241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Het was de bruidegom zelf die mij opbelde. ‘Wij hebben besloten,’ zei hij, ‘dat jij op ons huwelijk een woordje gaat spreken.’

‘Op jullie huwelijk, een woordje spreken? Maar waarom ik, die zelf nooit aan trouwen is begonnen? Wat zeg je, de kunst? Je weet toch dat in de kunst vrijwel alle gehuwden vroeg of laat slaags raken? Een goed huwelijk wordt al gauw kitsch, daar is nauwelijks kunst van te maken.’

Hij lachte alleen maar, ten teken dat hij niet los zou laten. Hij wist maar al te goed dat de eer te groot was om ervoor te bedanken.

‘Je doet het dus!’ zei hij ten slotte.

‘Eén woordje dan,’ zei ik, en ik begon meteen te denken.

Het eerste beeld dat me te binnen schoot was het huwelijksportret van de Arnolfini’s, in 1434 geschilderd door Jan van Eyck, een wereldberoemd schilderij dat niet bepaald naar trouwen deed verlangen. De jonggehuwden staan er gelaten bij, diep verzonken in hun eigen gedachten, op het neerslachtige af. Zij kijken elkaar niet aan en pakken elkaar niet beet, alleen hun vlakke handen maken contact. En precies daar, op hun enige raakpunt, heeft de kunstenaar, als onderdeel van een op die plaats ‘toevallig’ aanwezig meubel, een grijnzend monstertje geschilderd, een stille, vrolijke getuige van de schijnheiligheid van de hele vertoning.

Die grinnikende tronie riep weer een ander beeld op, een foto die Elliott Erwitt in 1967 maakte in Siberië. Op een rijtje stoelen in wat vermoedelijk een wachtlokaal is, zit een jong bruidspaar, braaf tegen elkaar aan, netjes gewassen en gestreken. De man en de vrouw zitten daar op de mooiste dag van hun leven, maar aan hun hele lichaamshouding is te zien dat zij er niet in slagen zichzelf tot middelpunt van de gebeurtenissen te maken. Met een mengeling van wantrouwen en bewondering kijken zij naar degene die de hoofdrol moeiteloos van hen overneemt: een jongeman die een stoel verderop lekker vlot en onafhankelijk zit te wezen, met een gezicht dat zo overloopt van de binnenpret dat het elk moment in een onbedaarlijk lachen kan uitbarsten.

Veelzeggende beelden, al was ik er lang niet zeker van dat ze mijn huwelijkswoord ook maar enigszins dichterbij zouden brengen.

Ik besloot een deskundige te raadplegen, een goede bekende, die niet alleen zelf al meer dan vijftig jaar getrouwd was, maar ook jarenlang, als een soort hobby, wekelijks een paar huwelijken had voltrokken. Hij had daarbij ook gesproken, maar waarover eigenlijk precies?

‘Over de liefde natuurlijk!’ riep hij door de telefoon. ‘Liefde is alles, sterker nog dan geloof en hoop. Je kunt geloven wat je wilt en hopen tot je een ons weegt, maar je doet dat als het ware steeds in het luchtledige. Liefde daarentegen is zuurstof, ademen en laten ademen. Ik zei bij die huwelijken altijd: het is de kunst om de ander z’n eigenheid te gunnen, en het enige wat je daarvoor nodig hebt is liefde.’

‘Aha, all you need is love!’ zei ik.

‘Ja, zo zou je het kunnen samenvatten.’

Ik bedankte hem hartelijk en dacht heel even dat mijn probleem was opgelost. Want waarom zou ik op die bruiloft niet, zodra het mijn beurt was, naar voren kunnen stappen, het bruidspaar aankijken en zeggen: ‘All you need is love’, en het daarbij laten? Alle aanwezigen, ongeacht hun burgerlijke staat of nationaliteit, zouden mij direct begrijpen, ik zou niemands geduld onnodig op de proef stellen en iedereen zou zich, met die ene universele waarheid nog zingend in het achterhoofd, op de bruidstaart kunnen storten.

