241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Het jurkje, van batist met broderie, is voorzien van een fijn kanten strookje rond de hals. Ingeweven bloemmotieven sieren de twee kanten doopkleden, die over de dopeling en over het kussen waarop hij rustte, werden gelegd. Het kleine, zijden mutsje is versierd met goudkleurige bloemmotiefjes en strikjes. Tegen een mogelijke opstekende koude wind zijn een gehaakt wollen kleed en keepje met capuchon toegevoegd. De doopset, compleet en vrij kostbaar, werd gebruikt voor de doop van Marianus Jacobus Maria Cloostermans uit Katwijk en Klein-Linden op 8 juli 1922. Op het bij de kleding gevoegde bidprentje staat hij geportretteerd in matrozenpakje. Het jongetje overleed, nog geen vier jaar oud, in zijn geboorteplaats Katwijk en Klein-Linden. Op de achterzijde is een in die tijd bekend gedichtje opgenomen:

" Liefst Kindje, gaat gij henen

In den Bloei der prille jeugd?

Uw verlies doet ons zoo wenen,

Want gij waart ons aller vreugd.

Lieve Moeder, wil niet schreien

Vader, ach, o treur zo niet:

Uwe lieveling ging wel scheiden

Maar, o neen, vergeet u niet.

Met mijn broertje, pas gestorven,

Juich ik in God's Eng'lenrij.

Onze zieltjes onbedorven

Wachten U hier eeuwig blij.

In dit treurige lot van Marianus Cloostermans, van zijn eveneens vroeg overleden broertje, van zijn bedroefde ouders, tekent zich de betekenis af van de dood in een tijdperk waarin het leven doortrokken was van het besef van een vroegtijdig einde. Hoe dichtbij die dood was, illustreert het gedichtje. Het was alom bekend en sierde menig doodsprentje uit die periode. Het is in de dood dat iets heel persoonlijk en dierbaars iets heel algemeens en universeel wordt. In 1922 stierven vele jongetjes als Marianus Cloostermans, jongetjes in matrozenpakjes.

In juni 2008 kreeg ik op ongeregelde tijden, overdag maar ook midden in de nacht in mijn slaap, last van wat aanvoelde als een spierkramp in mijn borst, een felle contractiepijn die even aanhield en dan weer wegtrok. Op mijn kantoor in Den Haag belde ik met de huisarts en maakte een afspraak voor de volgende ochtend. Mijn collega Jan Willem vroeg me waar ik dan precies last van had en op het moment dat ik de verschijnselen beschreef, kreeg ik er ter plekke last van en in steeds toenemende mate. De pijn trok anders dan gebruikelijk niet na een paar minuten weg maar hield aan en verergerde langzaam. Ik moest moeite doen om te ademen. Ik had de aandrang om naar het toilet te gaan. Langzaam verdween de helderheid uit mijn waarneming en ik probeerde een ontspannen houding te vinden in een van de twee Gispen leunstoelen waarin Jan Willem en ik wel eens vrijuit zitten te filosoferen. Jan Willem liet me even in een plastic zakje in- en uitademen, omdat mijn hevige ademhaling aan hyperventilatie deed denken, maar dat hielp niet. Vanaf dat moment verkeerde ik in een mate van bewusteloosheid waardoor ik nog wel meekreeg wat er gebeurde, maar ik kon er geen enkel invloed meer op uitoefenen. Ik hoorde Jan Willem telefoneren, maar ik kon wat hij zei niet verstaan. Na een tijdje kwamen er mannende kantoorruimte in die me bekeken en betasten en een handvol pillen lieten slikken. ‘U voelt zich zeker al wat beter, hè,’ hoorde ik iemand zeggen, maar of hij het tegen mij had, wist ik eigenlijk niet, hoewel ik wel een vermoeden had. Ik voelde me helemaal niet beter, maar ook niet slechter. Ik voelde een totale onverschilligheid tegenover wat zich rondom mij voltrok. Tussen twee mannen in werd ik de trap naar beneden afgeleid en op een rijdende brancard gelegd die een auto werd ingeschoven. Er werd linea recta naar het ziekenhuis gereden. Ik hoorde de sirene, maar besefte niet dat die voor mij lawaai maakte. In het ziekenhuis werd ik door een eerste hulp arts vlug bekeken. Alles ging overigens steeds verder buiten mij om. Ik verkeerde in andere omstandigheden dan die zich rondom mij voltrokken. Mijn lichaam was niets meer dan een loze huls waarin iedere samenhang ontbrak. De materieloosheid van mijn fysieke gedaante nam hand over hand toe. Van mijn uiterlijke gedaante was ik me nauwelijks nog bewust. Vel, been, vocht, vlees hadden afgedaan. Ik was als een scheepje in een fles uit mijn glazen omhulsel gevaren. Er zat niets meer in, maar tegelijkertijd was dat alles. Het scheepje zelf was ook nergens meer te bekennen.

