241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Heb je jezelf ooit afgevraagd wat er door het hoofd van een hond gaat? Ik wel, vooral bij de twee honden die ik heb gehad. Ze waren mijn beste vrienden en ik zal ze nooit vergeten.

Als kind had ik geen vriendjes, en dus dachten mijn ouders dat het een goed idee zou zijn een hond te nemen. Uit het asiel adopteerde we Tosca, een negen jarigeherdershond. Deze oude hond werd mijn beste vriend. Het was alsof zij zichzelf als mijn beschermer zag, en ik als haar pup. Maar gezien haar oude leeftijd ging ze maar een paar jaar mee. Op en dag, terwijl ik haar aaide, zag ik dat haar tepels bloedden. Ik rende naar boven om het mijn moeder te vertellen. Met een zachte stem antwoordde ze dat we met Tosca naar de dierenarts moesten. Haar onveranderende gezicht en zachte stem stelde mij gerust, en ik dacht dat alles wel goed moest komen. Toch moest ik heel de weg naar de dierenarts huilen.

Mijn voorgevoel bleek juist. De dierenarts vertelde dat ze borstkanker had. Ik weet nog dat ik dacht dat het niet zo erg was, kanker kan worden genezen. Maar zo gemakkelijk zou het niet zijn, ze was oud en ze zou veel te veel aandacht eisen. Daar hadden mijn ouders niet het geld of de tijd voor. Destijds kon ik hier geen begrip voor opbrengen. Ik was zo boos dat ze haar lieten inslapen.

Ze was mijn beste vriend! Dat wisten ze toch! Ze mag nog niet gaan!

Die nacht stierf een van mijn beste vrienden. Ze likte de tranen weg die over mijn wang rolden terwijl ik haar vasthield. Het had andersom moeten zijn.

Nog steeds vraag ik me af wat door haar heen ging. Wist ze dat ze ziek was? Begreep ze wat er met haar gebeurde? Ik voelde me schuldig omdat ik degene was die haar bloedende tepels had ontdekt. Als ik niets had gezegd had ze misschien nog een dag kunnen leven. Dan had ik afscheid kunnen nemen, en had ik haar de mooiste dag van haar leven kunnen geven.

Haar overlijden liet een groot gat achter. Weer voelde ik me alleen als ik thuis kwam. Ik miste haar aanwezigheid. Ik had niemand meer om mee te praten. Mijn moeder wou nooit meer een dier nemen, ze kon het niet aan opnieuw een huisdier te zien sterven. Maar ik kon de stilte niet aan. Zonder Tosca was het huis leeg. Ik begon naar een nieuwe hond te zoeken, een nieuwe vriend. Toen ik mijn ouders had overgehaald, vond ik een organisatie die zwerfhonden vanuit Spanje naar Nederland bracht. Daar zag ik Jimmy.

Alles werd door de organisatie geregeld: zijn paspoort, vlucht, vaccines, alles. Het enige wat ik hoefde te doen was hem op te halen van het vliegveld, en natuurlijk, te betalen. Toen het moment er eindelijk was reden mijn moeder en ik naar Schiphol om hem op te wachten. Ik was zo zenuwachtig! Wat als hij me niet leuk vind, of als ik hem niet leuk vind, dacht ik. Ik kreeg er zelfs nachtmerries over. Mijn moeder probeerde me gerust te stellen en gaf me een zak hondensnoepjes mee. Toen we aankwamen stond er een grote groep mensen die ook hun nieuwe viervoeter opwachtten. Bang dat er iets mis kon gaan schreef ik een bord met zijn naam erop. Nu kon er niets mis gaan!

Ik had mezelf steeds afgevraagd wat voor hond hij zou zijn en of we met elkaar overweg zouden kunnen gaan. Het eerste wat ik leerde was dat Jimmy heel goed was in pootjes geven: het was het eerste wat hij deed toen hij uit zijn kooi stapte. Met elk pootje gaf ik hem een snoepje. Maar hij bleef doorgaan, en de zak was snel op. Het was liefde op het eerste gezicht.

