241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

IJverig probeerde ik mijn gezicht in de plooi te houden terwijl ik keek naar het bordje kroketten en aardbeien voor me. In één van de kroketten zat een deuk waaruit een twijfelachtige inhoud lekte op de frisse aardbei er onder. Een dikke rook bedekte dit treurige schouwspel onder een smerige grijze deken en ik wenste dat ik er een foto van durfde te maken als aandenken. De rook was afkomstig van de sigaret tussen de knokige vingers van de vrouw naast me. Ze hoestte nog even flink over de kroketten heen waarna ze oprecht zei: 'Neem dan toch een kroket meisje.' 'Nee dank je' zei ik terwijl ik mijn recente loopbaankeuze nog eens overdacht.

Tot voor kort werkte ik op een kantoor waar ik intens genoot van de verschillende mensen om me heen en optimistisch had bedacht dat er op elke werkplek prachtmensen werken, en ik daar altijd inspiratie uit kon putten voor betere dagen. Ik zou op deze nieuwe plek verder gaan en al mijn gevonden pareltjes zorgvuldig bewaren. Ik zou ze uitwerken in teksten, projecten en in nog onbekende toekomstplannen. Naast dit vertederende optimisme onderwierp ik mijzelf aan een onderzoek. In hoeverre kon ik mijn ziel verkopen wat betreft bijbanen, en daarnaast volhouden om artistiek verantwoorde dingen te blijven doen? Wanneer zou ik bijvoorbeeld een kunstenaar met een bijbaan in een hotel zijn, en wanneer was ik iemand in dat zelfde hotel met een hobby? Waar is de balans en hoe ver kon ik nog gaan?

De rek zat er ondertussen goed in en ik voelde het zwarte gat al naar me loeren. 'Drommels' dacht ik, terwijl ik mijn motieven om in dit hotel te gaan werken nog eens overpeinsde. De sigaret was inmiddels uitgegaan aan de kroketten en aardbeien werden gretig verslonden door mijn tafelgenoten. Ik bekeek ze één voor één en overwoog hun potentie om onderdeel te worden van mijn volgende project of dan toch een hobby-cursus. De dame naast me was hoe dan ook een prachtexemplaar, en ook de andere vrouwen aan tafel misstonden ook niet in mijn verzameling van fantastische collega's.


Zo had Rita shag kleurig haar, dito broek, en kauwde ze stilletjes op haar boterham, vertrouwde Belinda me hotelgeheimen toe zoals dat je liever geen kamers van wielrenners en Chinezen wilt schoonmaken, en vertelde Denise me trots dat ze haar verleden als drugsverslaafde achter zich had gelaten en alweer dertig jaar voor het hotel werkte. Ze glimlachte haar overgebleven tanden bloot en ik glimlachte terug. Ik vond dat ook mooi voor haar, maar ik krijg altijd een beetje de kriebels als mensen me op een hele nare werkplek vertellen dat ze daar al heel lang werken. Zwetend zie ik dan mijn leven aan me voorbij zie flitsen tot ik opeens zelf die persoon ben die na de academie even tijdelijk iets 'anders' ging doen en voor altijd daar is blijven hangen. Dat mensen op een reünie van de kunstacademie zeggen van: 'Heb je het van Gerda gehoord? Werkt al dertig jaar in een hotel. 'Het Volkshotel? Nee gewoon een hotel. Zo'n eentje vlakbij de snelweg waar niemand de eigenlijk de naam van weet. 'O'

