241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

Feest van de aap
Roland Barthes
Feest van de aap

Ik stond in een gang toen een lange jongeman kordaat langs me liep. Een ogenblik later werd hij achterna gezeten door een kleine brunette, wier iedere stap leek te vielen in de ruimtes die zijn tred openliet. Hij beende kwaad door en zij volgde furieus, sissend: ‘Dit is de laatste keer, het is voorbij, ik zweer je dat ik gewoon zal verdwijnen.’

Terwijl ik ze door de gang zag stormen dacht ik eraan hoe vaak ik dit zelfde emotionele proces in anderen had gezien, en natuurlijk ook zelf had meegemaakt. We kennen dit verhaaltje allemaal, het wordt telkens herhaald, of in ieder geval zijn we allemaal bekend met deze interpretatie van het verhaal; de één die de ander dreigt te laten vallen terwijl deze er eigenlijk met verwarde waarschuwingen achteraan rent en de ander kwaad en panisch smeekt om te blijven terwijl deze juist weggaat. Het eigenaardige en gestileerde taalgebruik dat we hanteren in situaties die we niet willen of kunnen uitdrukken, het bijstellen van ons ware doeleinde om maar niet te kwetsbaar te zijn, en toch, al onze ficties en poppenkast ten spijt worden onze bedoelingen, hoewel ongearticuleerd, toch begrepen.

Als we alleen al in deze oppervlakkige laag, in al deze gegeven lezingen van de situatie, we de grootte en inwerking van onze interpretatie op de “werkelijkheid” kunnen zien, waar houden we dan op met interpreteren, wat is het eigenlijke, het niet-fictieve?

Zoveel aspecten van mijzelf werden plots voor mijn ogen blootgelegd als verhalen die ik mezelf heb verteld, interpretaties van het handelen van anderen in vormgegeven reeksen. De manier waarop ik keek, waarop ik bekeken werd en in wat voor licht dan ook iets wordt getoond, zijn elk kenmerken die open staan voor interpretatie. Wanneer we deze situatie ontleden tot al haar losse onderdelen zien we dat alles dat gebeurt, slechts bestaat als het één na het ander, als gebeurtenissen in betekenisloze opeenvolging; wij zijn degenen die het betekenis en chronologie verschaffen.

Ik stond in een gang. Door deze gang liep een lange jongeman die snel bewoog en zijn voeten hierbij zwaar liet neerkomen. Een kleine brunette liep ook door deze gang. Terwijl zij liep sprak de kleine brunette, haar woorden vlug en ritmisch.

“Narrative is present at all times, in all places, in all societies; indeed narrative starts with the very history of mankind; there is not, there has never been anywhere, any people without narrative … Narrative is international, trans-historical, trans-cultural; it is there, like life.”- Roland Barthes” [1]
Seven van staven

Scènes de la vie privée et publique des animaux

Gebruikt in het ontwerp van tarotkaarten.

J. Grandville

R. Barthes, ‘On Narrative and Narratives’, in: R. Barthes en L. Duisit, New Literary History, Vol. 6, No. 2, Baltimore, VS: The Johns Hopkins University Press, 1975, pp. 237 -272

December jongstleden was ik weer in Düsseldorf voor mijn jaarlijkse bezoekje aan de kunstenaar waar ik ruim 20 jaar geleden mijn scriptie over schreef.

