241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Jean Bernard Koeman is beeldend kunstenaar en tentoonstellingsmaker. Hij maakt tekeningen, sculpturen en site-relevante installaties. Van 1999 tot 2002 was hij de bezielende directeur van Kunstencentrum W139 in Amsterdam. Als gastdocent is hij verbonden aan MAPS (Master of Art in Public Sphere in Sierre (Zwitserland), en de Gerrit Rietveld Academie en het Sandberg Instituut in Amsterdam. Hij is als scenograaf betrokken bij Les Ballets C. de la B. / Gent en Toneelhuis in Antwerpen. Verder is hij kunstverzamelaar, wereldreiziger en culturele veelvraat tout court. Koeman bouwde de laatste jaren site-relevante installaties en architecturale integraties in musea en kunstinstellingen in IJsland, Kosovo, Duitsland, Finland, China, Albanië, Zuid Korea, Turkije, Zwitserland, Nederland en België.

Een groot cliché op de kunstacademie is dat we er leren denken en kijken. Een beetje een belediging voor de mensen die er worden aangenomen, alsof ze nog niet zouden kunnen nadenken. Maar volgens de grote schrijver David Foster Wallace hebben we wel de keuze wáár we over denken, en hoe we leren om dit constructief in te zetten. Als het goed is hebben we zo leren kijken naar een ander denkvermogen, en naar iets dat nog niet bestaat en waar we vervolgens een vorm voor vinden. Dit is het werk in het atelier. Als dit werk getoond wordt in een tentoonstelling, kunnen we in feite opnieuw beginnen met nadenken, vermits plaatsing in een fysieke constructie weer geheel nieuwe denkpistes aanboort.

Een ruimte waar kunst wordt getoond heeft altijd een persoonlijke signatuur. Als het goed is, fungeert het als een refuge, een habitat voor zowel de kunstenaar, de kunst en het publiek. Het tonen van werk is een contextueel en relationeel gegeven. Dit is namelijk de afspraak; we bouwen een setting, een display van tijdelijke aard waarin de werken een samenspraak aangaan met maat, sfeer en betekenis van zowel de plaats als de andere werken. We bouwen er nieuwe zinnen.

Een ruimte spreekt tot ons. (‘It’s a place full of known and unknown unknowns’, zoals Thoreau beschrijft. We beperken ons hier tot de presentatieruimte, want de openbare ruimte verlangt weer heel andere vragen en criteria.) Is het een dode witte doos, of een eloquente, prikkelende white space?

Dienen we te beginnen om de ruimte te ‘depersonaliseren’, met andere woorden ‘betekenisvol in betekenisloosheid’ of zo neutraal mogelijk te maken? Ruimte geeft hoop en toekomst; de belofte van uiteenspattende kleuren op onbehandeld canvas...

In ieder geval verlangt een tentoonstelling naar een juiste analyse van de ruimte, we dienen die al denkend en zoekend om te vormen tot een mentale architectuur; de ideale habitat voor het werk. Zo wordt elk kunstwerk site-relevant en wint het aan kracht. Iets uit niets. Een zaal als energiegenerator. Als maatstaf, als leidraad. Die analyse, die visie vergt om het werk in de ruimte voor te stellen, moet de ruimte kunnen inzetten als de gewenste medestander; een ideale fysieke relatie. Net als in de liefde gaat het werk pas leven als het zich hiertoe verbindt.

Een ensemble van werk, of dat nu van één kunstenaar of een groepstentoonstelling is, verlangt naar een parcours in de presentatieruimte. Zo kan men een verhaal vertellen of een betoog houden, al wandelend ontvouwd zich deze, bij het aanschouwen van grote ingrepen en het inzoomen op details. De werken dialogeren met elkaar, met de plaatsing en ruimte om zich heen, en dan uiteindelijk met een toeschouwer. Het mooie is dat deze vaak alleen is, of er in ieder geval eerst zelf een verhouding mee moet vinden, en zo van een passant een figurant, en ook een medestander kan worden. Net zoals een architect zijn gebouw pas kan zien als het wordt gebruikt, maakt een toeschouwer, met zijn eigen subjectieve denkwereld, een tentoonstelling af en het verhaal rond. Kunst bestaat simpelweg niet zonder. Dit brengt gelaagdheid en verdieping aan; zoals de verdiepingen van een wolkenkrabber uiteindelijk, vanuit de menselijke maat, alluderen op de verbeelding.