Maar dan vergat ik gemakshalve toch iets: dat ik All you need is love al ruim vijfentwintig jaar geleden verkocht had! Ja, in een aanval van weerzin tegen alles wat ‘love’ en Beatles was, had ik al hun LP’s, EP’s en singles naar De Platenboer gebracht en verpatst, inclusief Magical Mystery Tour waarvan All you need is love het laatste nummer was. Van de ene dag op de andere waren die songs onuitstaanbaar slap gaan klinken, ja ronduit zeikerig. Het zoetgevooisde getuttel van I wanna hold your hand bijvoorbeeld: pure kleuterliefde.

Hoe goed die opruimaktie was geweest bleek niet lang daarna, toen ik een gekke Amerikaan die zich Captain Beefheart noemde, op een van zijn platen hoorde uitroepen: Rather than I wanna hold your hand, I wanna swallow you whole.

Er waren in die tijd heel wat mensen die zich afkeerden van de ‘love’-cultus, maar dat voorkwam niet dat ‘love’ uitgroeide tot het meest gedemocratiseerde woord aller tijden. Op den duur werd het zelfs niet meer geschreven met letters maar met een hartje, zodat ook doorgewinterde analfabeten het probleemloos konden schrijven, en het lezen op auto’s, kleding, serviesgoed en overal elders: I ♥ New York, I ♥ my dog, I ♥ Ponypark Slagharen, en zo tot in het oneindige.

‘Love’, dat was de liefde van elkaars vlakke handje vasthouden, zoals de Arnolfini’s deden. Het was de liefde van dat bruidspaar in die wachtkamer in Siberië, een liefde die, nog voor hij was opgebouwd, al wankelde onder de glimlach van een toevallige buurman. ‘Love is easy,’ zongen The Beatles, en zo was het precies: even makkelijk aan te gaan als onderuit te halen.

Hoe anders ging het toe in de liefde die de ander helemaal wilde opslokken. Die liefde was zoveel verontrustender en riskanter, maar ook zoveel grootser en royaler, ja koninklijker dan ‘love’ ooit was geweest. Het was liefde die diep in haar hart maar twee dingen wilde: de ander hebben en de ander zijn. Aan zoiets als ‘de ander z’n eigenheid gunnen’ deed die liefde niet, dat bord was zij al mijlenver voorbij. In plaats van ‘easy’ was zij compromisloos en nooit te vervolmaken.

Het was overduidelijk: ik kon op die bruiloft onder geen beding met ‘love’ aankomen. Ik moest, als ik de jonggehuwden echt iets wilde geven, hun die liefde toewensen van de tweede soort, die natuurlijk wel familie was van ‘love’, en er ook contacten mee onderhield, maar er tegelijk ver boven was verheven. Alleen, hoe zou ik die liefde noemen? Er was helemaal geen woord voor!

Wat moest ik doen?

Niet meer aan beeldende kunst of popmuziek denken, en mij wenden tot de wereld van de taal, de literatuur.

Ik stapte een kleine boekwinkel binnen en knoopte een praatje aan met de enige verkoopster.

‘Maar meneer,’ zei ze, nadat ze mij geduldig had aangehoord, ‘het spreekt toch voor zich dat daar helemaal geen woord voor is. Want als dat er wel was, zouden er over die liefde van u niet al eeuwen zulke dikke boeken worden volgeschreven. Dat gebeurt nu juist omdat die liefde zich niet in één enkel woord laat vangen. Zelfs het grootste literaire genie, laten we zeggen Shakespeare, zou, als hij dat woord ooit had gevonden, onmiddellijk zijn opgehouden met schrijven.’

‘Weet u dat zeker?’ reageerde ik, opeens vol behoefte om iets van haar te kopen. ‘Doet u mij dan maar een die volgeschreven boeken.’

‘U moet dit nemen,’ zei ze, ‘Huwelijksleven van David Vogel.’

Thuisgekomen begon ik onmiddellijk te lezen. Van meet af aan identificeerde ik mij met de hoofdpersoon, de boekhouder Gurdweill, en dat hield ik vol zo lang ik kon. Wat doet hij zijn best om zich door het leven te slaan, en wat offert hij zich op voor de barones met wie hij getrouwd is. Ik had nog nooit een boek gelezen waarin een man zijn vrouw zo volkomen haar eigenheid gunt. Hij gunt haar die zelfs nog als zij hem, nadat zij ‘s nachts is thuisgekomen van haar privéfeestjes, aan één stuk door koeionneert, treitert en vernedert.

