241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Douglas Gordon, Black Star, 2002

De interessantste kunstenaars zijn altijd degenen die het onmogelijke proberen te doen. Ze horen bijvoorbeeld iemand van de grootste lampenfabriek ter wereld zeggen: ‘Grijs licht is niet te maken, wij hebben het op allerlei manieren geprobeerd maar het is onmogelijk!’ en meteen denken ze: ‘O ja? Dat zullen we dan wel eens zien!’ De Amerikaan James Turrell is zo’n kunstenaar. Wat Philips niet voor elkaar kreeg lukte hem vrij makkelijk. Hij ging aan de slag met een paar tl-buizen, peertjes en filters, en jawel hoor, licht van het zuiverste grijs.

Heel knap gedaan, en het roept meteen de vraag op of zoiets ook met zwart licht zou kunnen. Niet erg waarschijnlijk, want ‘zwart’ betekent zoveel als ‘geeft geen licht af’, en hoe kun je nu ooit licht maken dat geen licht afgeeft?

De Nederlandse kunstenaar Rob Scholte heeft eens een schilderij gemaakt van zwart licht (Nachtlicht, 1984). Er stond een groot Philips-embleem op met een cirkelvormig gat erin, en daar doorheen zag je een bureaulamp waar een zwarte vlek uit kwam alsof het een roetspuwende schoorsteen was. Best grappig, maar minder sterk dan het grijs van Turrell, want bij hem was het echt licht en bij Scholte alleen maar verf. Toch werd Scholtes zwarte licht weer iets echter toen een ansichtkaart van het schilderij bij Philips terecht kwam, en ze daar ontstaken in woede. Advocaten van de wereldfirma eisten dat de kaart uit de handel werd genomen, een bespottelijke actie natuurlijk. Alsof ze kunstenaars konden verbieden te spelen op een terrein dat ze zelf gefrustreerd hadden verlaten.

Overigens had Philips wel succes met het maken van black light, maar dat is iets anders dan zwart licht. Black light is een benaming voor lampen die van het hele kleurenspectrum maar een klein stukje uitstralen, namelijk alleen het gedeelte rond het ultraviolet. Iedereen kent die lampen wel, van disco’s onder andere. Maar in disco´s zijn er zoveel mensen en voorwerpen waar dat licht op kan terugkaatsen, dat je het misschien wel als vreemd maar zeker niet als zwart ervaart. Om die beleving wel te krijgen zou je de hele ruimte leeg moeten halen en zelfs de wanden moeten verdoezelen.

Douglas Gordon, een Schotse kunstenaar, heeft zoiets gedaan in zijn installatie Black Star (2002). Het licht in dit kunstwerk is doodeng, bijna Röntgen, elk haartje zie je op je kleren, elk huidschilfertje op je handen, en de andere bezoekers lijken wel spoken. Uit verborgen luidsprekers klinkt de stem van de kunstenaar, die voorleest uit de 19de-eeuwse griezelroman De persoonlijke herinneringen en bekentenissen van een terechte zondaar (van James Hogg). De ruimte lijkt vormeloos en biedt geen houvast, tot je precies in het midden staat en ontdekt dat het een vijfpuntige ster is, het symbool van de duivel. Letterlijk en figuurlijk een zwart kunstwerk dus.

Beslist een spannende ervaring, al wordt er in Black Star natuurlijk geen zwart licht gemáákt. Gordon heeft vooral, zoals dat ook al eeuwen in spookhuizen en griezelkabinetten gebeurt, het gewone licht buitengesloten en met een selectief schriklicht zijn effect bereikt. Maar buitensluiten van licht is niets nieuws, het is al zo oud als de nachtelijke schaduw van de aarde zelf. De vraag was of er iets te maken valt dat zelf donkerte produceert. Of het mogelijk is een lichte kamer binnen te komen, op de schakelaar te drukken en een peertje aan het plafond de hele kamer in het donker te zien zetten.

Het heeft er even op geleken dat de oplossing van een paar slimme wetenschappers zou komen. Op 9 september 1987 publiceerde de Amerikaan James DeLucas een artikel met de titel Definition of a Darkbulb. De eerste zin was: ‘The darkbulb is an electronic device that produces darkness.’ In de rest van het artikel werd precies uiteengezet hoe het zwarte peertje werkte, welke bestaande en nieuwe technologie erin zat, dat het dankzij deze vinding mogelijk werd overdag, door een druk op de lichtknop, in het donker een tukje te doen, en zo verder.

Jammer genoeg bleek het artikel afkomstig te zijn uit The Journal of Irreproducible Results, en er is dan ook nooit meer iets van de darkbulb vernomen. Blijkbaar moeten we het van de wetenschappers al evenmin hebben als van de lampenfabrieken, zodat we toch weer bij de kunstenaars terecht komen. Eigenlijk niet meer dan logisch ook, want door de eeuwen heen is nergens het verlangen naar het zwarte licht zo groot geweest als juist in kunstenaarskringen. Nog vorig jaar drukte de Zwitser Ugo Rondinone dat verlangen uit door van was een twee meter grote zwarte gloeilamp te maken. Alsof hij had gedacht: als ik geen lamp kan maken die de kamer vult met donkerte, dan maak ik wel een donkere lamp die zelf de hele kamer vult.