Uiteindelijk werd hij mijn beste vriend. Hij volgde me overal, hij was de eerste die ik in de ochtend zag, de laatste die ik ’s avonds gedag zei. We waren onafscheidelijk. Hij was pas negen maanden toen en zelf leerde ik hem alles. Als geen ander begreep hij mij en ik hield van hem. Maar ik werd ouder, kreeg vrienden, een vriendin, een baan, en begon te studeren. Ik probeerde zo goed als ik kon voor hem te zorgen, en soms zorgde mijn ouders voor hem. Toen ik ook nog eens op mezelf ging wonen werd het onmogelijk voor hem te zorgen. Ik voelde me zo schuldig als ik hem weer eens thuis alleen liet, en begon te beseffen dat ik geen tijd meer had voor hem.

Een paar maanden geleden heb ik mijn beste vriend weggegeven.

Hij woont nu bij een echtpaar op het platteland. Het klinkt ideaal, maar ik vraag me af hoe het is voor hem. Nooit zal ik weten of hij daar gelukkig is, of dat hij me mist. De dag voor zijn vertrek gaf ik een afscheidsfeest. Ik dacht dat het zo makkelijker zou worden om vaarwel te kunnen zeggen. Maar hij had geen idee wat er gebeurde en ging er enthousiast in mee. Hoe neem je afscheid zonder dat diegene weet dat hij vertrekt? Soms vraag ik me af hoe het geweest zou zijn als ik zijn gedachtes had kunnen lezen. Vond hij het erg om alleen te zijn, wou hij bij mij blijven? Zou hij dag hebben gezegd?

Dat er een objectief verschil bestaat tussen het zichtbare en het onzichtbare is een redelijk recente gedachte. Of iemand nu beweert dat zaken die onzichtbaar zijn niet bestaan of juist dat er meer tussen hemel en aarde is dan toegankelijk is voor de zintuigen, in beide gevallen wordt er vanuit gegaan dat het zintuiglijke een bepaalde objectieve grens heeft waarachter zich al dan niet iets bevindt. Zoals op veel gebieden is het ook met betrekking tot de grenzen van het waarnemingsvermogen voor de meeste mensen geen enkel probleem om meerdere en verschillende, elkaar uitsluitende dingen tegelijkertijd te geloven. De algemene overtuiging dat de wereld “achter onze zintuigen” bestaat uit elektromagnetische golven en piepkleine deeltjes (vraag maar eens rond) vormt geen belet om tegelijkertijd met kracht te beweren dat we alleen moeten geloven in wat we “met onze ogen kunnen zien en met onze handen kunnen pakken”.

Op zich is het redelijk eenvoudig na te voltrekken dat al onze kennis over de wereld, inclusief de meest geavanceerde natuurwetenschappelijke vorm daarvan, een product is van onze waarnemingen en ons denken. De gigantische conceptuele stap die we allemaal in de wieg maken als we ons realiseren dat sommige dingen die voor onze ogen heen en weer zweven onze eigen handen zijn, wordt op steeds kleinere en minder spectaculaire schaal, bij ieder nieuw begrip gemaakt. Dat we het bestaan van onze handen als objectief feit beschouwen is het product van een uiterst precieze fine-tuning tussen verschillende waarnemingen en het combinerende vermogen van ons verstand. Voor degene die vervolgens zijn handen wil beschouwen als het ultieme instrument om de werkelijkheid van de wereld vast te stellen (namelijk of zij tastbaar is), kan het zinvol zijn om zich te realiseren dat er een moment is geweest waarop hij met zijn denken, zijn eigen handen heeft samengesteld uit een verwarrende hoeveelheid waarnemingen.