‘Dit gaat helemaal niet goed,’ zei de eerste hulp arts, ik hoorde hem heus wel, maar of dat betrekking had op mij, daar had ik geen idee van. Het kon me in ieder geval niet schelen. Jan Willem vertelde later dat er op die eerste hulp afdeling totale paniek uitbrak, en dat iedereen alles uit zijn handen liet vallen, patiënten die daar een behandeling ondergingen in verbijstering achterlatend en dat ik in vliegende vaart naar een operatiekamer werd getransporteerd.

Ik vond alles goed en liet het me gebeuren. Ik voelde een intense gelukzaligheid. Ik was volledig tevreden met mezelf en mijn leven en wat ik tot nu toe had gedaan. Ik had nergens spijt van, voelde geen schuld, noch wroeging, noch wrok. Alles was goed. Niets hoefde meer. Onderwijl kreeg ik een infuus in mijn arm en prikte iemand een holle naald in een ader in mijn lies. Dat merkte ik heus wel, maar het kon me niets schelen. De arts die me behandelde sprak vrijwel onafgebroken tegen me en zei wat hij deed, maar het maakte mij niet uit en ik mompelde onsamenhangend en nietszeggend maar wat terug. Ik gaf me over aan de euforie dat alles in elkaar opging, dat ik me één voelde met het niets, dat ik oploste in mijn lichaam. En van het ene op het andere moment was ik weer bij mijn positieven. ‘Kijk,’ zei de arts de verstopping is opgeheven. Ik verwijd de kransslagader nu door een stent te plaatsen, zodat er weer voldoende zuurstof naar uw hart kan. Teleurgesteld dat ik uit een totale gelukzaligheid in een banale situatie was terechtgekomen, keek ik naar die monitor en zag hoe de cardioloog, want dat was hij, de daad bij het woord voegde. Hij legde uit dat ik een hartinfarct had en dat die was opgeheven door mij te dotteren.

Ik heb daarna nog anderhalve dag op de intensive care gelegen, en een dag op zaal en mocht toen naar huis, herstelde voorspoedig en ging op zaterdag alweer op atelierbezoek bij een kunstenaar met wie ik helemaal niet over mijn infarct sprak, maar alleen over haar werk.

Wat ik aan deze ervaring heb overgehouden is het persoonlijke besef dat ik het in geen enkel opzicht erg vond om dood te gaan. Sterven is niet erg. Ik heb geen enkele religiositeit ervaren, zelfs geen spiritualiteit. De euforie die ik voelde kan ik alleen omschrijven als materieloosheid. Natuurlijk ben ik de mensen die hebben voorkomen dat ik stierf dankbaar, maar op het moment zelf had ik er geen enkel bezwaar tegen om afscheid te nemen van het leven. Ik was bereid me er helemaal aan over te geven. Schrik of angst heb ik niet gevoeld. Wel pijn, maar die was na verloop van tijd ondergeschikt, niet helemaal weg, maar volstrekt onbelangrijk. Het enige wat telde was de gewaarwording dat er geen enkele verwachting meer was die ikzelf of de buitenwereld aan me stelde. Ik voelde me verenigd met wie ik was. Alles viel samen. Nergens zat nog ruimte tussen. Er was geen enkele afstand meer tussen eindigheid en oneindigheid. Ik geloof werkelijk dat tijdens die gewaarwording van onontkoombare sterfelijkheid mijn rechterhersenhelft, waarin de sensatie manifest is dat we deel uitmaken van een collectieve levenskracht en waarin het besef zich voordoet dat we daaraan bijdragen, zich verenigde met mijn linkerhersenhelft waarin de onontkoombaarheid zich aandient van wie ik ben los van iedereen en alles om me heen. De latente schizofrenie waaraan we in feite allemaal lijden, vanwege de scheiding tussen onze hersenhelften, verdwijnt in de wetenschap, zo wil ik het wel noemen, dat ik er als zodanig niet toe doe, terwijl ik onontkoombaar deel ben van het leven zoals we dat kennen. Dat ik ontegenzeggelijk sterf doet daar niets aan af. Door te sterven gaan we op in het leven.