Begin jaren 90 ontdekte ik, via een artikel in kunsttijdschrift Metropolis M en een stage bij Museum Boijmans van Beuningen, het werk van een relatief onbekende Duitse kunstenaar. Hij maakte grijze, kartonnen boekjes met series wat groezelige zwart-wit foto’s van vliegtuigjes in de lucht, vrouwenknieën en zwemmers die baantjes trokken in een zwembad.
Bij het Boijmans werd ik gestimuleerd om nader onderzoek te doen naar deze, in mijn ogen, wat schimmige kunstenaar. Interessant en ook avontuurlijk! Nadat ik steeds enthousiaster werd en ook ontdekte dat er erg weinig geschreven was over deze man stapte ik enerzijds welgemoed en anderzijds met lood in de schoenen naar mijn scriptiebegeleider om hem van de onderwerpskeuze voor mijn scriptie op de hoogte te stellen. Hij suggereerde me om de Duitse kunstenaar in levende lijve te treffen voor een goed gesprek over zijn werk. Oeps! Zo vanzelfsprekend was het niet voor een student Kunstgeschiedenis om een levende kunstenaar te treffen. Maar het was de enige mogelijkheid om veel informatie te vergaren en ik had ook wel zin in avontuur. Na een paar dagen dralen nam ik de telefoon en belde de kunstenaar op voor een afspraak. Niet gespeend van enig romantisch gedachtegoed omtrent ‘’het wezen van de kunstenaar’’ was ik verbaasd hoe snel hij instemde met een bezoek van een totaal onbekende student uit Groningen (als het nu nog Amsterdam was). Ik toog naar Düsseldorf, bandrecordertje in mijn tas, en belde bedeesd aan bij een fraai appartementengebouw uit het begin van de 20e eeuw. Wederom verbazing! De man stond minstens zo onwennig tegenover mij als ik tegenover hem. Hij rond de vijftig, ik ergens in de twintig. Hij vroeg zich af wat een student Kunstgeschiedenis uit Die Niederlande in godsnaam bij hem te zoeken had. Ook vertelde hij me dat hij eigenlijk niet van woorden hield en dat hij niets te zeggen had over zijn, inderdaad, uitgesproken beeldende werk. Ja, daar zit je dan samen in een werkkamer aan een groot bureau waarop ook allerlei mappen vol afbeeldingen lagen! Uit verlegenheid pakte ik maar mijn zelfgesmeerde boterhammen en begon deze op te peuzelen. Achteraf bleek dit het magische moment waarop de kunstenaar er in begon te geloven dat deze student best eens een heel goed verhaal over hem zou kunnen schrijven. In een latere brief liet hij mij weten dat het meebrengen van eigen boterhammen hem en mij op een zelfde golflengte had gebracht.

de kunstenaar

De scriptie werd geschreven en goed beoordeeld door zowel universiteit als kunstenaar. En inderdaad, afgelopen december zocht ik hem voor de zoveelste maal op. Hij, inmiddels een stuk beroemder dan destijds. Ik, na wat omzwervingen in de kunstwereld als leraar aan de kunstacademie in Groningen. Deze kunstenaar (nu begin 70) heeft inmiddels een prestigieuze kunstprijs voor, let wel, jonge kunstenaars gewonnen (het werk had volgens de jury een uiterst frisse uitstraling). Ook had hij afgelopen jaar een grote overzichtsexpositie in Hamburg.

Shadow Play (2002-2012)

En verdomd: de laatste keer dat ik hem bezocht voelde ik weer die spanning van twintig jaar geleden toen ik voor de eerste maal naar hem toe ging. Een inmiddels beroemde kunstenaar die een afspraak heeft met iemand die in een vroeg stadium een scriptie over hem schreef. Heeft dat bestaansrecht? Confronterend dat je als volwassen mens dan toch weer in oude gedachtepatronen schiet. Meteen na aankomst op zijn woonplek neemt hij me mee naar een cafetaria aan een Dusseldorfse winkelstraat en laat me weten dat de regelmaat van onze ontmoetingen hem dierbaar is. Ik heb al vaker met hem in dit café gezeten en hijzelf zit hier elke dag, leest wat en kijkt vooral naar het straatleven. Veel bijzonders en hoogdravends wordt er tijdens onze ontmoetingen niet gezegd en toch weet hij me bij elke ontmoeting enkele nieuwe perspectieven op de wereld om ons heen mee te geven. Hoe klein deze dan ook mogen zijn, ik verlaat elke keer onze afspraak met extra lucht in mijn longen. De vroegere Nederlandse curator Gosse Oosterhof heeft hem eens een ‘’professionele voyeur’’genoemd. En inderdaad weet deze man de alledaagse wereld met zijn beeldende en toch ook, ondanks zichzelf, verbale kaders even bijzonder te maken. Een grote gave, vind ik, en ik ben blij dat ik destijds die zelfgesmeerde boterham soldaat heb gemaakt. De naam van de kunstenaar is trouwens Hans Peter Feldmann.