Toen mijn dochter Julia vier jaar was vond zij een klein kompasje in een bureaula; ze maakte daar een touwtje aan, hing het om haar nek en keek er voortdurend op. Mijn vader kwam op bezoek en complimenteerde haar met haar mooie kompas. Op hoge toon antwoordde Julia: “Nee opa, dat is mijn wekker, vanmiddag in de winkel dacht de meneer ook al dat het een kompas was”. Ik realiseerde mij dat voor een kind van vier, voor wie uren en windstreken nog nauwelijks bekende grootheden zijn, het verschil tussen een kompas en een wekker niet relevant is. Het zijn allebei ronde kastjes met een wijzertje achter glas. De volwassene die een dergelijke “vergissing” corrigeert zonder bereid te zijn de begrippen tijd, windstreken, magnetisme, veerkracht etc. uit te leggen, heeft zelf het pad der pedagogie verlaten. (het is in feite geen correctie maar een onschuldig compliment)

Voor een kind bevinden de begrippen en woorden zich met onmeetbare tussenruimtes in een heelal van waarnemingen. In het beste televisie programma ooit: achterwerk in de kast, trad een keer een jongetje op die op sombere toon vertelde: “ik vind dat het leven steeds ingewikkelder word: vroeger dacht ik dat de wind gewoon waaide, maar nu heb ik op school geleerd dat de wind altijd van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied waait”. Net als voor deze jongen eindigt voor veel mensen de persoonlijke en avontuurlijke omgang met kennis op school. De tragiek bestaat eruit dat zijn leraar hem niet de ontzagwekkendheid van het hogedrukgebied heeft kunnen bijbrengen, waarschijnlijk omdat hij deze zelf ook niet voelde. Het begrip hogedrukgebied is niet gebracht als een poort die een oneindige hoeveelheid nieuwe waarnemingen mogelijk maakt, maar als een muur die de geheimzinnige oorzaak van de wind, waarvan ieder kind natuurlijk de wereldomspannende macht voelt, ontoegankelijk maakt.


Luchtdruk is een fenomeen waarvoor we onze waarneming kunnen scholen en verfijnen. Halfbewust nemen wij de werking van luchtdruk, en haar samenhang met de temperatuur en de vochtigheid van de lucht op ons lichaamsgevoel en onze stemming waar. Als we op school in een afwisseling van practica en theorie zouden leren hoe deze subtiele luchtdrukwaarnemingen in direct verband staan met de druk in de hogere atmosfeer en hoe daar wind tot en met orkaankracht in kan ontstaan dan zou deze kennis ons niet somber of gedesillusioneerd maken.

Onze begrippen vormen een netwerk dat naar gelang zijn fijnmazigheid in staat is om waarnemingen in ons bewustzijn op te vangen, de rest glijdt er doorheen. Maar evenzeer als het niet mogelijk is om een waarneming in het bewustzijn vast te houden zonder er een bepaalde mate van begrip voor te hebben, net zomin kan een begrip of een woord beklijven dat niet op een bepaalde manier waarneembaar wordt. Als deze eenvoudige basiswetmatigheid van het kennen over het hoofd wordt gezien leidt dat tot de deprimerende misvatting dat ons waarnemingsvermogen of ons denken of beiden van buiten begrensd zijn. Ons begrippennetwerk heeft een horizon net als onze waarneming en deze beide horizonnen hangen samen. Nieuwe waarnemingen kunnen alleen aan de zoom van onze begrepen ervaringen hechten, nieuwe begrippen kunnen uitsluitend bij bestaande ideeën aanknopen. Beweren dat er achter deze horizonnen niets bestaat is even kortzichtig als beweren dat wat zich daarachter bevindt pas de echte werkelijkheid is.


De fijnmazigheid van ons begrippennetwerk en de nauwkeurigheid van onze waarnemingen hangen met elkaar samen. Een goede automonteur kan aan de klank van een draaiende motor horen wat er al dan niet mis mee is. Dat komt niet omdat hij betere oren heeft dan wij maar omdat zijn werk hem een uiterst verfijnde inzage in de onderdelen, materialen, bewegingen, wrijvingen en potentiële gebreken van een automotor heeft verschaft. Een kok is in staat om te proeven welke ingrediënten zich in een gerecht bevinden, zijn “ontwikkelde smaak” bestaat uit de hoeveelheid begrippen die hij in zijn loopbaan heeft ontwikkeld om alle nuances die zijn neus en smaakpapillen hem overbrengen van elkaar te onderscheiden. Begrippen snijden de ervaring, die in eerste instantie een eenheid lijkt, uit elkaar. Begrippen trekken dat wat in de diepte van de waarneming verborgen ligt naar de oppervlakte. Grove begrippen houden de waarneming gevangen in geplooide donkere knoedels, kennis vouwt de waarneming open tot een groot verlicht oppervlak.