De brullende radiatoren naast onze pauze plek haalden me uit mijn nachtmerrie. Mijn collega's waren inmiddels opgestaan om weer aan het werk te gaan en ik overwoog even om weg te rennen en nooit meer terug te komen. Nu wil ik graag benadrukken dat ik geen enkel probleem heb met schoonmaken en andere soortgelijke banen, maar ik er wel iets wat op voldoening lijkt uit moet halen.. Zo maakte ik in bijvoorbeeld al eerder met grote liefde schoon bij ouderen thuis, bracht ik ontbijt rond in een ziekenhuis, bezorgde ik een hele zomer post (in mijn regenpak) en was ik persoonlijk verantwoordelijk voor het planten van een stuk of duizend plantjes in hele kleine klote potjes aan een lopende band. Na deze reeks van best wel specifieke banen leefde ik me een jaar uit als docent bij een kunstruimte, werkte ik in een geweldige winkel (die jammer genoeg haar deuren sloot) en kwam ik via het kantoor bij dit hotel terecht. Het plan was om er net genoeg te werken om mijn huur te betalen en verder in de naam van de kunst alle kleurrijke bezoekers en hun kamers goed te observeren en daar mijn voordeel mee te doen. Zoals je ondertussen zult vermoeden was mijn teleurstelling groot.

Het was een kleurloos hotel waar mijn taakomschrijving bestond uit kamers er zo schoon mogelijk uit laten zien. Tot voor kort kwam ik zelf graag in een hotel, maar deze dagen lagen nu voor goed achter mij. Ik trok haren van onbekende mensen uit doucheputjes, moest wc's afdrogen met handdoeken (echt) en gebruikte kopjes koud afspoelen en terug zetten (ja echt). Niet alleen werd mijn banen theorie van eerder op de proef gesteld, ik begon ernstig te twijfelen aan mijn karma terwijl ik commando's opvolgde die het hotel veranderde in één grote death trap van bacteriën, ziektes en andere ranzige ongemakken. Ik besloot daarom om de (ranzige) handdoek in de ring te gooien en op zoek te gaan naar een andere bijbaan. Het risico voelde te groot om te kijken waar ik anders uit kwam.

Van de ene vreemde werkomgeving rolde ik zo door in de ander, waar ik vanuit een soort controle centrum vrachtwagenritten inplande door het hele land. Nu ben ik voor iemand van die van de academie komt vrij goed in overzicht houden, coördineren en dingen regelen dus leek het mij niet minder moeilijk om dat met vrachtwagenchauffeurs te doen. Ik werkte ijverig en sneed mezelf in de vingers door alles zo efficiënt in te plannen dat ik drie weken eerder klaar was dan de bedoeling was. Misschien maar beter ook, want mijn collega's wisten dat ik tijdelijk daar was en besloten daarom voor het gemak te doen alsof ik al weg was. Een vreemde ervaring die ik niemand toe wens.

Ondertussen groeide mijn projecten als kool en werd ik gevraagd voor de leukste dingen. Ik werd gevraagd als deelnemer voor een documentaire over creativiteit, richtte een ontmoetingsplek op die veel bezoekers trok, interviewde kunstenaars en hoorde van iedereen hoe goed ik wel niet bezig was. Het klopte dat ik op mijn vrije dagen met veel liefde aan mijn projecten werkte en ze zag groeien, maar het knaagde dat ik nog steeds geen brood kon verdienen met waar ik goed in was. Zo spitte ik zowel door droombanen op het culturele werkvlak als treurige vacatures op het andere.

Als een Russian roulette met banen speelde ik verder. Werd het weer die bijbaan of werd het iets anders? De goden bleken me goed gezind en in plaats van een volgende grauwe werkplek mocht ik een paar maanden mee lopen op de redactie van het tijdschrift Kunstbeeld. Niet alleen ontdekte ik dat mijn helden achter het blad super gezellig waren, maar ook dat er werkplekken bestonden die een beroep doen op je talenten. Ik dook er volop in en mailde heen en weer met kunstenaars en hun assistenten, stelde trillend als een rietje een vraag aan Marlene Dumas en reisde het hele land door in de naam van een kunst. Ik schreef mijn verslagen met liefde, nam alles in mij op en zette me schrap voor wat daarna komen zou.

