241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Kleur is een krachtig wapen gebleken in de evolutie van het leven op aarde. Het hebben van kleur op het lichaam werd een overlevingsstrategie voor veel dieren, bijvoorbeeld door middel van camouflage of intimidatie. Ook het erkennen van kleur door de ontwikkeling van een driekleurenzicht bleek gunstig te zijn voor veel diersoorten, waaronder de mens. Het bleek een groot voordeel te zijn bij het verkrijgen van voeding.

Nadat de mens, na de ontwikkeling van het driekleurenzicht, ontdekte dat pigment een kleur achter liet op een oppervlakte, ontstond er een vraag naar betere pigmenten om verf van te maken, en kleur veroverde een fundamentele plek in het leven van de mens.

Briljante kleuren waren zeldzaam in de premoderne wereld, schrijft Robert Finlay in Weaving the Rainbow: Visions of Color in World History. Iemand die vandaag de dag naar een kleurentelevisie kijkt, door een supermarkt loopt, of naar een doos met kleurpotloden kijkt, ziet een groter aantal heldere tinten in een klein tijdsbestek dan de meeste personen deden gedurende hun hele leven in de premoderne wereld. Kleur was daarom voor de industriële revolutie beladen met een enorme symbolische betekenis en men kende een aantrekkingskracht naar zeldzame tinten. Wereldwijd werd er in beschavingen gebruik gemaakt van conceptuele kleurcoderingen, om een status te verlenen aan een object, persoon of evenement. Rituelen deden zich op deze manier voor als een uitbarsting van kleur in een eentonige bruin/groene omgeving. Alle pigmenten waren kostbaar, maar sommigen pigmenten, zoals Lapis Lazuli ofwel ‘de diamant der kleuren’, overstegen zelfs goud in waarde.

Iedere cultuur kende een zekere waardering voor kleur, maar al snel zagen mensen ook een keerzijde in de uitbundigheid en opvallende aard van heldere tinten.

In de tiende eeuw schreef een Japanse dichter;

De wereld is nu geobsedeerd door kleur,
en de harten van de mensen zijn zo wispelturig als bloemen,
alleen ledige liedjes en veranderlijke zaken zijn er in overvloed.

Chromofilie en chromofobie bestonden gelijktijdig in de meeste culturen. Felle kleuren werden bekeken met een bepaalde dubbelzinnigheid. Zij werden hooggewaardeerd voor bepaalde aspecten, en gedenigreerd voor andere eigenschappen.

Voor Plato representeerde kleur een sierlijke illusie; de belichaming van wat kortstondig en grillig is. Aristoteles beweerde dat zelfs de mooiste kleuren een beeld nooit mooier zouden kunnen maken dan een kleurloos beeld.


Veel christelijken zagen flamboyante kleuren als een duivelse mantel over de creatie van God. Desiderius Erasmus schreef dat het dragen van gestreepte en meerkleurige kleding betekende dat deze personen er net zo belachelijk uit zien als clowns en apen.

Goethe stelde vast dat veel geraffineerde mensen een afkeer kennen tegen kleur. Juist de mensen dus die de meeste bevoegdheid hebben tot felle kleuren.

In de meeste beschavingen toonde de elite dus een uitgesproken chromofobie. In hun ogen waren heldere kleuren het gebied van de barbaren, kinderen, gepeupel en de onwetenden. Het was het boegbeeld van oppervlakkigheid, bevooroordeeldheid, irrationaliteit, sensualiteit, wanorde en misleiding.

Wassily Kandinsky schreef; ‘Kleur is een kracht die direct de ziel kan beïnvloeden. Kleur is de toets, de ogen zijn de hamers en de ziel is de piano met zijn vele snaren.’[1] Kleur is dus niet een rationeel gegeven volgens hem.