Kunst kan de experimentele omgang met kennis zoals die door kinderen wordt toegepast opnieuw actueel maken. Het gaat er bij kunst dus niet om dat we iets maken dat “waar” is, maar iets wat er geloofwaardig uit ziet, dat betekent dat we met de wetmatigheden van het waarneembare een geraffineerd spel spelen dat bij de toeschouwer een tweeledig effect oproept: enerzijds moet die meegenomen worden in wat hij ziet en tegelijkertijd moet die zich toch voortdurend bewust blijven van de kunstmatigheid van de situatie. Deze spanning, tussen de overgave aan de waarneming en het gevoel van medeplichtigheid van het spel, is de bevrijdende en troostende werking van kunst.

In het menselijk bewustzijn ontstaat een scheiding tussen onszelf en de wereld. In het denken lossen wij deze scheiding weer op, dat is een doorlopend proces waarin nieuwe waarnemingen en nieuwe begrippen zich samenvoegen tot een steeds fijner en uitgebreider weefsel. De levendigheid van het denken is belangrijk. Waarnemen en denken, het proces van de waarheid, geeft zelfstandigheid en vrijheid.
IJverig probeerde ik mijn gezicht in de plooi te houden terwijl ik keek naar het bordje kroketten en aardbeien voor me. In één van de kroketten zat een deuk waaruit een twijfelachtige inhoud lekte op de frisse aardbei er onder. Een dikke rook bedekte dit treurige schouwspel onder een smerige grijze deken en ik wenste dat ik er een foto van durfde te maken als aandenken. De rook was afkomstig van de sigaret tussen de knokige vingers van de vrouw naast me. Ze hoestte nog even flink over de kroketten heen waarna ze oprecht zei: 'Neem dan toch een kroket meisje.' 'Nee dank je' zei ik terwijl ik mijn recente loopbaankeuze nog eens overdacht.

Tot voor kort werkte ik op een kantoor waar ik intens genoot van de verschillende mensen om me heen en optimistisch had bedacht dat er op elke werkplek prachtmensen werken, en ik daar altijd inspiratie uit kon putten voor betere dagen. Ik zou op deze nieuwe plek verder gaan en al mijn gevonden pareltjes zorgvuldig bewaren. Ik zou ze uitwerken in teksten, projecten en in nog onbekende toekomstplannen. Naast dit vertederende optimisme onderwierp ik mijzelf aan een onderzoek. In hoeverre kon ik mijn ziel verkopen wat betreft bijbanen, en daarnaast volhouden om artistiek verantwoorde dingen te blijven doen? Wanneer zou ik bijvoorbeeld een kunstenaar met een bijbaan in een hotel zijn, en wanneer was ik iemand in dat zelfde hotel met een hobby? Waar is de balans en hoe ver kon ik nog gaan?

De rek zat er ondertussen goed in en ik voelde het zwarte gat al naar me loeren. 'Drommels' dacht ik, terwijl ik mijn motieven om in dit hotel te gaan werken nog eens overpeinsde. De sigaret was inmiddels uitgegaan aan de kroketten en aardbeien werden gretig verslonden door mijn tafelgenoten. Ik bekeek ze één voor één en overwoog hun potentie om onderdeel te worden van mijn volgende project of dan toch een hobby-cursus. De dame naast me was hoe dan ook een prachtexemplaar, en ook de andere vrouwen aan tafel misstonden ook niet in mijn verzameling van fantastische collega's.