Het publiek toetst haar bevindingen met de intenties en plannen van de werken. Slechts in de constructie van een presentatie komen we erachter of deze ook werkelijk inzichtelijk worden voor De Ander. Een begeleidende tekst, titel en uitgangspunt creëert een metafysische fundering. Dit werkt echter alleen als het werkelijk samenplooit. ‘Theorie zonder praktijk is steriel. Praktijk zonder theorie is futiel’, zei iemand eens. Ik geloof in een tactiele theorie; het concept moet vervat zijn in het overkoepelend beeld, en niet slechts in een A-4tje ernaast. Tastbaar.

Een tentoonstelling gaat over heel veel zaken; een expliciete plaatsing, een dwingend parcours van combinaties van werken of de betekenis van stilte, de belevenis van het zien, de logistiek van de poetica, de werking van ruimte en licht, de contextuele theorie en het tijdsverloop van multi-media werken, maar ook de tijdsduur van inerte, stilstaande beelden... In feite, en dat is het mooie, dient er zich bij elke goede tentoonstelling wel een relevante gedachteaan aangaande het tonen en plaatsen van een kunstwerk. Of de zingeving ervan. Een presentatie genereert energie en de visie om naar het volgende te zoeken; naar het radicale, het ontbrokene, het grootse, het welbespraakte, het ultieme. Maar ook; naar het onooglijke, het onzichtbare, het onbestaanbare en het ingetogene. Het kan ook ontroering opwekken. Daar zijn we allemaal bang voor, maar het is het mooiste dat bestaat. Die ontroering ontstaat bij een symbiose van theorie en praktijk. De juiste gedachte op de juiste plaats.

Men kan niet veel algemeens zeggen over goede beeldende kunst, behalve dat haar immense kracht tegelijkertijd haar zwakte is. De contradicties waar het mee van doen heeft maken het kwetsbaar. Het staat of hangt of is daar maar. Onreproduceerbaar. Daarom moet de kunst het voor het grote publiek vaak afleggen tegen cinema, of de pertinentie van muziek. Maar in essentie vind ik de stilte en de onbeweeglijkheid de allermooiste kwaliteiten van beeldende kunst. Dode, waardeloze materie dat plots spreekt tot één persoon; waar energie, leven en magie afspat, en de eindeloze lust om te denken en te voelen genereert. Dat is de immanente tour de force van de kunst. (*A) Als de toeschouwer na deze beleving weer verlicht verder gaat, plooit het materiaal zich terug in levenloosheid. Daarom heeft de kunst bescherming nodig. De bescherming van een goede tentoonstelling.

In de roman ‘The House of Leaves’ van Mark Danielewski verhuist een familie naar een nieuw huis. Gaandeweg ontdekken ze dat de binnenkant van het huis veel groter is dan de buitenkant. Het interieur dijt maar uit en expandeert eindeloos, alsof het muteert, terwijl de buitenkant normaal blijft. Ik moet hier vaak aan denken als ik uit een goede tentoonstelling kom en weer naar de buitenkant kijk; binnen heb ik een tocht gemaakt langs tientallen gangen en kamers en kleuren en ideeën. De soliditeit van fysieke ruimte is ingestort, maar het brengt nieuwe mechanieken van perceptie.

Het denken over presentatie van kunst is relatief nieuw. Natuurlijk wisten de middeleeuwse schilders wat ze deden als ze allegoriën schilderden boven het altaar van een kathedraal, maar het werkelijk bewust plaatsen van werken als een intrinsiek ensemble in een ruimte, of het idee dat kunst er maar ‘even’ is, stamt pas uit de jaren vijftig van de vorige eeuw, met de opkomst van de Situationisten. Zij waren de eerste kunstenaars die als groep reflecteerde op begrippen als stedenbouw en de perfide scheidslijn tussen kunst en leven en het deelnemen daaraan. Ze ontleedden de spektakelmaatschappij, en introduceerden een term als psycho-geografie. Kunst werd een gereedschap om de wereld te begrijpen. Kunst kon alles zijn, ook een krant of een verdraaid radiobericht. Zo wierp de tijd een heel nieuw licht op de cultuur in het algemeen, en op de klassieke tentoonstelling in het bijzonder, omdat de context van een werk voor het eerst van bepalend belang werd geacht. Het was niet langer een dingetje in een stijlkamer maar een middel om de wereld te aanschouwen en te veranderen. Het is met deze verworvenheden, en alles wat er daarna (als reactie op) kwam, dat we het moeten doen en heruitvinden. Research and Destroy. Van de eerste megatentoonstellingen en curatoren zoals de kunstenaar Harald Szeeman, tot waar we nu zijn; een immerexpanderend veld waar kunst niet langer alleen maar iets is, maar ook ergens.