Zie de documantaire op http://www.cobra.be

Hans-Peter Feldmann in de galerie en boekwinkel Wien Lukatsch

http://www.ingemarleenbooks.com/blog/wienlukatsch/

Hans-Hans-Peter Feldmann, Ursula + Hans-Peter.
Gardner

Vergeleken met knuppels, Kalasjnikovs en tanks zijn zwepen weinig intimiderend om te zien. Wie heeft er ooit gehoord van een oorlog gewonnen door een met zwepen bewapend leger? Of zelfs maar van een geslaagde bankoverval met een zweep als pressiemiddel?

De dreigkracht van de zweep is zo goed als verdwenen in de westerse wereld. Ooit was dat wel anders. Slaven werden doodgegeseld. Kinderen zaten na een opvoedkundige afranseling onder de striemen. Inmiddels is de zweep een decoratief attribuut geworden, een rekwisiet. Van machtsmiddel is zij veranderd in een verwijzing naar een machtsmiddel, een symbool.

Onlangs hief een keurige, oudere heer op straat zijn stok uitnodigend naar mij op, en riep: ‘Wil jij een gratis klap?’ Ik wees zijn aanbod beleefd af. Later had ik spijt. Waarom niet eerst wat inlichtingen ingewonnen? Misschien had de heer overtuigende argumenten inzake de gratis slaag die ik kon verdienen. Zeker is, dat ik het voorstel anders zou hebben beoordeeld als hij mij een messteek of een schotwond zou hebben aangeboden. Dan zou ik bang geweest zijn; nu was ik enkel verrast.

Hoe komt het dat de zweep westerlingen geen angst meer inboezemt? Is de zweep ingehaald door grootschaligere, geavanceerdere wapens, in vergelijking waarmee zij een ouderwets, primitief en haast onschuldig voorwerp is geworden? Zijn we de slagkracht van de zweep zo ontwend, dat onze verbeelding er niet meer mee uit de voeten kan?

Erotiek gedijt bij taboes. Het mag dan ook geen wonder heten, dat zwepen in geen enkele sekswinkel ontbreken. Net als een penis lijkt een zweep een bepaalde autonomie te bezitten, al blijven beide afhankelijk van een lichaam om tot bezieling en ontlading te komen.

De kettingzweep is populair onder taoïstische en boeddhistische monniken in China. Eindeloos klieven zij met hun vervaarlijke zwepen de lucht en knallen door de geluidsbarrière heen op zoek naar verlossing.

De Nederlandse theatermaker Boukje Schweigman en danseres Ibelisse Guardia Ferragutti namen zweeptraining bij zulke vechtmonniken, en maakten in 2011 de voorstelling Zweep. In een making of-filmpje zegt Guardia Ferragutti: ‘Een zweep heeft geen meester. De zweep is de meester zelf.’

Michelangelo’s Finger (2010) onderzoekt Raymond Tallis waarom mensen, in tegenstelling tot dieren, aan vingerwijzen doen. Volgens Tallis wijzen wij vanwege ons bewustzijn. Wij ervaren onszelf als afzonderlijke individuen, die niet samenvallen met wat ons omringt. Maar we herkennen in onze medemensen geïsoleerde lotgenoten, we zien elkaar kijken. We kunnen elkaars blikken sturen door onzichtbare lijnen te trekken met onze ogen of onze wijsvinger. Is de zweep een verlenging van de wijsvinger, waarmee we andere lichamen onze wil kunnen opleggen? Toch zal niemand ooit volledige controle hebben over een zweep. Het begin van de slag heb je in de hand, maar hoe dat wat je in gang hebt gezet zich precies een weg zal banen, is een ander verhaal. Voor je het weet komt wat je uitzond met dubbele kracht bij je terug, en haalt je onderuit. Het ware klappen van de zweep blijft onkenbaar.

De “High School Shooter” beweging bestaat uit een aantal studenten die op een gegeven moment besloten om hun klasgenoten, docenten, en andere werknemers op hun school of universiteit van het leven te beroven om vervolgens zelfmoord te plegen. Tekenend voor deze beweging is dat allen een aanzienlijke hoeveelheid geschreven, gefilmd, gefotografeerd, of anderzijds opgenomen materiaal achterlieten waarbij zij commentaar leveren en een context geven aan hun daden. Dit materiaal bestaat uit foto’s, films, gedichten, dagboeken, manifesten enzovoort. De volgende personen behoren tot de lijst van high school shooters (deze lijst is geenszins volledig): Eric Harris (1981-1999) en Dylan Klebold (1981-1999), Jeff Weise (1988-2005), Cho Seung-Hui (1984-2007), Pekka-Eric Auvinen (1989-2007) aen Matti Juhani Saari (1986-2008).