Waarschijnlijk moeten we de kunstenaars gewoon de tijd gunnen, dikke kans dat er dan op den duur vanzelf een even onverwachte als vernuftige oplossing uitkomt. Wetenschappers en lichttechnici zijn weliswaar theoretisch aanzienlijk beter onderlegd dan kunstenaars, maar daar staat tegenover dat kunstenaars veel dwarser en flexibeler kunnen denken. Ze zouden bijvoorbeeld op een dag best op het idee kunnen komen dat, om het zwarte licht in te schakelen, die lichtknop niet op de kamermuur moet zitten maar op de mens zelf. Als je erop drukt zouden je oogbollen in de kassen even een slag naar achteren kunnen maken, zodat het even heerlijk donker wordt. Je gezicht ziet er dan uit als bij Blind Ernest (White), een door Douglas Gordon gemaakte foto van een man met alleen oogwit, zonder pupillen (2002). Ernest glimlacht er tevreden bij, een teken dat hij zich kiplekker voelt in het zwarte licht.

De definitieve oplossing voor het probleem is zoiets natuurlijk nog niet, want het blijft uitsluiten van wit licht en er wordt nog steeds geen zwart licht gemáákt. Maar zo gaat het nu eenmaal in de kunst, het probleem blijft, het houdt nooit op, er komt geen eind aan.

http://www.cornelbierens.nl/

“You can’t have anything. You can’t have anything at all. Because desire just cheats you. It’s like a sunbeam skipping here and there about a room. It stops and gilds some inconsequential object, and we poor fools try to grasp it – but when we do the sunbeam moves on to something else, and you’ve got the inconsequential part, but the glitter that made you want it is gone. “ F. Scott Fitzgerald, uit The Beautiful and Damned

Inderdaad, verlangen glipt zo makkelijk door onze vingers zodra we datgene wat we begeren eenmaal beethouden. En met één knipper van de ogen zijn we wederom verblind door de schittering van een volgende onbekende schoonheid, de volgende belofte van liefde, van vervulde verlangens.

Laag na laag wordt het fineer weggekrast. Soms is dit een langdurig proces dat jaren, maanden, dagen beslaat. Anderzijds kan het vuur ineens en zonder waarschuwing worden gedoofd.

(Natuurlijk moeten we niet al te cynisch worden. Liefde bestaat voorbij de glans van verlangen, maar degene die dat geluk nog niet gevonden hebben storten zich al te graag telkens weer de dwaasheid in.)

In een boedelverkoop wordt een koffer gevonden vol foto’s en getypte vellen papier. Al die paperassen documenteren een hartstochtelijke affaire die zich afspeelde tussen mei 1969 en december 1970 ergens in Duitsland. Een affaire. Wat een verrukkelijk woord. Met de pil in de handtas en een nieuwe moraal in het hoofd kon de seksuele revolutie beginnen. Seks voor het huwelijk werd steeds normaler en vervolgens werd ook het huwelijk afgeschaft. De vrijheid lonkte naar iedereen.

Chronik einer affare

Het boek Open huwelijk gooide de ramen wijd open en beschreef hoe je elkaar met respect vrij kon laten. Getrouwde stellen deden aan partnerruil of organiseerden sleutelparty’s. Bij binnenkomst gooiden de mannen hun huissleutel in een grote pot en na een gezellig samenzijn waarbij een glaasje wijn of sherry werd geschonken pakten de vrouwen een sleutel uit de pot en vertrokken met de bijbehorende man naar diens huis om een hartstochtelijke nacht te beleven, en natuurlijk werd er wel eens vals gespeeld (mijn sleutel zit aan de sleutelhanger met een vredesteken).

Een affaire intrigeert meer dan het geregelde overspel omdat het gaat om passie voor die ene man of vrouw en alle geheimen die eraan vastkleven, want revolutie of niet, getrouwde mensen vonden het toch niet simpel om hun partner met een ander te delen. Bij iedere verliefdheid of slippertje drong de keuze van wel of niet open kaart spelen zich op. En dan de praktische kant... Hoe organiseer je overspel? Hoeveel overwerk is nog acceptabel? Altijd behoedzaam opletten dat er geen veegje pancake op het boord van je overhemd terecht is gekomen. Sporen uitwissen is noodzaak in een slippertje of relatie buiten de deur.

chronik einer affare, in het bos

Chronik einer affäre. Dit archief van een geheime affaire gaat dan ook tegen alle regels in. In plaats van de bewijzen naderhand te vernietigen brengt de hoofdpersoon Günther als een nauwgezette boekhouder het verloop van zijn overspelige liefde in kaart, hij produceert bewijzen met foto’s en beschrijvingen.