Op een goed moment riep ik spontaan: ‘Doe nou eens wat, eikel!’ Maar juist als dat tot hem doordringt, vertelt zijn vrouw hem dat zij zwanger is. En omdat hij naar niets zo verlangt als naar een zoon, grijpt hij die mededeling met beide handen aan om zich opnieuw in een oceaan van opoffering te storten.

De dreigende sfeer is heel mooi in het boek, de dreiging dat alles steeds erger wordt, en dat wordt het nog ook. Wanneer hij zijn zoontje al geruime tijd heeft gevoed en gekoesterd, ontdekt hij wat de hele stad allang weet: dat het kind niet van hem is. En het ergste is, dat hij die ontdekking vervolgens niet tot zijn bewustzijn toelaat, eenvoudig omdat hij het niet kan geloven. Veel meer nog dan in de zelfopoffering blijkt hij een grootmeester in het zelfbedrog.

Een prachtig boek, Huwelijksleven, het ging helemaal over die grote liefde waar geen woord voor was. Want de grootste liefde is niet die van Gurdweill, waar de schrijver 450 bladzijden over volschrijft, maar de liefde van Gurdweills kennis Lotte, waar maar heel weinig woorden aan worden besteed. Ook Lotte zelf spreekt nauwelijks over haar liefde, niet zozeer omdat zij haar verloofde, met wie zij niet meer dan een ‘love’-relatie onderhoudt, wil ontzien, maar vooral omdat zij het huwelijk wil respecteren van de man die zij werkelijk liefheeft, Gurdweill. Haar woordloze liefde is de grootste, niet omdat zij zelfmoord pleegt, en dus nog verder gaat in de zelfopoffering dan Gurdweill, maar omdat zij hem via dat paardenmiddel inzicht verschaft in zijn bestaan. Met haar dood geeft zij hem het leven, want eindelijk wordt hij wakker. Eindelijk, op de allerlaatste bladzijde, doet hij wat. Het is iets verschrikkelijks wat hij doet, maar hij doet het in ieder geval.

Toen ik een paar dagen later weer langs de kleine boekwinkel kwam, zag ik dat de enige verkoopster dozen aan het uitpakken was. Ik liep naar binnen en bleef een beetje staan dralen. Plotseling zei ik: ‘Het was niet een erg feestelijk boek.’

‘Nee,’ lachte zij, ‘dat is grote literatuur ook maar zelden. Zelfs een genie als Shakespeare is nooit lang feestelijk, en zeker niet over het huwelijksleven. Maar wacht even, ik heb net iets binnengekregen. Misschien is dat iets voor u.’

Zij hield een boek omhoog met de titel Trouwpartijen, van de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal.

De kleine boekwinkel lag tegenover een park, en omdat het voor het eerst in tijden een stralende dag was, stak ik over. Toen ik op een bank zat tussen de bomen dacht ik: echt wat je noemt een trouwdag, en in de beste stemming begon ik te lezen.

Onmiddellijk was duidelijk dat ook Trouwpartijen weer over die grote liefde ging waar ik geen woord voor wist. Het leek erop dat de schrijver zich vooraf heel bewust was geweest van het oerprobleem van alle grote liefdes: de onmogelijkheid om samen te vloeien. Daar had hij iets op willen vinden en dat was hem wonderwel, heel ingenieus, gelukt.

Hrabal schrijft dit autobiografische boek in de ik-vorm, maar die ik is niet hijzelf, maar de vrouw met wie hij op het eind van het boek zal trouwen. Hij kruipt dus in de huid van zijn aanstaande om zichzelf te beschrijven, aldus demonstrerend dat het maar om twee dingen gaat, de ander hebben en de ander zijn. Hij is zijn vrouw in dit boek, en dan, op het eind, heeft hij haar ook.