Antwerpen, december 2011

Jean Bernard Koeman

De citaten komen uit de volgende boeken:

  1. David Foster Wallace, lectures
  2. Henri David Thoreau, ‘Walden’
  3. Mark Z. Danielewski, ‘The House of Leaves’, Pantheon Books, 2000
De voetnoot (*A) is een tekening;

hier komen alle aangehaalde noties in terug.

‘Art is by the Alone for the Alone’

Dames en heren,

Graag vertel ik iets over De Vulkaan. De Vulkanen. De ultieme autoriteiten van de Aarde.

Tsunamimachines. De monsterlijke puisten der Tectoniek. Een elegie van aanbidding, nederigheid, devotie en verwondering. Een nietig mens, opgeslokt door een radicaal landschap.

Het spijt me, maar ik heb geen antwoord op deze gas- en vuurspuwende braakbergen, die op de wereld lijken te zijn rondgestrooid om ons eraan te herinneren dat onze planeet een sintelgloeiende bal vol magma is, en wij slechts kwetsbare tijdelijke bewonertjes... en niet veel meer dan dat.

Een onzinnig zacht-glanzend stipje in een heelal vol brandende of koude of voortrazende hemellichamen. Zoals we geen antwoord hebben op de dood, zo is dit betoog kritiekloos, flemend, gespeend van retoriek en debat.

We kunnen de vulkaan niet bezitten, niet controleren, niet wegsaneren, niet paaien, nee, zelfs niet theoretiseren...

Nee, Het is een liefdesverklaring aan de vulkaan, maar dan een van een minnaar die bij God niet zou weten wat hij zou moeten aanvangen met het voorwerp van zijn begeerte.

De perfect conische oprispingen op het eiland Hokkaido in Noord Japan, de met gletschers bedekte sluimeraars van IJsland, de zwavelspuwers op Java, een ijsmeer in de Puy de Dome,de flanken van Singu in Myanmar.

En de honderden hobbels op een Koreaans eiland in de Chinese zee...

Een van de series is iets langer en gaat over een zwavelmijnwerker, Mohammed genaamd, die ik twee dagen lang volgde op de Ijen Vulkaan op Oost-Java. Twee keer per dag maakt hij de lange tocht naar de kim van de vulkaan, om weer af te dalen naar zijn stinkende binnenste, daar waar vloeibaar zwavel en gas in grote hoeveelheden naar buiten wordt gebraakt. De zwavel stolt welhaast onmiddelijk en met 80 kilo op z’n schouders klimt Mohammed voor een hongerloon weer naar boven en weer naar beneden... Het is de mooiste en tegelijkertijd gruwelijkste voorstelling die ik ooit zag...

Ik monteerde de foto’s als een essay waarin het zwart van de lava en het intense geel van de zwavel gecombineerd worden in een mijmering over deze kleuren, maar ook over de betekenis van deze materialen. Het display verwijst naar de economische en sociale factoren doch presenteert het tevens als een voorstelling–een filmscène. Het werd zo een denkoefening over onze moedeloosheid omtrent de ongelijkheid in de wereld, die tegelijkertijd het waarnemen als een intense belevenis verbeeldt. Een ervaring blijkt altijd sterker dan een beeld.

‘We raakten in de ban van de bek van een vulkaan, ja, een mond, en een tong van lava’ zo schreef Susan Sontag in haar roman ‘The Volcano Lover’.

‘Een lichaam, een monsterlijk levend lichaam, zowel mannelijk als vrouwelijk. Het stoot uit, ejaculeert. Het is ook een binnenste, een afgrond. Iets levends dat kan sterven. Iets inerts, dat nu en dan in beweging komt, dat bij tussenpozen bestaat. Een aanhoudende dreiging. Indien voorspelbaar, dan toch doorgaans niet voorspeld. Grillig, ontembaar, onwelriekend...’

Is dit wat men het primitieve noemt?