Günter is 39 jaar, eigenaar van een bouwbedrijf, en zijn maîtresse Margret is 24 en zijn secretaresse. Op de eerste zwart-witfoto’s van 11 mei 1969 zien we Margret op de zaak achter de typemachine, ze kijkt wat verlegen naar de camera in een licht truitje met twee zakjes precies op haar kleine borsten. Haar wenkbrauwen lopen als rechte streepjes met een knik de hoogte in naar haar slapen. Het haar is donker. Op een andere foto poseert ze zittend op een tafel met haar rok een flink eind opgetrokken.

chronik einer affare, in de badkamer

De eerste notitie van Günther is van vrijdag 9 januari 1970: ‘Fr. 9.1.1970: haren getont’ (haren geverfd), en in de daaropvolgende serie portretten zien we Margret met rode haren in een moderne coupe met een pony. Günther transformeert zijn secretaresse tot een mondaine vrouw, hij kleedt haar aan, koopt kousen voor haar, sieraden en fotografeert erop los. Deze affaire volgt een aantal clichés op de voet, de secretaresse draagt eigenlijk een bril, zo is op een foto te zien, maar in de rol van verleidelijke vrouw zet ze de bril liever niet op. Hij neemt haar mee naar de mondaine wereld van kuurhotels, casino’s en diners op kastelen. De liefde mag gevierd worden. Margret poseert naast een bos bloemen in een vaas, in een oranje badkamer, tegen het decor van de parkachtige tuinen rondom de mondaine hotels. Ze rookt vaak en vol genoegen want niets is lekkerder dan een sigaret na het liefdesspel. Hij fotografeert zijn geliefde tijdens het rendez-vous, voor en na de seks. Als de tijd vordert worden de notities talrijker en de details zijn zowel droog als smeuïg.

Chronik einer affare

In de eerste langere notitie, getypt op een vel van een kalender met daarop groot het cijfer 8, ‘dienstag, Maria Geburt’, beschrijft Günther de volgende scène:

Maandag 7.9.1970: In de middagpauze zegt Leni [Günthers vrouw] tegen Margret: Frau, u heeft een minderwaardig karakter, u verstoort een goed huwelijk.

Dinsdag 8.9.70: Om ongeveer 10 uur zegt Margret tegen mij: Je laat deze belediging van je vrouw tegen mij zomaar passeren? Met het geslachtsverkeer is het uit, spring maar op je eigen vrouw, doe wat je wil, bij mij kom je er niet meer op.

Later moet mijn vrouw zich in de middagpauze van 8.9.1970 bij haar verontschuldigen.

Dezelfde middag sluipen ze weer naar boven om het liefdesspel weer op te pakken en de notitie eindigt met:

Teufelsalat gegessen.

Alles in Ordnung wiederum.

De seksuele revolutie is in volle gang en toch bepalen oude conventies en machtprincipes de positie van de man en de vrouw. De baas en zijn jonge secretaresse. De vrouw van Günther, Leni, is op de hoogte van zijn overspel, zij verdraagt het en ze vernedert zich zelfs. Margret wentelt zich in de rol van geliefde, ze loopt over van zelfvertrouwen en speelt het hoog. Haar man weet niets van de affaire en als de baas zijn secretaresse keurig thuisbrengt na een zakenreisje of overleg drinken ze gezamenlijk nog een glaasje.

Hij noemt haar Zini en zij noemt hem Schnaggel.

Vanaf januari 1970 neemt ze de pil. Günther bewaart de lege strip. Net als haren, stukjes nagels, een handdoek met een bloedvlek, rekeningen, bonnetjes van gekochte kleding. Ze lijken een obsessieve liefde te bezweren.

In 1970 maken ze samen tweemaal een reis.

De looks zijn typisch jaren zeventig met een hoog getoupeerd kapsel, korte mini-jurkjes van trevira boven opengewerkte panty’s en de poses zijn van een vertederende onschuld. Het meest onthullend is een naakte Margret in de badkamer die zich afdroogt, huiselijker kan het niet. Of we zien de uitgetrokken jurk op het bed. De foto’s zijn stuk voor stuk perfect, de liefde maakt iedere man tot een goede fotograaf, niets mooier dan de verliefde blik.

Alleen in woorden wordt het liefdesspel explicieter. Tijdens een van de reizen maakt Günther een lijstje met alle keren dat ze seks hebben:

Woensdag 12 aug. 1970: 17 uur-18 uur 15 1x

Begin van haar periode (tampon) desondanks inwijdingsfeest

Dinsdag 18 aug. 1970: 15 uur 15-15 uur 20

Gele stoel voor het aquarium (zittend) 1x

Woensdag 2 sept. 1970: 17 uur 05-18 uur 1x

Met mooie muziek, daarna gerust

Enz. enz.

Als de tijd vordert worden zijn beschrijvingen langer en explicieter. Naarmate de liefde gecompliceerder wordt, komen er minder foto’s en meer woorden.

