241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Vanuit Amsterdam fiets ik vaak via de Bijlmer naar de polder de ronde Hoep, gewoon om het plezier van het fietsen.

In het stukje dat deze twee gebieden met elkaar verbindt zie ik in de verte een groot leeg parkeerterrein waar op een strookje aan de zijkant drie gestapelde aluminium bakken op pootjes staan, een soort barbecue met verdiepingen. Ernaast staat een auto geparkeerd en een man en een vrouw maken een kopje thee naast de auto. Ik vraag hen wat ze aan het doen zijn. Duiven. Ze hebben de postduiven met de auto vanuit Zaandam hier naar toe gebracht. Ze oefenen de dieren voor wedstrijden op zowel de korte als de lange afstand. Nu zijn ze net aangekomen en moeten de duiven eerst tot rust komen, anders werkt hun oriëntatie niet.

De drie bakjes bevatten ongeveer 57 duiven. Straks worden ze losgelaten en moeten ze de weg naar huis terug vinden. Hun oriëntatie volgt het magnetisch veld. 'Door storingen in elektromagnetisch veld raken meer duiven de weg kwijt dan vroeger', vertelt de postduiven hobbyist. 'De magnetische velden worden verstoort door de mobiele telefoons, door alles wat nu door de lucht wordt verstuurd.' 'Raakt de lucht vol?'

'Als je goed kijkt zie je bijvoorbeeld op de Dam duiven met een ring om hun poot. dat zijn verdwaalde postduiven. Laatst belde een man me op vanuit Krommenie, of ik mijn duif daar wilde ophalen. Duiven vliegen in groepjes, eerst in een cirkel om de plek heen waar ze zijn losgelaten, steeds harder en al snel zijn ze uit het zicht verdwenen. Maar ze verdwalen nu nogal eens.'

'Het is een hele mooie hobby', zegt de man dan opgewekt. 'Het is zo gerust werkend.' en lacht zijn perfecte witte tanden bloot. Hij praat met nogal wat spuug dat ver reikt, ach dat zal door zijn kunstgebit komen.

Dan laten ze de duiven los en ik zie ze cirkelen en wegvliegen, het is even mooi als een zwerm spreeuwen.

Ik steek de Thames over, zilver onder de grijze hemel, en kijk naar de stadswandelaars op de brug op weg naar het museum. Het heeft iets betoverend om een van de nieuwste bewoners van deze stad te zijn, om mezelf te voelen opgaan in de menigte met de wetenschap dat dit nu mijn thuis is. Eenzaamheid maakt plaats voor de gewenste rol van toeschouwer.

Langs het pad staan de straatmuzikanten te vechten om luchtruim. Een man richt zijn camera op de Rastafari met lange dreadlocks tot aan zijn knieën – no woman no cry! – jammert hij met hese stem terwijl hij naar de kleurrijke hoed wijst die voor hem op de grond ligt, wachtend op het gerinkel van vallend muntgeld. Iets verder staan twee indie jongens te kwelen en te tokkelen, een bongo speler slaat als in een trance op zijn drums, en alles vloeit samen tot een aritmische kakofonie.

Zodra Tate Modern in zicht komt zie ik, tot mijn verbazing, een groep grote behaarde beesten voor de ingang van het museum staan. Er zijn er minstens vijftien, allen gekleed in gedetailleerde kostuums van cartoon versies van katten, beren, vossen, en wolven. Dit zijn geen reguliere feestwinkel kostuums! Grote, stevige spieren, maskers die griezelig levensecht lijken met kaken die openen en sluiten. Ik zie hoe ze zich in het publiek mengen, hoe de wolf zijn rol als alfa hond aanneemt en door zijn knieën buigt terwijl hij de spieren in zijn harige arm spant en de toeristen eindeloos blijven doorklikken met hun camera’s en smartphones. Tegenover de menigte staat een zilvervos die met haar grote blauwe ogen ingetogen en wat verlegen passeert, haar hoofd tegen de omstanders leunt en toelaat dat deze vreemdelingen haar aaien en over haar neus strelen. Sommige duwen hun gezichten in de zachte vacht van haar schouders.