Zo had Rita shag kleurig haar, dito broek, en kauwde ze stilletjes op haar boterham, vertrouwde Belinda me hotelgeheimen toe zoals dat je liever geen kamers van wielrenners en Chinezen wilt schoonmaken, en vertelde Denise me trots dat ze haar verleden als drugsverslaafde achter zich had gelaten en alweer dertig jaar voor het hotel werkte. Ze glimlachte haar overgebleven tanden bloot en ik glimlachte terug. Ik vond dat ook mooi voor haar, maar ik krijg altijd een beetje de kriebels als mensen me op een hele nare werkplek vertellen dat ze daar al heel lang werken. Zwetend zie ik dan mijn leven aan me voorbij zie flitsen tot ik opeens zelf die persoon ben die na de academie even tijdelijk iets 'anders' ging doen en voor altijd daar is blijven hangen. Dat mensen op een reünie van de kunstacademie zeggen van: 'Heb je het van Gerda gehoord? Werkt al dertig jaar in een hotel. 'Het Volkshotel? Nee gewoon een hotel. Zo'n eentje vlakbij de snelweg waar niemand de eigenlijk de naam van weet. 'O'

De brullende radiatoren naast onze pauze plek haalden me uit mijn nachtmerrie. Mijn collega's waren inmiddels opgestaan om weer aan het werk te gaan en ik overwoog even om weg te rennen en nooit meer terug te komen. Nu wil ik graag benadrukken dat ik geen enkel probleem heb met schoonmaken en andere soortgelijke banen, maar ik er wel iets wat op voldoening lijkt uit moet halen.. Zo maakte ik in bijvoorbeeld al eerder met grote liefde schoon bij ouderen thuis, bracht ik ontbijt rond in een ziekenhuis, bezorgde ik een hele zomer post (in mijn regenpak) en was ik persoonlijk verantwoordelijk voor het planten van een stuk of duizend plantjes in hele kleine klote potjes aan een lopende band. Na deze reeks van best wel specifieke banen leefde ik me een jaar uit als docent bij een kunstruimte, werkte ik in een geweldige winkel (die jammer genoeg haar deuren sloot) en kwam ik via het kantoor bij dit hotel terecht. Het plan was om er net genoeg te werken om mijn huur te betalen en verder in de naam van de kunst alle kleurrijke bezoekers en hun kamers goed te observeren en daar mijn voordeel mee te doen. Zoals je ondertussen zult vermoeden was mijn teleurstelling groot.

Het was een kleurloos hotel waar mijn taakomschrijving bestond uit kamers er zo schoon mogelijk uit laten zien. Tot voor kort kwam ik zelf graag in een hotel, maar deze dagen lagen nu voor goed achter mij. Ik trok haren van onbekende mensen uit doucheputjes, moest wc's afdrogen met handdoeken (echt) en gebruikte kopjes koud afspoelen en terug zetten (ja echt). Niet alleen werd mijn banen theorie van eerder op de proef gesteld, ik begon ernstig te twijfelen aan mijn karma terwijl ik commando's opvolgde die het hotel veranderde in één grote death trap van bacteriën, ziektes en andere ranzige ongemakken. Ik besloot daarom om de (ranzige) handdoek in de ring te gooien en op zoek te gaan naar een andere bijbaan. Het risico voelde te groot om te kijken waar ik anders uit kwam.

Van de ene vreemde werkomgeving rolde ik zo door in de ander, waar ik vanuit een soort controle centrum vrachtwagenritten inplande door het hele land. Nu ben ik voor iemand van die van de academie komt vrij goed in overzicht houden, coördineren en dingen regelen dus leek het mij niet minder moeilijk om dat met vrachtwagenchauffeurs te doen. Ik werkte ijverig en sneed mezelf in de vingers door alles zo efficiënt in te plannen dat ik drie weken eerder klaar was dan de bedoeling was. Misschien maar beter ook, want mijn collega's wisten dat ik tijdelijk daar was en besloten daarom voor het gemak te doen alsof ik al weg was. Een vreemde ervaring die ik niemand toe wens.

Ondertussen groeide mijn projecten als kool en werd ik gevraagd voor de leukste dingen. Ik werd gevraagd als deelnemer voor een documentaire over creativiteit, richtte een ontmoetingsplek op die veel bezoekers trok, interviewde kunstenaars en hoorde van iedereen hoe goed ik wel niet bezig was. Het klopte dat ik op mijn vrije dagen met veel liefde aan mijn projecten werkte en ze zag groeien, maar het knaagde dat ik nog steeds geen brood kon verdienen met waar ik goed in was. Zo spitte ik zowel door droombanen op het culturele werkvlak als treurige vacatures op het andere.