Maandag 2 nov. 1970

Tussen de middag om 1 uur met haar kut en haar kittelaar gespeeld tot ze klaarkwam. Om 5 uur gingen we naar boven. Wit-blauw-bruine jurk en witte laarzen. Na een drankje werd die jurk uitgetrokken en trok ze de door mij cadeau gegeven bruine jurk met de 5 respectievelijk 8 messing knopen aan. Hij paste perfect. Opnamen in de eerste jurk van voren, daarna in de bruine jurk bij de bar. Dan naar bed. Beiden totaal naakt. Haar twee borsten gelikt, haar borstelige kuthaartjes gestreeld en met haar kittelaar gespeeld tot ze op mij kroop. Eerst in de normale houding, dan in de speciale. Het was verrukkelijk.

Als het stel in Bad Eims verblijft, veroorzaakt de echtgenoot van Margret, Lothar, een dodelijk ongeval met een 70-jarige fietser, zo lezen we in de getypte aantekeningen, maar de vakantie wordt niet afgebroken en er wordt verder niet meer op teruggekomen.

En dan, plots, is daar Giesela, daarna Ursula. Op aandringen van Margret, die een mogelijke verdenking wil afwenden, maakt Günther afspraakjes met andere vrouwen. En met evenveel genoegen beschrijft Günther het liefdesspel met Giesela, na hun diner in Grill-restaurant Goldener Pflug (bon bewaard) neemt hij haar mee en aansluitend neukt hij met haar, hij noemt haar seksueel uitgehongerd. En Margret betitelt hij als extreem jaloers.

Fraulein Ursula, 21 jaar geworden in nov. 1970, groot slank, ze ziet er heel goed uit. Witte laarzen, groene jurk, zwarte haren.

Margret raakt in paniek.

In de aantekeningen van Günther lezen we: Margret zei onmiddellijk, ofschoon ze haar niet gezien had: Je bent verliefd, ga niet met haar door, Günther, ga alsjeblieft niet met haar door, niet met haar. Ik bleef onverbiddelijk en Margret opende het portier van de Opel Kapitän in de Subbelratherstrasse en sprong uit de auto.

Günter rijdt door, en keert terug naar Ursula. De laatste zin in dit lange stuk: In dezelfde nacht maakt Margret ruzie met haar man en zegt: Ik wil van je scheiden.

In de volgende notitie haalt hij Margret weer van huis op en ze bedrijven de liefde. Sie war wirklich so wie ich mir eine verliebte Frau wünsche.

Zijn laatste beschrijving is een uitgebreid verslag van het liefdesspel.

Het is een onaf verslag, fragmentarisch, waarin we veel tussen de regels moeten lezen en zelf moeten invullen. Wat bezielt deze man om lijstjes te maken en zijn affaire zo punctueel vast te leggen? Mogelijk wil hij de liefde vasthouden, tijdens het opschrijven nogmaals de sensaties beleven. Hij wil zijn obsessie een platform geven. Hij wil zijn totale beheersing van de situatie bevestigen, hij is heer en meester van deze affaire. Zou hij zijn verslagen typen in de huiskamer in het gezelschap van zijn vrouw? Op kantoor? En waar bewaart hij die koffer met belastend materiaal? De koffer werd in een huis aangetroffen. Op zolder? En zijn vrouw heeft die hele liefdesboekhouding niet een keer met de vuilnis meegegeven. Ze slikt, ze slikt nog eens. Zeker is hij het soort man dat zoveel macht over zijn vrouw heeft dat ze het zich allemaal laat welgevallen. De feministische revolutie moet nog beginnen.

Margret, Chronik einer affäre, Mai 1969 bis Dezember 1970. Uitgever Walther Köning, Keulen, 2012.

Het was de bruidegom zelf die mij opbelde. ‘Wij hebben besloten,’ zei hij, ‘dat jij op ons huwelijk een woordje gaat spreken.’

‘Op jullie huwelijk, een woordje spreken? Maar waarom ik, die zelf nooit aan trouwen is begonnen? Wat zeg je, de kunst? Je weet toch dat in de kunst vrijwel alle gehuwden vroeg of laat slaags raken? Een goed huwelijk wordt al gauw kitsch, daar is nauwelijks kunst van te maken.’

Hij lachte alleen maar, ten teken dat hij niet los zou laten. Hij wist maar al te goed dat de eer te groot was om ervoor te bedanken.

‘Je doet het dus!’ zei hij ten slotte.

‘Eén woordje dan,’ zei ik, en ik begon meteen te denken.

Het eerste beeld dat me te binnen schoot was het huwelijksportret van de Arnolfini’s, in 1434 geschilderd door Jan van Eyck, een wereldberoemd schilderij dat niet bepaald naar trouwen deed verlangen. De jonggehuwden staan er gelaten bij, diep verzonken in hun eigen gedachten, op het neerslachtige af. Zij kijken elkaar niet aan en pakken elkaar niet beet, alleen hun vlakke handen maken contact. En precies daar, op hun enige raakpunt, heeft de kunstenaar, als onderdeel van een op die plaats ‘toevallig’ aanwezig meubel, een grijnzend monstertje geschilderd, een stille, vrolijke getuige van de schijnheiligheid van de hele vertoning.