Nevado del Ruiz, Mount Saint Hellens, La Soufriere, Mont Peleé, Krakatao, Tambora, Katla, Newer Shield...

Klinkende Namen van eeuwig sluimerende reuzen die elk moment kunnen ontwaken. Een donderende reus die zijn aandacht op jou richt. King Kong en Godzilla ineen. Brakend, alles verwoestend, om dan weer verder te slapen...

Godsdienst en ideologie gaan vaak uit van de gedachte dat er een zinvolle betekenis aan het universum, het menselijk bestaan en de geschiedenis ten grondslag ligt. Al eeuwen plaatsen de kunsten en de filosofie daar vraagtekens bij. Shakespeare zei reeds vele eeuwen geleden ‘Life is a tale told by an idiot, full of sound and fury, signifying nothing.’

Ook Albert Camus achtte het menselijk bestaan fundamenteel zinloos en dus absurd. Maar juist in de aanvaarding daarvan school volgens hem de menselijke vrijheid om het bestaan zelf zin te geven. Anders gezegd: de zinloosheid is de oerbron van de menselijke creativiteit, de levenskunst en de kunst.

Al is het wel een bron die verraderlijk opzichtig aan de kunst blijft kleven en haar steeds weer dreigt op te slokken, zoals Dhr. Ormeling ooit stelde.

Wellicht is dat mede een verklaring voor de sterke afkeer die mensen van kunst kunnen hebben: het herinnert hen teveel aan de zinloosheid der dingen.

Bergen en vulkanen hebben soms hetzelfde effect, mensen zijn bang voor hun massieve, doelloze aanwezigheid; het kan ons tot in de diepste vezels onze nietigheid doen ervaren.

Ik zoek dit graag op, ik ben waarschijnlijk een nogal megalomaan persoon, niet gespeend van overmoed en grootheidswaanzin.

Ik moet dit ook relativeren, ik werd hier gepresenteerd als een Volcano Hunter, alsof ik met een loden tas door de pyroclastische aswolken heen laveer, maar ik moet u opnieuw teleurstellen; ik ben slechts een toerist die graag non-toeristische gebieden opzoekt...

7 centimeter vulkanische as op het dak van een huis is zwaar genoeg om het te doen instorten, en dan hebben we het niet over Chinese Tofu-architectuur, maar over een degelijk gebouwde Noord -Amerikaanse woning.

Ooit definieerde de Engelse filosoof Francis Bacon het doel van de mens en de vooruitgang als het verkrijgen van ‘volledig meesterschap over de natuur.’ Met dit verschil dat hij de natuur geen wetten wil ontfutselen maar haar tot creatieve samenwerking probeert te verleiden.

Meestal hebben de natuurkrachten zelfs het laatste woord, zoals in bovenstaand voorbeeld. 1 op de 10 mensen op deze wereld woont in de directe nabijheid van een actieve vulkaan, daar is het immers immens vruchtbaar...

Want hoewel wij de initiatoren zijn van de kunst wordt vooral zichtbaar dat niet de geniale kunstenaar maar de natuur de eigenlijke schepper blijft. Wat de mens ook onderneemt; elk kunstwerk, elke handeling, begint en eindigt met de natuur. Natura Artis Magistra...

De oude Griekse filosoof Empedocles gooide zichzelf in de Etna om zijn geestelijke goddelijkheid te bewijzen. Opgelost in het Niets. Zijn volgelingen vonden echter zijn sandaal terug, die de wispelturige en niet erg coöperatieve vurige berg had uitgespuwd, en wisten dus wat die sluwe vos had willen doen; voor eeuwig verdwijnen.

Horatius meldde de teleurgestelde studenten dat poëten het recht hebben zichzelf te vernietigen...

Ik zou dit ook graag doen als ik 92 ben, wellicht niet geheel meer fysiek in staat dit te doen, roep ik U nu reeds op mij daar terzijnertijd bij te helpen.

Met dank bij voorbaat, ik zie U op de flanken van de Etna!

(We luisteren nog even naar wat fijne vulkanische energie; ‘(I’m going to the mountain with) The Fire Spirit’, een nummer van The Gun Club, hier in de versie van 16 Horsepower..)

Antwerpen, mei 2013

(Tekst uitgesproken op een avond over de kracht van de natuur, in de bibliotheek van Artis, Amsterdam, in opdracht van Lost & Found)