Als een Russian roulette met banen speelde ik verder. Werd het weer die bijbaan of werd het iets anders? De goden bleken me goed gezind en in plaats van een volgende grauwe werkplek mocht ik een paar maanden mee lopen op de redactie van het tijdschrift Kunstbeeld. Niet alleen ontdekte ik dat mijn helden achter het blad super gezellig waren, maar ook dat er werkplekken bestonden die een beroep doen op je talenten. Ik dook er volop in en mailde heen en weer met kunstenaars en hun assistenten, stelde trillend als een rietje een vraag aan Marlene Dumas en reisde het hele land door in de naam van een kunst. Ik schreef mijn verslagen met liefde, nam alles in mij op en zette me schrap voor wat daarna komen zou.

Ik hoopte met heel mijn hart en ziel dat ik iets kon gaan doen waarin ik zowel mijn hersenen kon laten werken als mijn pen, waar ik zou mogen coördineren en samen kon werken met mensen waar ik blij van word en als kers op de taart ook nog eens het dak boven mijn hoofd kon betalen. Na elke dag een afwijzing in mijn mail kwam daar opeens op een zaterdagavond een berichtje: 'Wat doe jij op dit moment qua werk? Ben je goed in dingen regelen?' Ik keek naar mijn scherm en omhoog, even denkend dat het universum een gemeen grapje met mij uit haalde. ' Ik ben heel goed in dingen regelen.' stuurde ik terug. Na een hoop berichtjes heen en weer en een gesprek ben ik opeens voorzien van een echte bijbaan met alles er op en er aan wat ik leuk vind en goed in ben, werk voor twee hele leuke mensen en bovendien mee mag naar Kaapstad om nog meer fijns te gaan doen.

Terwijl ik deze fantastische plot wending probeer te bevatten denk ik nog eens terug aan afgelopen jaar. Aan het kantoor, aan de vrachtwagens, aan Kunstbeeld en ten slotte ook aan een die kroketten en aardbeien op dat schaaltje bij het hotel. Ik zie de rook er weer over waaien en besef me dat ik aan een zekere bestemming ontsnapt ben. Een glimlach krult langzaam omhoog op mijn gezicht. Voor nu dan.

“That which is creative, creates itself” ––John Keats

Op school mag niets meer ongezegd blijven; alles moet besproken worden. Het kind wordt het recht ontzegd zijn geheimen te koesteren. Voor dagdromen, fantaseren of verdringen lijkt geen plaats. Elke minuut van het kinderleven moet betekenisvol zijn. Maar kinderen willen pretentieloos spelen en experimenteren. De mogelijkheid om beelden en gedachtes te vormen die zich in het verborgene van de geest aan het zicht van anderen onttrekken, mag hen niet ontzegd worden.

Ik leef bij de gratie van de talloze beelden die zich elke driehonderdste milliseconde aan mij opdringen. De afstand tussen bewust en onbewust lijkt minimaal. Doelloze gedachten domineren mijn brein en rijgen zich aaneen tot ontelbare, vluchtige denkbeelden. Elke handeling en elke vorm van gedrag wordt voorafgegaan door fictieve plannen en fantastische voorstellingen.

Op de kleuterschool herkende men al vroeg mijn vermogen om uitzonderlijke tekeningen te maken. Waren ouders en onderwijzers competent om aanleg herkennen? Op grond van welke criteria beoordeelde men mijn tekeningen? Als ik ze analyseer dan vallen realiteitsgehalte, detaillering en intensiteit op. De verbeelding is niet opvallend eigenzinnig of expressief. Het kleurgebruik oogt realistisch. De afbeeldingen hadden betrekking op recent gemaakte uitstapjes, kabouters en fantasiedieren. De uitdaging was om de imaginaire beelden zo perfect mogelijk af te beelden. Kinderen streven geen expressiviteit na. De zichtbare strijd van het scheppen, de gestolde motoriek van het schilderen, waarderen alleen volwassenen.