Die grinnikende tronie riep weer een ander beeld op, een foto die Elliott Erwitt in 1967 maakte in Siberië. Op een rijtje stoelen in wat vermoedelijk een wachtlokaal is, zit een jong bruidspaar, braaf tegen elkaar aan, netjes gewassen en gestreken. De man en de vrouw zitten daar op de mooiste dag van hun leven, maar aan hun hele lichaamshouding is te zien dat zij er niet in slagen zichzelf tot middelpunt van de gebeurtenissen te maken. Met een mengeling van wantrouwen en bewondering kijken zij naar degene die de hoofdrol moeiteloos van hen overneemt: een jongeman die een stoel verderop lekker vlot en onafhankelijk zit te wezen, met een gezicht dat zo overloopt van de binnenpret dat het elk moment in een onbedaarlijk lachen kan uitbarsten.

Veelzeggende beelden, al was ik er lang niet zeker van dat ze mijn huwelijkswoord ook maar enigszins dichterbij zouden brengen.

Ik besloot een deskundige te raadplegen, een goede bekende, die niet alleen zelf al meer dan vijftig jaar getrouwd was, maar ook jarenlang, als een soort hobby, wekelijks een paar huwelijken had voltrokken. Hij had daarbij ook gesproken, maar waarover eigenlijk precies?

‘Over de liefde natuurlijk!’ riep hij door de telefoon. ‘Liefde is alles, sterker nog dan geloof en hoop. Je kunt geloven wat je wilt en hopen tot je een ons weegt, maar je doet dat als het ware steeds in het luchtledige. Liefde daarentegen is zuurstof, ademen en laten ademen. Ik zei bij die huwelijken altijd: het is de kunst om de ander z’n eigenheid te gunnen, en het enige wat je daarvoor nodig hebt is liefde.’

‘Aha, all you need is love!’ zei ik.

‘Ja, zo zou je het kunnen samenvatten.’

Ik bedankte hem hartelijk en dacht heel even dat mijn probleem was opgelost. Want waarom zou ik op die bruiloft niet, zodra het mijn beurt was, naar voren kunnen stappen, het bruidspaar aankijken en zeggen: ‘All you need is love’, en het daarbij laten? Alle aanwezigen, ongeacht hun burgerlijke staat of nationaliteit, zouden mij direct begrijpen, ik zou niemands geduld onnodig op de proef stellen en iedereen zou zich, met die ene universele waarheid nog zingend in het achterhoofd, op de bruidstaart kunnen storten.

Maar dan vergat ik gemakshalve toch iets: dat ik All you need is love al ruim vijfentwintig jaar geleden verkocht had! Ja, in een aanval van weerzin tegen alles wat ‘love’ en Beatles was, had ik al hun LP’s, EP’s en singles naar De Platenboer gebracht en verpatst, inclusief Magical Mystery Tour waarvan All you need is love het laatste nummer was. Van de ene dag op de andere waren die songs onuitstaanbaar slap gaan klinken, ja ronduit zeikerig. Het zoetgevooisde getuttel van I wanna hold your hand bijvoorbeeld: pure kleuterliefde.

Hoe goed die opruimaktie was geweest bleek niet lang daarna, toen ik een gekke Amerikaan die zich Captain Beefheart noemde, op een van zijn platen hoorde uitroepen: Rather than I wanna hold your hand, I wanna swallow you whole.

Er waren in die tijd heel wat mensen die zich afkeerden van de ‘love’-cultus, maar dat voorkwam niet dat ‘love’ uitgroeide tot het meest gedemocratiseerde woord aller tijden. Op den duur werd het zelfs niet meer geschreven met letters maar met een hartje, zodat ook doorgewinterde analfabeten het probleemloos konden schrijven, en het lezen op auto’s, kleding, serviesgoed en overal elders: I ♥ New York, I ♥ my dog, I ♥ Ponypark Slagharen, en zo tot in het oneindige.

‘Love’, dat was de liefde van elkaars vlakke handje vasthouden, zoals de Arnolfini’s deden. Het was de liefde van dat bruidspaar in die wachtkamer in Siberië, een liefde die, nog voor hij was opgebouwd, al wankelde onder de glimlach van een toevallige buurman. ‘Love is easy,’ zongen The Beatles, en zo was het precies: even makkelijk aan te gaan als onderuit te halen.

Hoe anders ging het toe in de liefde die de ander helemaal wilde opslokken. Die liefde was zoveel verontrustender en riskanter, maar ook zoveel grootser en royaler, ja koninklijker dan ‘love’ ooit was geweest. Het was liefde die diep in haar hart maar twee dingen wilde: de ander hebben en de ander zijn. Aan zoiets als ‘de ander z’n eigenheid gunnen’ deed die liefde niet, dat bord was zij al mijlenver voorbij. In plaats van ‘easy’ was zij compromisloos en nooit te vervolmaken.

Het was overduidelijk: ik kon op die bruiloft onder geen beding met ‘love’ aankomen. Ik moest, als ik de jonggehuwden echt iets wilde geven, hun die liefde toewensen van de tweede soort, die natuurlijk wel familie was van ‘love’, en er ook contacten mee onderhield, maar er tegelijk ver boven was verheven. Alleen, hoe zou ik die liefde noemen? Er was helemaal geen woord voor!