Manifeste materieloosheid dus. Het is vooral ons eigen lichaam dat daar contour aan geeft. Iedere materialiteit die we realiseren stelt ons in staat om iets immaterieels te ervaren. Tussen ons lichaam en de materie waaraan we ons afmeten, ligt ons onvermogen: alles wat we niet kunnen en niet beheersen. Ik ben ervan overtuigd dat juist die ruimtelijkheid tussen ons en de dingen het materiaal van de kunstenaar is. Het gaat er niet om wat de kunstenaar maakt, maar om de betekenis die het kunstwerk aan tijd en ruimte verleent. Die betekenis is daarmee dynamisch en voortdurend in ontwikkeling. Wat vandaag niets te betekenen heeft, was gisteren onontbeerlijk en betekent morgen alles.

De kunstenaar is bij uitstek iemand die manifestaties materialiseert. Het is hem begonnen om hoe hij iets waarneemt, hoe hij iets ziet. Dat is niet in de eerste plaats een uiterlijke gewaarwording, maar een innerlijke beleving. We kunnen het alleen ondergaan. In het kunstwerk gaan we op in onze verbeelding. Dat is geen kwestie van creatieve fantasie, hoewel daar niets op tegen is, maar van de tastbare capaciteit om uit te drukken wat we niet weten, niet kennen en niet kunnen.

Dood en leven zijn niet van elkaar te scheiden en in de middeleeuwen kwam dit besef tot uiting in een bepaald type voorwerpen, de memento mori, letterlijk ‘bedenk dat je zal sterven’. Eigenlijk verschilt dit gegeven niet erg van het gnothi seauton (γνωθι σεαυτόν) uit de klassieke wereld, maar in plaats van het doodsbesef aan te grijpen als een excuus om volop te leven, is het leven in de middeleeuwen erop gericht een zo goed mogelijke dood en een zo pijnloos mogelijke tijd na de dood te hebben.

Zo’n memento mori kan verschillende vormen aannemen. Zo is er bijvoorbeeld het thema van het jonge meisje en de dood, de dodendans die iedereen ongeacht rang of stand meesleurt in een dolle reidans en er is het verhaal van de drie doden en de drie levenden: Drie mooie, stoere jongemannen, een hertog, een graaf en een prins, maken samen een reis. Op een dag ontmoeten ze drie skeletten op hun weg. De mannen zijn niet helemaal op hun gemak en vragen wie die doden precies zijn, waarop de doden antwoorden: “Wat wij (ooit) waren, zijn jullie (nu), wat wij zijn, zullen jullie zijn (Quod fuimus, estis; quod sumus, vos eritis). Weelde, schoonheid en faam zijn vergankelijk. Toon oprecht berouw en leid een eenvoudig leven van nu af aan, dan kan je na de dood de eeuwigheid in de heerlijkheid van God doorbrengen”.
Memento Mori hanger

Tweede helft 16e eeuw

Deze tekst is geschreven voor de expositie 'Tussen Hemel en Hel. Sterven in de middeleeuwen' in het Jubelparkmuseum van 2.12.2010 tot 24.04.2011

Ik ben pas gaan leven toen de dood in mijn leven kwam. Niet schrikken, dit gaat goed aflopen. Tot de dood in mijn leven kwam, zat een onbepaald verlangen naar iets beters, iets verders, in de weg. Ik zou mensen ontmoeten, veel intrigerender dan ik kende. Ik zou in werelden belanden, veel spannender. De ondempbare put van het vage verlangen. Gevierd worden, deuren die opengaan, actrices, zwoele nachten. Ik overdrijf misschien een beetje, geen mens die niet begrijpt wel waar ik op doel. Operazangeressen, schijnwerpers!

Op zich niets mis met zo’n verlangen, je moet toch érgens naar uitzien. Maar het is een medaille met een achterkant. Wat ik ook meemaakte, wat ik ook ondernam, het telde niet, het zonk allemaal in het niet bij wat me nog te wachten stond. Tot het zover was, verveelde ik me. En ik bleéf me vervelen. Ik hing onderuit in stoelen en gromde iets onverstaanbaar terug als er een vraag of een verzoek kwam. Overal te beroerd voor.Sommigen zal dat bekend voorkomen.

Wat is in hemelsnaam een dynamisch bestaan? Vraag het aan mensen die er een leiden. Het valt tegen, zeggen ze. Als het aan hen lag zouden ze het liefst thuis zitten op de bank, een bord boerenkool met een kuiltje sju op schoot. Het is een cliché en het is waar.

