uitdagend van tak naar tak. Of zoals in New York, de stad waar Beck vandaan komt, als een rat de vuilnisbakken afschuimt om wat te eten te vinden—‘ ratten met staarten’ is aldaar de bijnaam voor eekhoorns.

Ach, die zoete verleiding, het heerlijk spel van de flirt. De Franse schilder Jean-Honoré Fragonard (1732-1806) maakte vele schilderijen van vrouwen in kanten jurken die bepruikte mannen versieren. Een ervan behelst een vrouw op een schommel, onder haar ligt een jongeman die onder haar onderrok kan kijken doordat zij haar been opheft en haar linker muiltje naar hem toewerpt. De afbeeldingen van deze Franse rococoschilder die ten tijde van Louis XIV, de zonnekoning, leefde, zijn voor ons nu kitscherige plaatjes. Hij moest zijn schilderscarrière door de Franse revolutie beëindigen, vervulde zijn laatste levensjaren administratieve functies en stierf tenslotte onbekend. In zijn liefdesleven heb ik mij niet verdiept maar uit zijn schilderijen blijkt dat verboden, geheime genoegens aantrekkelijk zijn. Ook het ritueel van de jacht heeft iets verbodens, want in de stilte—in het geheim—wordt de prooi beslopen door de jager om niet betrapt te worden: de buit zou immers kunnen ontsnappen. Al is het spel nog zo fraai en verleidelijk, toch is de jacht tragisch. Het doden is kil, soms weerzinwekkend, soms noodzakelijk. Altijd draait het om het schot. Raak of niet?

Fragonards De Schommel

De beroemde filosoof Petrarca (1303-1374) schreef over de liefde: ‘In weerwil tot mijzelf heb ik lief, gedwongen door het lot met droefheid en tranen.” Hij voegde er aan toe dat de liefde ‘een hel is waarvan de dwazen hun paradijs maken’, een ‘gif dat lekker smaakt’, ‘een aantrekkelijke foltering’ en ‘een dood die het uiterlijk van het leven heeft’. Oftewel: genot en smart zijn onherroepelijk met elkaar verbonden, als een Siamese tweeling.

Petrarca (1304-1374)

Leonardo da Vinci maakte een allegorische tekening waarop twee mannen staan afgebeeld die romp en benen delen. Zij stellen Smart en Genot voor. De ene man is oud en draagt een twijgje van een eik, de ander is jong en heeft riet in zijn hand, laat enkele goudstukken achteloos vallen. Da Vinci gaf het volgende commentaar: ‘Zij zijn afgebeeld met hun rug tegen elkaar omdat ze elkaars tegendeel zijn, maar ontspruiten uit dezelfde romp, omdat zij beiden een zelfde oorsprong hebben. (…) Het genot is afgebeeld met in zijn rechterhand een riet, onbeduidend en zwak, dat venijnige wonden kan veroorzaken.’

Da Vinci's tekening

Genot najagen of de liefde verheffen in de geest door droombeelden na te jagen, daar gaat het Da Vinci om. Het laatste is groter, intenser dan het lichamelijk genot; de droom van de Ware is immers gekoppeld aan wensen en fantasieën die uiteindelijk eindigen in smart. Het dodelijke schot van de jager is niet verlossend, maar de brenger van pijn. Waar ook op gejaagd wordt (een man, een vrouw, een hert) wat dan ook verleid wordt (een meisje, een jongeling, een oudere) altijd heerst ambivalentie, zoals het zitten om een schommel angst (ik ga te hoog, straks val ik nog) en vreugde (ik vlieg) doet afwisselen. Op en neer, van de hemel naar de aarde – au, wat een verlangen.

De camera obscura is een vreemd en bijna magisch verschijnsel waarbij een beeld ontstaat in een donkere ruimte doordat licht door een gaatje heen schijnt. Waar het licht valt ziet men een beeld van de buitenwereld in kleur geprojecteerd, ondersteboven, maar met alle gevoel voor perspectief en diepte behouden. Tijdens de zomer van 2013 bouwde Teun Verheij zijn studentkamer om tot één grote camera obscura:

Het is ochtend. Ik zitten tussen cartooneske wolken die lamlendig de vloer over kruipen. Het is verbazingwekkend licht, en stil ook, nu dat het brandalarm zijn schreeuwen heeft gestaakt. Zwart tuinbouwplastic verzamelt de hitte van de straten, en focaliseert het zodat een smalle, hete zon zich tussen de wolken toont. Hier kan alleen de schaduw van de wind mij vinden, het schudt de bladeren van de bomen die aan een betonnen lucht hangen. Als gevolg hiervan kook ik hier al weken levend, maar het is het waard – ik hou van de grote gele bestelbus die het plafond patrouilleert terwijl we spreken, de spelende kinderen, de ondraaglijk fragiel ogende fietsers – maar geen foto’s voor jouw hongerige ogen! Want met een lange sluitertijd kan iedereen er iets van maken, het is een vorm van bedrog, opwindend en belonend, maar uiteindelijk onbevredigend. Vanbinnen foto’s nemen is alsof je de hersens scant van een cycloop met een vierkanten schedel, als het nemen van een foto vanuit een foto.

Blijf er liever een tijdje. Eet er, slaap er, ontwaak er. Het is alsof je alleen in een theater woont terwijl schimmen uit de buitenwereld hun spokenspel opvoeren, van jou totaal onbewust. Toch verschilt het volkomen van een verborgen camera, of van bespioneren— wat je ziet is inmiddels al gerecycled en gefilterd door dat ene oog dat alles ziet voordat jij het ziet. Geheimen worden eerder verborgen dan verhuld.

Filosofisch gezien is de camera obscura net de doos van Pandora, toch wordt ik al misselijk van het denken aan de gebruikelijke voorbeelden (de grot van Plato, het Cartesiaanse theater, psychoanalytische en feministische beschrijvingen van de ‘Male Gaze’, zelfs de wat gedurfdere kronkelingen van surveillance theorie, laat staan de bibliotheken volgestouwd met de meer ‘obscure’ aspecten van de fotografie.) Bovenal vind ik dat ze op een of andere manier de plank totaal misslaan. De magie van de camera obscura valt in een boek niet te vatten, en toch ontstijgt het pure optiek.

Tussen de banken en de boekenkasten zweeft een verdwaalde zeemeeuw, en ik denk nergens meer aan…