Wat moest ik doen?

Niet meer aan beeldende kunst of popmuziek denken, en mij wenden tot de wereld van de taal, de literatuur.

Ik stapte een kleine boekwinkel binnen en knoopte een praatje aan met de enige verkoopster.

‘Maar meneer,’ zei ze, nadat ze mij geduldig had aangehoord, ‘het spreekt toch voor zich dat daar helemaal geen woord voor is. Want als dat er wel was, zouden er over die liefde van u niet al eeuwen zulke dikke boeken worden volgeschreven. Dat gebeurt nu juist omdat die liefde zich niet in één enkel woord laat vangen. Zelfs het grootste literaire genie, laten we zeggen Shakespeare, zou, als hij dat woord ooit had gevonden, onmiddellijk zijn opgehouden met schrijven.’

‘Weet u dat zeker?’ reageerde ik, opeens vol behoefte om iets van haar te kopen. ‘Doet u mij dan maar een die volgeschreven boeken.’

‘U moet dit nemen,’ zei ze, ‘Huwelijksleven van David Vogel.’

Thuisgekomen begon ik onmiddellijk te lezen. Van meet af aan identificeerde ik mij met de hoofdpersoon, de boekhouder Gurdweill, en dat hield ik vol zo lang ik kon. Wat doet hij zijn best om zich door het leven te slaan, en wat offert hij zich op voor de barones met wie hij getrouwd is. Ik had nog nooit een boek gelezen waarin een man zijn vrouw zo volkomen haar eigenheid gunt. Hij gunt haar die zelfs nog als zij hem, nadat zij ‘s nachts is thuisgekomen van haar privéfeestjes, aan één stuk door koeionneert, treitert en vernedert.

Op een goed moment riep ik spontaan: ‘Doe nou eens wat, eikel!’ Maar juist als dat tot hem doordringt, vertelt zijn vrouw hem dat zij zwanger is. En omdat hij naar niets zo verlangt als naar een zoon, grijpt hij die mededeling met beide handen aan om zich opnieuw in een oceaan van opoffering te storten.

De dreigende sfeer is heel mooi in het boek, de dreiging dat alles steeds erger wordt, en dat wordt het nog ook. Wanneer hij zijn zoontje al geruime tijd heeft gevoed en gekoesterd, ontdekt hij wat de hele stad allang weet: dat het kind niet van hem is. En het ergste is, dat hij die ontdekking vervolgens niet tot zijn bewustzijn toelaat, eenvoudig omdat hij het niet kan geloven. Veel meer nog dan in de zelfopoffering blijkt hij een grootmeester in het zelfbedrog.

Een prachtig boek, Huwelijksleven, het ging helemaal over die grote liefde waar geen woord voor was. Want de grootste liefde is niet die van Gurdweill, waar de schrijver 450 bladzijden over volschrijft, maar de liefde van Gurdweills kennis Lotte, waar maar heel weinig woorden aan worden besteed. Ook Lotte zelf spreekt nauwelijks over haar liefde, niet zozeer omdat zij haar verloofde, met wie zij niet meer dan een ‘love’-relatie onderhoudt, wil ontzien, maar vooral omdat zij het huwelijk wil respecteren van de man die zij werkelijk liefheeft, Gurdweill. Haar woordloze liefde is de grootste, niet omdat zij zelfmoord pleegt, en dus nog verder gaat in de zelfopoffering dan Gurdweill, maar omdat zij hem via dat paardenmiddel inzicht verschaft in zijn bestaan. Met haar dood geeft zij hem het leven, want eindelijk wordt hij wakker. Eindelijk, op de allerlaatste bladzijde, doet hij wat. Het is iets verschrikkelijks wat hij doet, maar hij doet het in ieder geval.

Toen ik een paar dagen later weer langs de kleine boekwinkel kwam, zag ik dat de enige verkoopster dozen aan het uitpakken was. Ik liep naar binnen en bleef een beetje staan dralen. Plotseling zei ik: ‘Het was niet een erg feestelijk boek.’

‘Nee,’ lachte zij, ‘dat is grote literatuur ook maar zelden. Zelfs een genie als Shakespeare is nooit lang feestelijk, en zeker niet over het huwelijksleven. Maar wacht even, ik heb net iets binnengekregen. Misschien is dat iets voor u.’

Zij hield een boek omhoog met de titel Trouwpartijen, van de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal.

De kleine boekwinkel lag tegenover een park, en omdat het voor het eerst in tijden een stralende dag was, stak ik over. Toen ik op een bank zat tussen de bomen dacht ik: echt wat je noemt een trouwdag, en in de beste stemming begon ik te lezen.

Onmiddellijk was duidelijk dat ook Trouwpartijen weer over die grote liefde ging waar ik geen woord voor wist. Het leek erop dat de schrijver zich vooraf heel bewust was geweest van het oerprobleem van alle grote liefdes: de onmogelijkheid om samen te vloeien. Daar had hij iets op willen vinden en dat was hem wonderwel, heel ingenieus, gelukt.