Mijn talent had weinig te maken met kenmerken die van belang zouden kunnen zijn voor een toekomstig kunstenaarsschap.

Gedurende de lagere schooltijd tekende ik naast ontelbare muizen met menselijke uitstraling, geheime overlevingsvoertuigen die konden rijden, vliegen en duiken ook historische anekdotes zoals de onthoofding van van Oldebarneveld. * Veel kunstenaars zeggen zich al vanaf hun jeugd buitenstaander te voelen of waarnemer te zijn en een grotere receptiviteit te bezitten voor hetgeen er om hen heen gebeurt.

Onderwijzers interpreteerden de bloederige tekeningen als uitingen van psychische gestoordheid of gezinsproblemen. Ze legden impliciet een verband tussen artistieke kwaliteiten en geestelijke abnormaliteit. Ik bezat onmiskenbaar een zekere drang om te shockeren. Bloederige, enge taferelen leenden zich daar goed voor. Niet alleen bewondering werkt stimulerend, ook een negatieve respons stimuleert de drang om te scheppen; ik zal ze eens wat laten zien! Het gevoel een outcast te zijn genereerde energie.

Op mijn twaalfde kreeg ik les van een leraar met een vlinderstrik, die zich als kunstenaar manifesteerde. Als rolmodel, waarnemer, fantast en subversieveiling creëerde hij een omgeving die inspireerde. Het vertrekpunt vormde het idee van de leerling, voortdurend refererend aan de kunst en het kunstenaarschap. Hij had vertrouwen in het idee van de leerling. Die houding sprak ook leerlingen die weinig met kunst op hadden aan. Hij nam zijn eigen handelen waar, stelde zijn oordeel uit en bleef continue alert. De leerlingen geloofde in de oprechtheid van de leraar. Hij was, zonder dat hij het wist, een voorloper van wat nu authentiek leren genoemd zou kunnen worden.

Nog steeds werd ik gezien als een talentvolle leerling. Dat hield een belofte in, die alleen nog even waargemaakt moest worden. De stap naar de academie leek van zelfsprekend.

De belofte is gebleven. Maar hoe langer die standhoudt des te kleiner de kans dat hij wordt ingelost. Gaandeweg raakt de persoonlijke identiteit verbonden met de identiteit als kunstenaar. Dat maakt stoppen onmogelijk. Indachtig Bourdieu lijkt het kunstenaarschap een jas die ik niet uit kan trekken want dan ben ik naakt.

James, Jennifer en Georgina, het boek

foto Joris Landman

James, Jennifer en Georgina, het boek

foto Joris Landman

James, Jennifer en Georgina, het boek

foto Joris Landman

James, Jennifer en Georgina, het boek

foto Joris Landman

The mother takes father on a trip. Their daughter Georgina stays behind with the nannies that are going to take care of her. The mother sends her daughter a postcard every day.

'It's proof of her love and her absence. 'And every day we were apart I wrote to her.' (The mother)
'I have come back to the family.' (The father.)
'The drinking stopped and so did the postcards.' (The daughter.)

210 of the 1136 post cards were selected and printed in a thick book, the front and backsides matching and the written messages on the cards printed in block letters so that they're easier to read. A bright yellow, sun yellow book, thicker than a phone book, so thick the spine needs three folds to properly open. The book tells their story. The Beginning. This time over, James and Jennifer wanted to stay together.

Even when Georgina was born and the father kept on drinking heavily. The doctor warned him that he wouldn't have much more than two years left if he stuck to his drinking habits. Rehab didn't help. Jennifer discovered James hardly drank when they were travelling and decided to take as many trips together as possible, in an attempt 'to dry him out'.

The first trip begins October 25, 1989 and the card reads: 'Qui (we) love you more than Paris.' Georgina is 79 days old by then. On August 8, 1990, a day after Georgina's birthday, Jennifer writes: 'Over the Atlantic Ocean en route to Boston. My darling 1 year 1 day. The dots at the side the stamp are the spots of color used. I do wonder if you will like stamps. Mentioning dots reminds me of kites which are dots in the sky; a tug-of-war with the wind. Love Mumm.'

November 16 marks the last post card of that year, which means the family will spend Christmas and New Year's together. Thank God!