Harris en Klebold worden over het algemeen beschouwd als de oprichters van deze beweging. Op 20 april in 1999 vermoordden zij 13 en verwondden zij 24 personen op Columbine High School in Littleton, Colorado, USA. Deze gebeurtenis heeft een aantal kunstzinnige reacties en reflecties aangewakkerd zoals Bowling for Columbine (2002) door Michael Moore, en My Loose Threat (Canongate, 2002) door Dennis Cooper. Hierbij hoort ook Elephant (2003) door Gus van Sant, die stilistisch gebaseerd is op Elephant (1989) door Alan Clarke, over een reeks anonieme moorden in Noord-Ierland.

Meer recent zijn schrijver W.J. van Gerven Oei en kunstenaar Jonas Staal die met gebruik van de theorieën van Franse Situationist Guy Debord de High School Shooter beweging contextualiseren binnen de geschiedenis van (kunstzinnig) protest. In Refutation de tous jugements... (1975) gaat Debord in op de “society of the spectacle”. Hij behandelt bij voorbaat alle mogelijke kritiek op het werk en ontkracht deze onmiddellijk. Net zoals bij de High School Shooters, die volledige verantwoordelijkheid nemen voor hun daden, die zij zien als de ultieme en onvergelijkelijke mogelijkheid van verzet.

De publicatie Follow us or Die (Atropos Press, 2009) door van Gerven Oei en Staal geeft een overzicht van de geschreven stukken, films, en foto’s gemaakt door de High School Shooters, gecontextualiseerd binnen hun eigen werk.

Onze kennis wordt gedefinieerd door lokale situaties. Dit zijn systemen van relaties die gebaseerd worden op alledaagse objecten die gericht zijn op ruimtelijke ontmoetingen.

Een goed voorbeeld is misschien wel het bankje in het museum. Totaal onschuldig staat deze in een witte ruimte, gevrijwaard van de suppoost. Twee vrienden kunnen zich nestelen en een werk bekijken. Maar ook twee vreemden kunnen naast elkaar plaatsnemen en zich vergapen aan wat voor hun neus staat, beweegt, overmeestert. Buiten dit bankje zouden de twee elkaar niet snel treffen; hooguit zouden ze hoffelijk om elkaar heen lopen als ze buiten voor datzelfde museum in elkaars route lagen. Als we beiden links om elkaar heen lopen, kunnen we verder. En dat voor een gewoon bankje. De objecten zelf zijn niet nieuw maar ze creëren nieuwe vormen van sociaal gedrag. Net als een handbal, een draagbare stereo, stapelstoelen of een bar.

Het mooie aan een een dergelijk sociaal systeem is dat ze verder uitbreidt tot andere sociale systemen. Zo bestaat de omgeving van een familie ook uit andere families, relateert het aan politieke systemen, economische systemen, medische systemen, enzovoorts. Hierdoor is de communicatie tussen sociale systemen mogelijk.1

We zijn geneigd het gewoon als een bankje te blijven zien. Maar ze zijn voorzieners. Voorzieners van rust als je het geduld hebt. Of de tijd hebt als jij het niet te druk hebt vanwege je klusjes die je te voldoen hebt. Dit bankje is geen proper getimmerd stuk hout meer; het verhoudt zich opeens tot jou als person en hoe jij op dat moment je dag, week, maand of misschien zelfs jaar hebt ingedeeld.

Is dit bankje nog wel zo passief passief als je dacht? Of observeert deze en relateert het ook tot andere systemen als je thuis en je werkplek? Communiceert deze met andere sociale systemen zoals de kantine op jouw werkplek, waar je op dat moment klaarblijkelijk niet bent, hoe op dat moment men met elkaar omgaat?

Dat is een raar houten bankje. Gewoon in een museum.

1 Lars Fischer over situated knowledge