Ik hoopte met heel mijn hart en ziel dat ik iets kon gaan doen waarin ik zowel mijn hersenen kon laten werken als mijn pen, waar ik zou mogen coördineren en samen kon werken met mensen waar ik blij van word en als kers op de taart ook nog eens het dak boven mijn hoofd kon betalen. Na elke dag een afwijzing in mijn mail kwam daar opeens op een zaterdagavond een berichtje: 'Wat doe jij op dit moment qua werk? Ben je goed in dingen regelen?' Ik keek naar mijn scherm en omhoog, even denkend dat het universum een gemeen grapje met mij uit haalde. ' Ik ben heel goed in dingen regelen.' stuurde ik terug. Na een hoop berichtjes heen en weer en een gesprek ben ik opeens voorzien van een echte bijbaan met alles er op en er aan wat ik leuk vind en goed in ben, werk voor twee hele leuke mensen en bovendien mee mag naar Kaapstad om nog meer fijns te gaan doen.

Terwijl ik deze fantastische plot wending probeer te bevatten denk ik nog eens terug aan afgelopen jaar. Aan het kantoor, aan de vrachtwagens, aan Kunstbeeld en ten slotte ook aan een die kroketten en aardbeien op dat schaaltje bij het hotel. Ik zie de rook er weer over waaien en besef me dat ik aan een zekere bestemming ontsnapt ben. Een glimlach krult langzaam omhoog op mijn gezicht. Voor nu dan.

‘Ik kan geen kunst maken, is dit een ziekte?’ is de eerste vraag die Trudy aan haar publiek stelt. Dehue, filosoof en socioloog in de wetenshap, is gespecialiseerd in wat waarheid en wat de werkelijkheid betekenen binnen de wetenschap. Op het eerste gezicht lijkt de inleidende vraag een vreemde conclusie met zich mee te dragen, maar naarmate haar lezing vordert, hoe meer wij begrijpen dat zo’n conclusie niet eens zo heel vreemd zo zijn.

Volgens Dehue gaat het vaak bij wetenschappelijk onderzoek eerder om het vormen van de werkelijkheid dan het ontdekken ervan. Zoals bij het ontwikkelen van techniek: menselijke grenzen worden steeds verder opgerekt. Zonder het uitvinden van elektrisch licht, bijvoorbeeld, zouden feesten zoals wij ze nu kennen niet bestaan. Om de eenvoudige reden dat het niet mogelijk is om zonder kunstmatig licht ‘uit te gaan’. In dit geval verandert de techniek onze blik op de werkelijkheid doordat we met behulp van kunstmatig licht ineens de nacht kunnen meemaken en zo een heel ander sociaal leven kunnen leiden.


Ook speelt classificatie een grote rol in de manier waarop we de werkelijkheid interpreteren. Je zou jezelf bijvoorbeeld kunnen afvragen of ‘homoseksualiteit’ altijd heeft bestaan. Volgens Dehue is het antwoord op deze vraag: nee, om de eenvoudige reden dat in de oudheid het vaak voorkwam dat men een voorkeur had voor hetzelfde geslacht en dat dit een heel normaal fenomeen was zonder naam. Het is pas sinds Sint Augustine (345-430) dat relaties tussen personen van hetzelfde geslacht als zonde gezien werden, en zodoende een naam kregen.


De eerste DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) werd in 1952 uitgebracht en beschrijft ‘homoseksualiteit’ als een ziekte. Dankzij deze term refereren wij nog steeds aan personen die voor hetzelfde geslacht vallen als ‘homoseksueel’. Een verklaring voor de acceptatie van deze beschrijving zou eraan kunnen liggen dat homoseksuele relaties vaak een negatieve lading hadden. En het is vaak het geval dat wanneer er gekozen kan worden tussen ‘ziek’ of ‘slecht’ er toch vaker voor ‘ziek’ wordt gekozen. Toen behandelingen van deze ‘ziekte’ extreem vernederend bleken werden er campagnes gevoerd om het label uit het DSM te verwijderen. Het vreemde is dat hoewel we inmiddels veel toleranter geworden zijn, we alsnog deze benoeming gebruiken om mensen op hun seksuele voorkeur te definiëren.

Harvard Psychological Laboratory Display. Circa 1892.