Hrabal schrijft dit autobiografische boek in de ik-vorm, maar die ik is niet hijzelf, maar de vrouw met wie hij op het eind van het boek zal trouwen. Hij kruipt dus in de huid van zijn aanstaande om zichzelf te beschrijven, aldus demonstrerend dat het maar om twee dingen gaat, de ander hebben en de ander zijn. Hij is zijn vrouw in dit boek, en dan, op het eind, heeft hij haar ook.

De schrijver laat zijn verloofde (die hem consequent ‘de doctor’ noemt) vooral vertellen van de dingen die zij samen doen in de aanloop naar hun huwelijk. In een van de vele mooie scènes vertelt zij hoe hij haar de omgeving laat zien. Op een stralende dag gaan zij erop uit met een trein, waar de mensen met de benen uithangen. Omdat ze op het overvolle balkon waar ze zich bevinden nauwelijks kunnen ademen, banen ze zich een weg naar de enige vrije ruimte, het wc-hokje. En daar, boven die verzakte en vervuilde closetpot, die zorgt voor het rauwe tegenwicht, kussen ze elkaar voor het eerst innig, en dan volgen er tedere zinnetjes als: ’Ik voel me altijd zo prima bij u,’ fluisterde de doctor in mijn oor. / ‘Ik ook,’ zei ik. / ‘Als ik namelijk samen met u ben, dan is het net alsof u er niet eens bent,’ mompelde hij.

Hoe groots! Dat je je zozeer voelt samengevloeid met je geliefde dat die er niet eens lijkt te zijn, dat wil zeggen: niet wordt ervaren als een ander. Hoe superieur vergeleken bij het armzalige ‘de ander z’n eigenheid gunnen’!

Overigens is een trouwpartij voor de doctor vooral een bierfeestje. Zijn aanstaande krijgt dat uitgelegd door zijn buren, die haar vertellen dat de doctor elke vrijdag, als een soort hobby, op het kasteeltje de huwelijksafkondigingen leest en dan de gasten altijd uitnodigt voor een trouwpartijtje bij hem thuis. En dat wil zoveel zeggen als: ‘…dat ze het op een zuipen zetten, …ze zingen en zuipen erop los…’

Ja, Trouwpartijen was beslist een feestelijk boek. Alle tijd vergetend had ik ermee in het hoogzomerse park gezeten, en ontroerende en optimistische momenten doorgemaakt. Maar al toen ik met de ondergaande zon naar huis liep, begon er iets in mij te knagen. Want ik wist nu wel meer van huwelijksleven en trouwpartijen, maar aan dat ene woord dat ik zocht had ik geen ogenblik meer gedacht. Strikt genomen hadden Vogel en Hrabal mij alleen maar afgeleid. Ach, die enige verkoopster had gewoon gelijk: dat woord bestond helemaal niet. Hou toch op, zo sprak ik mezelf toe, zet het toch uit je hoofd, dat zaakje.

Thuis maakte ik een biertje open, hing wat voor de tv en maakte nog een biertje open. Ik verveelde me stierlijk, en hoe het precies is gebeurd weet ik zelf ook niet, maar plotseling had ik een boek in mijn handen met de titel: The Complete Works of William Shakespeare. Tegen mijn gewoonte in begon ik achteraan te bladeren. Op de laatste bladzijden stonden een paar gedichten, waarin me meteen, aan het eind van een aantal regels, het woord ‘love’ opviel. Shakespeare en ‘love’, dacht ik meteen, arme Shakespeare! Maar toen begon ik te lezen, en wat zag ik? Dat in deze sonnetten ‘love’ niet rijmde op woorden als ‘glove’ en ‘above’, maar op ‘prove’ en ‘move’!

Ik las hoe de dichter zijn verloofde de omgeving laat zien. Hij neemt haar mee naar de top van een heuvel en wijst allerlei dingen aan in het landschap. En dan zegt hij, in de laatste twee regels:

And if these pleasures may thee move

Then live with me and be my love.

Het was ongelofelijk, Shakespeare had het dus gevonden! Het woord dat wel familie was van ‘love’ en er ook contacten mee onderhield, maar er tegelijk ver boven was verheven.

Loev!

Ik sloeg het boek dicht en maakte nóg een biertje open, het begon al op een echte trouwpartij te lijken. Wat was ik blij dat ik niet eerst die hele Shakespeare had doorgeploeterd, voor ik op die laatste pagina’s dat woord vond dat ik hebben moest. Want dat het woord ‘love’ pas in die laatste sonnetten voor het eerst als ‘loev’ voorkwam, daaraan twijfelde ik geen moment. Ik was er heilig van overtuigd dat Shakespeare, onmiddellijk nadat hij zijn vondst had gedaan, was opgehouden met schrijven.
  1. David Vogel: Huwelijksleven, uit het Hebreeuws vertaald door Kees Meiling, Uitgeverij Meulenhoff
  2. Bohumil Hrabal: Trouwpartijen, uit het Tsjechisch vertaald door Kees Mercks, Uitgeverij Bert Bakker
"I love love” she said, closing her eyes. ––Jack Kerouac, On the Road (1957)
Love loves to love love. ––James Joyce, Ulysses (1922)

Wat bedoelen we eigenlijk as we ‘ik hou van je’ zeggen, of als we ‘verliefd’ zijn? Wat is datgene waar we van houden?