De schrijver laat zijn verloofde (die hem consequent ‘de doctor’ noemt) vooral vertellen van de dingen die zij samen doen in de aanloop naar hun huwelijk. In een van de vele mooie scènes vertelt zij hoe hij haar de omgeving laat zien. Op een stralende dag gaan zij erop uit met een trein, waar de mensen met de benen uithangen. Omdat ze op het overvolle balkon waar ze zich bevinden nauwelijks kunnen ademen, banen ze zich een weg naar de enige vrije ruimte, het wc-hokje. En daar, boven die verzakte en vervuilde closetpot, die zorgt voor het rauwe tegenwicht, kussen ze elkaar voor het eerst innig, en dan volgen er tedere zinnetjes als: ’Ik voel me altijd zo prima bij u,’ fluisterde de doctor in mijn oor. / ‘Ik ook,’ zei ik. / ‘Als ik namelijk samen met u ben, dan is het net alsof u er niet eens bent,’ mompelde hij.

Hoe groots! Dat je je zozeer voelt samengevloeid met je geliefde dat die er niet eens lijkt te zijn, dat wil zeggen: niet wordt ervaren als een ander. Hoe superieur vergeleken bij het armzalige ‘de ander z’n eigenheid gunnen’!

Overigens is een trouwpartij voor de doctor vooral een bierfeestje. Zijn aanstaande krijgt dat uitgelegd door zijn buren, die haar vertellen dat de doctor elke vrijdag, als een soort hobby, op het kasteeltje de huwelijksafkondigingen leest en dan de gasten altijd uitnodigt voor een trouwpartijtje bij hem thuis. En dat wil zoveel zeggen als: ‘…dat ze het op een zuipen zetten, …ze zingen en zuipen erop los…’

Ja, Trouwpartijen was beslist een feestelijk boek. Alle tijd vergetend had ik ermee in het hoogzomerse park gezeten, en ontroerende en optimistische momenten doorgemaakt. Maar al toen ik met de ondergaande zon naar huis liep, begon er iets in mij te knagen. Want ik wist nu wel meer van huwelijksleven en trouwpartijen, maar aan dat ene woord dat ik zocht had ik geen ogenblik meer gedacht. Strikt genomen hadden Vogel en Hrabal mij alleen maar afgeleid. Ach, die enige verkoopster had gewoon gelijk: dat woord bestond helemaal niet. Hou toch op, zo sprak ik mezelf toe, zet het toch uit je hoofd, dat zaakje.

Thuis maakte ik een biertje open, hing wat voor de tv en maakte nog een biertje open. Ik verveelde me stierlijk, en hoe het precies is gebeurd weet ik zelf ook niet, maar plotseling had ik een boek in mijn handen met de titel: The Complete Works of William Shakespeare. Tegen mijn gewoonte in begon ik achteraan te bladeren. Op de laatste bladzijden stonden een paar gedichten, waarin me meteen, aan het eind van een aantal regels, het woord ‘love’ opviel. Shakespeare en ‘love’, dacht ik meteen, arme Shakespeare! Maar toen begon ik te lezen, en wat zag ik? Dat in deze sonnetten ‘love’ niet rijmde op woorden als ‘glove’ en ‘above’, maar op ‘prove’ en ‘move’!

Ik las hoe de dichter zijn verloofde de omgeving laat zien. Hij neemt haar mee naar de top van een heuvel en wijst allerlei dingen aan in het landschap. En dan zegt hij, in de laatste twee regels:

And if these pleasures may thee move

Then live with me and be my love.

Het was ongelofelijk, Shakespeare had het dus gevonden! Het woord dat wel familie was van ‘love’ en er ook contacten mee onderhield, maar er tegelijk ver boven was verheven.

Loev!

Ik sloeg het boek dicht en maakte nóg een biertje open, het begon al op een echte trouwpartij te lijken. Wat was ik blij dat ik niet eerst die hele Shakespeare had doorgeploeterd, voor ik op die laatste pagina’s dat woord vond dat ik hebben moest. Want dat het woord ‘love’ pas in die laatste sonnetten voor het eerst als ‘loev’ voorkwam, daaraan twijfelde ik geen moment. Ik was er heilig van overtuigd dat Shakespeare, onmiddellijk nadat hij zijn vondst had gedaan, was opgehouden met schrijven.
  1. David Vogel: Huwelijksleven, uit het Hebreeuws vertaald door Kees Meiling, Uitgeverij Meulenhoff
  2. Bohumil Hrabal: Trouwpartijen, uit het Tsjechisch vertaald door Kees Mercks, Uitgeverij Bert Bakker