Ik wist dat deze groep behoorde tot de Furry Fandom cultuur. Deze Furries, zoals ze zichzelf noemen, zijn bijzonder geïnteresseerd in deze dierlijke personages. Er zijn zelfs Furries die zich eerder identificeren met een specifiek diersoort dan met de mens. Ze vinden elkaar op Internet fora en websites waar ze fanfiction schrijven en fanart maken, ze ontmoeten elkaar op Furry Fandom manifestaties; en zoals blijkt, ook in het openbaar. Het is een manier van leven, een identiteit, een subcultuur die een gevoel van verbondenheid geeft. Hun gemeenschap is hecht en biedt escapisme aan in de vorm van een ontzettend duur en ontzettend zwaar ‘fursuit,’ een pak uitgerust met een ventilatiesysteem om te voorkomen dat de drager oververhit raakt.
Terwijl ze over het drukke plein paraderen besef ik me dat er geen collectebus te zien is. Hun acties vallen ook niet onder het mom van de kunstzinnige performance. Heel eenvoudig is dit de handeling van de Furries om hun rol aan te nemen door zich te storten in hun alter ego’s. De behaarde kostuums die hen bedekken ontwapenen de normale man omdat hij ze als zoömorfische wezens ziet. Hierdoor profiteren de Furries van onze reactie op schattige, snoezige dieren en in een moment van ogenblikkelijke aanbidding worden ze omarmd, geliefd, en bewonderd door volslagen vreemden. Ik kan het niet helpen om me af te vragen of deze kostuums niet de meeste betreurenswaardige, onaantrekkelijke, acne geteisterde en weerzinwekkende leden van de samenleving denkbaar verhullen. Ook ontstaat meteen de veronderstelling dat deze mensen wel moeten lijden aan een bepaalde sociale tekortkoming om op deze manier hun toevlucht te zoeken in deze omgekeerde exhibitionistische zoektocht naar genegenheid.

Aan het eind van de dag verlaat ik het museum. Het is inmiddels nacht en de straten zijn bijna leeg. Mijn voetstappen richting de metro klinken hol zonder het geluid van de muzikanten. Ik denk aan mijn nieuwe kamer in Londen: donker, stil, en verlaten. Ook denk ik aan de Furries in deze grote stad, en kan ze voor een ogenblik te begrijpen.

Wie weleens een circusvoorstelling met roofdieren heeft meegemaakt, weet wat een intense ervaring dit is. Je ruikt en hoort de dieren, je ziet hun spieren bewegen en kijkt mee met hun blik. Opeens worden het persoonlijkheden, prachtig en gevaarlijk, die samen met hun trainer een kunststuk opvoeren.

Toen ik enkele jaren geleden in het wintercircus van Carré het optreden van de Engelse dompteur Alex Lacey zag, was dat wat ik zag: een man en zijn dieren, die in grote harmonie en onderling vertrouwen figuren vormen, opgebouwd uit simpele bewegingen als springen, rollen en zitten, een elegant en harmonieus ballet. Hoogtepunt is wel het moment dat Alex zijn hoofd laat verdwijnen tussen de kaken van zijn enige mannetjes leeuw, Masai. Samen vormen zij een beeld, alsof de grens tussen mens en dier even is opgeheven.

Voor Alex is deze houding de ultieme demonstratie van vertrouwen, omdat hij zich als dompteur volkomen aan zijn leeuw uitlevert. 'Ik kan mijn dieren nooit domineren', vertelt Alex, 'dus moet ik hun beste vriend zijn'. En dat zie je als publiek heel goed.

Circusdieren staan momenteel opnieuw in de belangstelling, niet in de piste maar in de politiek.Het gaat in feite om twintig tot dertig dieren- als we het beperken tot semiwilde dieren als zeeleeuwen, leeuwen tijgers en olifanten waarvan men u , misschien, het optreden in Nederland wil verbieden.

De verdachtmakingen en beschimpingen van een gewone , legale beroepsgroep en aanverwanten- de dierentrainers worden als halve criminelen weggezet, circusdirecteuren bedreigd en het circuspubliek wordt uitgejouwd - roept akelige vragen op. Resoneert in deze kijk op de circuswereld geen diepgeworteld wantrouwen jegens deze 'mensen van de reis'? het circus wordt van oudsher geassocieerd met zigeuners. Haal de was binnen, het circus komt is een uitspraak uit het verleden.