Vorm en lijn belichaamde het mannelijke Apollinische zelfdiscipline en kleur stond voor de losbandigheid en Dionysische aspect van de vrouw. Volgens mannen waren vrouwen over het algemeen ijdel, vluchtig, idioot, oppervlakkig, verleidelijk en gedreven door emoties. Charles Blanc (1813-1882) schreef naar aanleiding van zijn kleurenleer dat er in een schilderij een eenheid moet zijn tussen kleur en ontwerp, net zoals er binnen een maatschappij een balans moet zijn tussen de man en de vrouw, maar dat het ontwerp het overwicht moet houden anders is het schilderij gedoemd te mislukken. Het zou worden bedrogen door kleur net als de mensheid bedrogen uit kwam door Eva en haar appel.

Misschien dat deze relatie met kleur die aan vrouwen werd toebedeeld niet geheel uit de lucht komt vallen. Studies wijzen uit dat vrouwen een veel groter onderscheidingsvermogen hebben om kleuren te definiëren. Niet alleen hebben mannen veel vaker last van kleurenblindheid, aangezien het driekleurenzicht via de X-chromosoom wordt overgegeven, ook is uit recentelijk genetisch onderzoek gebleken dat sommige vrouwen een tetra-chromatisch kleurenzicht bevatten, ofwel een vierkleurenzicht. Zij hebben als een extra type kegeltje tussen de kegeltjes voor de middellange en lange golflengtes waardoor deze vrouwen kleuren nog geraffineerder kunnen definiëren.[3]

Pure verzadigde kleuren zijn meestal synthetische creaties. Naast felgekleurde vogels, kevers, vlinders en bloemen, manifesteert de natuur zich in bruin- en groentinten onder een hemel van onverzadigd blauw. Volgens sommige mensen is deze verhouding perfect. Fel gekleurde, door de mens gefabriceerde artefacten over-stimuleren de hersenen, wat inwerkt op de ontwikkeling van een chromofobie.

In de Chinese en Japanse cultuur overheerst chromofobie al sinds vele eeuwen geleden. De Japannezen keken neer op perziken en pruimen en zagen deze als vulgair en voluptueus door hun diep-roze bloesems. In plaats daarvan kenden zij een grote aantrekkingskracht tot de delicate roze-achtige witte tint van de kersenbloesems, waarvan de blaadjes maar zo kort bloeide.

De boeddhistische cultuur kende echter een zeer complexe kleurensymboliek. Grotten gedecoreerd door boeddhisten bij de Dunhuang in de provincie Gansu bevatten geverfde standbeelden, tekeningen van regenbogen, meerkleurige mandala’s en felgekleurde muurschilderingen.

Arabië spande de kroon van chromofilie en representeerde het rijk van de kleur. Hun chromofilie is geografisch te verklaren. Arabië genoot na de middeleeuwen van de nieuwe heldere pigmenten die Europese pioniers importeerden vanuit andere delen van de wereld. Daarnaast stroomde de Nijl, de meest belangrijke bron voor leven in het gebied, als een gekleurd lint door het bruine landschap.

Kleur was voor hun een manier om juist dichter bij de heilige geest van het leven te komen, in plaats van dat het je in de val van oppervlakkigheid liet lopen. Dit was zowel van belang in de tijd van de Egyptenaren en later de Islam. In de Qu’ran neemt kleur een bijzondere en belangrijke plaats in bij het vertrouwen in God. De Arabische naam God, ‘musawwir’, wat ‘de maker’ betekent, is zelfs ook een term die gebruikt wordt om een schilder aan te duiden. Het gevolg was weelde aan kleur in elke laag van de samenleving die in geometrische patronen op allerlei oppervlaktes zoals muren, mozaïeken, manuscripten, zwaarden, tapijten, vlaggen, boeken en keramiek voorkwamen om het goddelijke paradijs die was beschreven in de Qu’ran te koesteren. De Perzische miniatuurschilderijen voor manuscripten zijn ook een fantastische kleurervaring en gemaakt met uiterste concentratie en liefde voor het pigment.