Zijn gezicht, zijn handen, haar lach, haar stem? De geur van zijn haar, haar kleine slaperige oogjes, zijn manier van lopen, haar enthusiasme, zijn muziekverzameling, intelligentie, onafhankelijkheid, haar geestigheid, voorzichtigheid, haar zachte huid? Zijn gebroken vingernagels? Hoe ze kijkt als ze wegkijkt, die gekke kleine vlek op zijn linker schouder? Hoe hij ‘hullo’ zegt aan de telefoon? Een of ander ‘objet petit a’ dat niet te beschrijven valt, de taal ontstnapt, iets ontastbaars – of, integendeel, iets dat precies kan worden aangewezen, een ‘punctum’?

Zijn of haar, zoals Ronald Barthes zou zeggen, ‘verblindende originaliteit’? Of is er niets, misschien is er helemaal niets bijzonders aan de andere persoon? Zou het kunnen dat het enige wat origneel is, datgene is wat wij samen delen, en ons tweeen, samen, uniek maakt? (Roland Barthes, Fragments d’un discours amoureux (1977), s.v. Atopos)


Het zijn je ogen en je wenkbrauwen – je glimlach – nee, ik zou het niet weten. Het gaat om alles, om jou als geheel. – Knut Hamsun (1935 – eigen vertaling (rw))

Hoe het, hij, zij, jou laat voelen: speciaal, uitzonderlijk, normaal, gewoon gelukkig, als jezelf, als een ander, tijdloos, niet jong, niet oud? Kan het zijn dat de liefde niet alleen lichaam en ziel beinvloedt, maar dat ook de ervaring van tijd? Hoe kan het dat we de tijd vergeten als we samen zijn, maar tegelijkertijd over niets anders kunnen denken: tijd dat door onze vingers glipt, het vooruitzicht van afscheid – en het wachten en verlangen als we niet samen zijn? Is dit waar: de liefde heeft tijd nodig, maar voor de liefde bestaat er geen tijd?

It takes no time to fall in love. But it takes you years to know what love is. ––Jason Mraz, ‘Life is Wonderful’, from the 2005 album Mr. A-Z

Stel je voor dat er een meisje (een jonge man, een oude vrouw, zomaar iemand) wordt geboren, volwassen wordt, naar school gaat, talen leert spreken, de wereld ziet, andere landen bezoekt, naar het buitenland gaat, iets ergens studeert, zoals Frankrijk, bijvoorbeeld – waar ze verliefd, over haar oren verliefd wordt op een Frans meisje (een jonge man, een oude vrouw, zomaar iemand). Denk eens na over de details; de ene die aan de andere opvalt, de andere te onder de indruk van de heerlijke nieuwe wereld om haar heen, een toevallige ontmoeting (in een park, ja een park, in Parijs, in de lente, natuurlijk), de eerste blikken, en dan, de eerste aanraking.

Hoewel ze het nog niet weten, zal het een liefdesaffaire worden. Elke dag, elk moment is een lege pagina. Vervoering bruist rondom.

Ze spreken, kijken naar elkaar, drinken goedkope wijn uit nog goedkopere glazen, lachen, praten verder, luisteren muziek, gaan naar de film, het park,de dierentuin, bespreken boeken, theater, wat ze maar willen. Alles is mogelijk. (Natuurlijk wordt er nog meer gekeken, en zijn ze terughoudenheid en vol overgave tegelijk.).

Ze spreken beide Engels, soms een paar woorden in het Frans. Inmiddels hebben ze elkaar leren begrijpen, zelfs tijdens hun stiltes. Ze zijn nu twee, drie maanden samen, eten samen, delen afwisselend elkaars kamer en bed. Er komt een moment, op een dag midden in de zomer, een warme, donkere, klamme nacht (of vroege ochtend).

‘Je t’aime,” fluistert de andere.
Ze huivert, wankelt, wacht,
Ik hou ook van jou.

Wanneer heb je de taal der liefde leren spreken? En als je in de ene taal ‘ik hou van je’ hebt leren zeggen, kan jejezelf aan een anderstalige echt (maar dan ook echt) begrijpbaar maken? In dit (denkbeeldige?) universum is ‘ik hou van je’ niet te vertalen, noch te begrijpen, als je het niet vanaf het eerste moment begrijpt.‘Ti amo’, ‘ik hou van je’, ‘je t’aime’, ‘ich liebe dich’, ‘jeg elsker deg’, betekenen allemaal iet anders.

Hoe kan je liefde vertalen, als het in zichzelf al een vertaling is?

Is het nodig om te weten wat liefde is, om te weten wat liefde is?