Dierenactivisten spelen gretig op deze onderbuik gevoelens in, wanneer ze zich tijdens het wintercircus in Carré, met de ketting om de nek, opstellen voor het theater. Beelden van Zigeuners die beren laten dansen op de gloeiende plaat komen bovendrijven. Weten de dierenactivisten dat de Serviërs, die vanaf 1860 tot de tweede wereldoorlog Europa overstroomden met dansende beren, niets met het circus te maken hadden, en dat dansende beren allang tot het verleden behoren.

Hitler maakte in Nazi Duitsland al een einde aan dansende beren in zijn rijk: uit liefde voor de beren en uit haat tegen de zigeuners. Het is heel makkelijk om in die vlaag van rechthaberei en zelfverheerlijking ('kijk mij eens diervriendelijk zijn') een eeuwenlange traditie te vernietigen en de betrokken mensen en dieren op straat te zetten.

Herni Martin

Een bekende Europese leeuwentemmer

Het Engelse rapport Wild animals in travelling circuses gaat in op meetbare factoren, als stresshormonen in het bloed, de maat van de kooi, de lichamelijke en geestelijke gesteldheid. Het rapport is samengesteld uit voor en tegenstanders, de moeizaam tot stand gekomen slotconclusie luidt: 'There apppears to be little evidence to demonstrate that the welfare of animals kept in travelling circuses is any better or any worse than that of other animals keptin other captive environments'.

Roofdieren zitten niet altijd in hun hok opgesloten. Ja, ze slapen er, maar overdag worden er grote buitenhokkenopgezet. Dansende beren en fietsende mensapen behoren allang tot het verleden. Ook de tijgers die door een brandende hoepel springen zijn verdwenen. Niet omdat ze dat pijn doet. Dierentrainer Tom Dieck noemde dat springen door een brandende hoepel een van de gemakkelijkste kunstjes om zijn dieren te leren, want als ze geen slechte ervaring met vuur gehad hebben, zijn ze er ook niet bang voor. Maar de brandweer heeft het nu een maal verboden.'

In januari 2012 kwam een muizenplaag op het Binnenhof in het nieuws. Er zou sprake zijn van overlast en daarom werden de kleine knaagdieren bestreden. Dit leek mij een buitenkans om een mooie serie dode Tweede Kamermuizen te verwerven voor het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. Haagse muizen ontbraken sowieso in de collectie, laat staan exemplaren van zo’n aansprekende locatie als het vaderlandse parlementsgebouw. Een Kamermuis zou naadloos passen in onze groeiende verzameling dode-dieren-met-een-verhaal die wordt aangevoerd door de inmiddels legendarische Dominomus.

Voor mijn verzoek belandde ik uiteindelijk bij de afdeling voorlichting van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Ik hoorde de voorlichter even slikken voordat hij mij antwoordde: “Ik ga het navragen. Wij bellen u terug.” Nog dezelfde dag bereikte mij het officiële standpunt inzake dode muizen: ‘De Tweede Kamer stelt ongedierte, dode beesten en ander afval niet beschikbaar aan derden, ook niet voor collecties.’ Duidelijke taal, maar wel een beetje flauw. Mijn hoop was gevestigd op parlementariërs en kamerklerken die een dode muis naar buiten zouden willen smokkelen. Diederik Samsom bood zijn hulp aan maar twitterde “Nou, als ik er één aantref. Maar die kans is klein hoor. De vallen worden hier consciëntieus 'geleegd'.” Er volgde een maand stilte rond de Tweede Kamermuis.

Tot maandagavond 13 februari 2012 onze kinderoppas een pakketje aanpakte van een persoon die nadrukkelijk anoniem wenste te blijven. Het was een dikke dienstenvelop van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (model TK-9), in dikke blokletters beschreven met t.a.v. Kees Moeliker Hierbij “de Kamermuis”. Het poststuk bevatte inderdaad een muis, nog in de klapval die het diertje een overduidelijk fataal was geworden.