We weten allemaal dat we sterfelijk zijn. Maar niemand die daarbij stilstaat, ik tenminste niet. Om me heen zijn al heel wat mensen doodgegaan, even oud als ik. Hoe vaak ben ik er de afgelopen jaren niet aan herinnerd dat iedereen eraan zal moeten geloven, en hoe lang heeft het geduurd voor het werkelijk tot me doordrong. Sla de krant open, zet de televisie aan: ze gaan bij bosjes. Maar iedere keer gingen 's morgens mijn ogen weer open en daar kwam weer zo'n dag waar er eindeloos veel van leken te zijn. Tijd, ik sprong ermee om of het niet op kon. Lichaam, alsof het niet kapot kon. Eerst moesten er in mijn naaste omgeving een paar mensen dood. Ik heb foto's van ze waarop ze naast me staan. Met net zo'n overwoestbaar lichaam en net zo'n eeuwigheid voor zich als ik. Eerst een vriend, en nog een, toen mijn zus, ze was achtendertig, en een jaar later stierf mijn vader. Pas toen begon het me te dagen. Dit is het. Meer niet. Dit is wat het is. Hiermee al het ik het moeten doen. Voor zolang als het mag duren. Dat het bij nader inzien heel wat is, wat het is.

In die tijd belandde ik ergens in Duitsland op een groepstentoonstelling, mijn foto’s hingen daar ook. Nu ga ik wat meemaken dacht ik (helemaal uitroeien doe je het verlangen naar meer nooit). De internationale kunstwereld en ik hoor erbij! Mooie, goedgebekte vrouwen! Achter een groot landhuis stonden ze in een grote tuin, in de ene hand een glas, in de andere toast met iets fijnproeverigs erop. Ik kende natuurlijk niemand. Behalve snel verveeld ben ik ook verlegen, was ik even vergeten te vertellen. Normaal ben ik niet verlegen, alleen op de momenten dat ik het niet wil zijn, ben ik het. Veel gesprekken heb ik niet aangeknoopt, daar in die tuin, maar de mensen die ik gesproken heb, ik vond ze maar zozo. Die praatjes over kunst. Die namen van beroemdheden die om de haverklap vielen. Als ze het niet over nóg grotere kunstenaars hadden, hadden ze het over zichzelf. Noem mij één kunstenaar die het niet met zichzelf getroffen heeft. Het was dat ik een goed boek bij me had, anders had ik me stierlijk verveeld. Iedereen bleef slapen in het grote landhuis, ik ook, ik moest wel, het was inmiddels erg laat geworden en van de zenuwen had ik nogal wat gedronken, 400 kilometer terug naar Amsterdam rijden was er niet bij. Ik zag er vreselijk tegenop die nacht mijn ogen dicht te doen om ze de volgende morgen te openen om en weer zouden diezelfde kunsttypes voor mijn neus staan. In diezelfde tuin. En maar praten over kunst en internationale bestemmingen. Na het ontbijt wilde ik ervandoor gaan, maar ik werd tegen gehouden. Er moest nog worden gevoetbald, de kunstenaars tegen elkaar. Gevoetbald? Wat een flauwekul. Ik probeerde alsnog mijn snor te drukken, maar ze duwden me een paar kicksen in mijn handen en sleepten me mee naar een veldje.

Ik trek de kicksen aan, stap op dat veld, krijg een bal toegespeeld, geef er een knal tegen en ik ben verkocht. Vanaf die dag heb ik elke week gevoetbald, griepjes, vakanties en blessures daargelaten. Niets dat je zo bewust van je lichaam maakt, als een uur achter een bal aanrennen. Dat je bestaat, dat je lichaam het doet. Die vermoeidheid, dat gloeien, heerlijk. Nergens aan kunnen denken behalve die bal. Het is wat laat om aan voetbal te beginnen op je zesendertigste, ik zal er nooit goed in worden. Competitie speel ik niet. Er is een hobbelig grasveldje in Amsterdam, daar voetbal ik met tien, twaalf vrienden tegen elkaar. Er wordt heel wat op me gekankerd, soms maakt de bal wel erg vreemde capriolen nadat ik hem heb geraakt. Een keer heb ik een langere periode niet kunnen spelen, het zag ernaar uit dat ik eraan zou gaan, weer die dood. Het is een ziekte die altijd de kop op kan steken, hij kan twintig jaar wegblijven, hij kan altijd wegblijven, je weet het niet. Vijf weken na de operatie speelde ik weer voetbal met de jongens. Ik schoot er meteen twee in. Ik die anders zo weinig scoor, hooguit tien per jaar. Bestaat er een God of niet? Dat dacht ik ook. Zo simpel is het nou. Meer heb je niet nodig. En waar had ik het allemaal aan te danken. Aan de kunst. Aan dat eerste partijtje, die ochtend na het ontbijt in Duitsland.