August 7, 1991: ‘We’re here and you’re there which is a terrible situation on the occasion. We have spent the day with Jill and that was jolly good. We laughed because we were with you on the 21st! These fellows threw the British out in 1775 just before the Boston Teaparty. Not like your birthday, a bit rougher. Love Dad and Mumm.’ The card has a picture of the statue of The Minute Man, lead gray against a bright blue sky.

How strange it feels to read the father's vile words towards the mother during this anti-alcohol journey: 'Mumm has swallowed so many pills that she rattles when she walks.' Other than that there are messages about the different kinds of champagnes, descriptions of celebrating Left Hand Day in the US, delays and bad behaviour, and on March 17 there is a little drawing of a hunting daddy: 'We are very sad that you have measles and a high fever - all these awful childhood diseases one has to muddle through in growing up. The good news is that the tiles were laid today in your bedroom and the bath is in situ in your bathroom.'

Later: Daddy has been brilliant. His French is so good the natives want to claim him.' And later this lamentation: 'To be queen and live with such paintings.'

Except for a few, the cards aren't made for children, there is a lot of art, monuments, cities and landscapes. A sneak peek at the world. 'Hair. My hair - masses of it - is an expensive, time consuming nightmare. Cauchemar. Every three weeks colour. Every months straitening. Every week ironing.’

Some of the cards are made by hand and every stamp is picked with care, just like every written word has been carefully chosen. But it's not just the post cards that tell the story; just like every movie on DVD, it comes with extras.

The family turns itself inside out, like turning a piece of clothing and exposing all the seams, stitching and lining. What's this family doing to themselves? Each of three main characters shares stories throughout the book, there is a small photo album and there are the 'Conversations':

21 conversations they had, printed without any censorship. I imagine a shockingly honest AA-meeting and this time I get to participate from the sideline, I get to read whatever happens.

‘I don’t remember you and Dad at all before seven. Zilch (nothing). If we have 1200 postcards and some days there were three in one day, that’s a lot of years. And that’s being kind,’ the daughter says.

During ten years, 1136 cards were written. The daughter was left alone for about a third of the time. Jennifer kept all of the post cards: 205 flights, 268.162 miles in the car, two bull fights, one speeding ticket, 53 unpaid parking tickets, 13 cancelled flights, one bomb alert, 205 church visits, wars, inflating prices, births, funerals, holidays and so on.

Georgina remains mild and laconic about her childhood. At first the reader is confronted with a stinging kind of truth and the uncomfortable feeling that comes with it, but there's a sense of admiration at the same time. Georgina: ‘It’s been a much more honest family environment because you have never been dishonest with me. Dad doesn’t really say much so there’s no dishonesty there. [An ironic laugh] Yeah, I think a lot of families tried to hide things for so long – suddenly the truth comes out and all hell breaks loose. Our truth would come out and it would create very unpleasant moments, but it would only last a day or two days instead of three years because everything was hidden for so long. Life has been brutally honest from when I was young. That could have been good or bad but I think it’s turned out to be very good.’
 And there are those truths every parents tells their children now and then, knowing the child will forgot about them is as soon as he or she turns around the corner. Parents try to calm themselves.

Daughter Georgina says in 'Conversations': On the other side was the lesson of the day: don’t ever be dependant financially. Rely on yourself first. Don’t marry a man with crummy shoes. A woman must never seem in a hurry.’

Jennifer made the book for Georgina's 21st birthday, but also for herself, as a kind of reassurance and oath at the same time. The book is dedicated to the eight children that came from their earlier marriages. Every decision regarding the book is based on the number 3, the price is 999 € and it's printed in an edition of 999 copies.

The immaculate design is done by Irma Boom. And no matter what you may think as an outsider, Georgina speaks very lovingly when it comes to her parents. ‘Even though my mother was absent, she immortalized every day she was gone. She endowed me with her ability to observe, give detail and discover a good story, and gave me a love for history and perhaps unconsciously, for Russia.’
‘The book is yellow because it’s full of light and success!’ Jennifer says in an interview.

http://jamesjennifergeorgina.com