Inmiddels is de muis geprepareerd en opgenomen in de collectie ‘Dode dieren met een verhaal’ van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. Sectie heeft uitgewezen dat het een verder gezond jong vrouwtje van de huismuis (Mus musculus) is. Haar maag bevatte broodresten, en ze was met pindakaas als lokmiddel gevangen in een professionele muizenval van het type Snap-E®.

Tweede Kamermuis - Den Haag, 14 februari 2012

De eerste muis van de tweede kamer die aan de museum collectie is bijgeveogd.

Mus musculus, jong wijfje, met val en envelop; anonieme schenking (NMR 9990-03072).

Foto: Kees Moeliker

Website Natuurhistorish Museum Rotterdam

Als kind had ik de wens om een vriendschap te sluiten met een Siberische tijger. Heel veel mensen hebben die innerlijke wens om met wilde dieren te zijn. Ik snap dat totaal. En ergens is het mooi om te zien als dat sommige mensen lukt. Sommige mensen kunnen echt met tijgers zwemmen en beren knuffelen.

Hiervoor geldt weer dat als die twee werelden elkaar aanraken of botsen met elkaar (desnoods met het afrukken van een arm of een verplettering), dat echt een schoonheidservaring bij me oproept. Zoals op YouTube. Er staan honderden filmpjes op YouTube waarin mensen echt met wolven leven, met tijgers jongleren. Zo is er ook een fragment in een dierentuin. Een ijsbeer heeft een stereotiepe toerist bij haar mollige been te pakken. De vrouw was over het hek heen geklommen en wilde Blinky (zijn naam) van dichtbij bekijken. Niet zonder risico.

Logisch is dat niet, vanuit het perspectief van de toerist. Vanuit het perspectief van Blinky is het meer dan logisch. Wat zo tot de verbeelding spreekt, is niet alleen dat ik op YouTube vanuit mijn slaapkamer kan zien hoe een ijsbeer, die Blinky heet, zo adorabel zijn vlijmscherpe tanden steeds dieper in een toeristenbout zet. Maar dat ik Blinky in een dierentuin voor heel even als een echt dier aanschouw. Hij komt tot leven. Blinky ervaart dat de grens tussen zijn kooi en de wandelpaden waar mensen foto’s van hem maken, dat daartussen heel even zijn eigen natuur bestaat. Noem het instinct, noem het verveling. Maar wat Blinky daar doet, is niet in verhalen neer te zetten. Het is. De naam Blinky verdwijnt met elke hap in haar vlees. Want tussen de tralies ligt de echte wereld waar de ijsbeer misschien zijn eigen naam weet en misschien niet.

John Berger schrijft dat dieren in onze maatschappij al in de marge zijn geraakt door onze neiging om dieren tot producten van ons eigen leven te maken. De verklaring van de hond die zo op zijn baasje lijkt. En in die marge zoeken de wilde dieren ook de grens op in gevangenschap.

Een dronken toerist met een voetbalshirt en gel in zijn stekelige haar bonkt op het glas van een wild dier dat als een couch potato met zijn rug naar de man toe ligt. ‘For the bloody love of God, do something!’ brult de man.

Ik denk aan de man die in de walvis woont. Bij mensen bestaan de tralies van gevangenschap in Disneyfilms of Bijbelse verhalen voornamelijk uit de huid of de mond van de dieren zelf, die mensen doorboren of open willen maken. Jona.

Het dierlijke in de mens en vice versa is een droomachtige vriend en vijand wereld. De onmogelijkheid daarvan drijft mij vaak ertoe om het toch te proberen. Ik verklaar mensen die tijgers willen aaien voor gek. Maar zelf zal ik het ook proberen. Als geliefden elkaar kussen, drukken ze elkaars hoofd hard tegen elkaar aan. Hun hersens moeten vermengd worden. Het draaien van de tong, de spier in ons lichaam waar minuscule deeltjes worden omgezet in grootse dingen.

Maar gelukkig heeft een hond een vorm en zweeft hij niet als beslag door de kamer. Gelukkig kunnen wij honden en katten aaien en aanbidden. Misschien zelfs met succes proefondervindelijk de ruimte insturen.