Dehue toont ons een afbeelding van een rat met de titel: ‘Hoe depressie pillen te testen?’ Dehue vertelt ons dat wetenschappelijk onderzoek naar medicijnen tegen depressie in eerste instantie met dieren wordt gedaan. Maar hoe onderscheidt je een depressieve rat van een niet depressieve rat? Ten eerste worden ratten gefokt die relatief inactief zijn. Om te weten of de medicijnen effectief zijn worden deze vervolgens getest op hun doorzettingsvermogen. Ze laten een rat bijvoorbeeld aan zijn staart hangen. Hoe harder hij zijn best doet om zichzelf van zijn benarde positie te bevrijden, hoe beter het antidepressivum zou werken. Een ander voorbeeld is de ‘gedwongen te zwemmen’ proef. Hier zijn op You Tube veel beelden van te vinden. Hoe harder het beest zich tegen zijn lot verzet, des te beter het antidepressivum zou zijn. Zelfs in de pillen die wij nemen zitten deze definities ingebed: als mens worden wij dus zo ver gevormd door definities dat zij zelfs bepalen welken medicijnen wij vertrouwen.

Dehue probeert ons te vertellen dat het totaal niet absurd of belachelijk is dat onderzoekers gebruik maken van definities. Wanneer onderzoekers er achter willen komen hoeveel kinderen er in armoede leven moeten ze eerst bepalen wat als armoede geldt. De kwestie van de ratten en de antidepressiva is maar één voorbeeld van hoe het bij wetenschappelijk onderzoek eerder gaat om het vormen van de realiteit dan het ontdekken ervan. Ze probeert te zeggen dat we feiten niet als eenduidige weerspiegelingen van de werkelijkheid moeten beschouwen. We moeten onderzoekers niet alleen naar de feiten vragen, maar ook hoe ze daarop zijn gekomen. Anders schept de wetenschap de werkelijkheid voor ons, zonder ons. Anders gezegd—we zouden de wetenschap moeten bewonderen voor wat het is—een streven om het leven te beïnvloeden– en niet voor datgene wat nooit echt zal kunnen zijn: de ontdekking van ‘de’ waarheid.

Ik ben niet bang voor spinnen. Spinnen herinneren mij vooral aan mijn kindertijd, en in plaats van afkeer voel ik mij eerder nostalgisch bij de gedachte aan een spin.

De spin verschijnt als een koning. Zij zijn de mooiste, de meest mysterieuze. Allemaal bewonderen wij hun buitengewone vermogen spinnenwebben in elkaar te breien: constructies die je zou kunnen zien als iets tussen een boomhut en een wrede val. Het zou ook kunnen dat wij hen bewonderen omdat de menselijke technologie er vooralsnog niet in is geslaagd om een even simpel, licht en tegelijkertijd krachtig bouwwerk te bedenken.

Bij ons staan ze bekend als gevaarlijke vijanden zowel als prooi. De angst voor deze insecten roep bewondering op: het is dan ook verstandig om respect te hebben voor een onheilspellende vijand. Vooral wanneer dat potentieel gevaarlijk, zelfs dodelijk, schepsel zo veel kleiner is dan wij, omdat wij de neiging hebben macht te betrekken op grootte.

Maar wat vooral fascinerende is over deze dieren is dat, hoewel ze even dicht op ons wonen als katten en honden, ze altijd zwijgen. Ze leven naast ons in onze keukens, badkamers, en zolderkamers: maar nooit maken ze ook maar één geluid van goedkeuring. Andere beesten die wij als intelligent beschouwen en met ons samenleven geven blijk van geluk of ontevredenheid, maar niet de spin. Zij ze gewoon afstandelijk? Zoals wij? Of denken ze helemaal niet?

Spinnen bevinden zich in het gebied tussen intelligente dieren en de grijze massa van insecten en lagere vormen van leven zoals bacteriën: gevaarlijk maar zonder persoonlijk eigenschappen. Wanneer we denken aan insecten, dan denken we in termen van HEN, in meervoud, maar de spin verschijnt als een eenzame jager, als een individu. Maar ook bevinden zij zich in het gebied tussen het walgelijke en het fascinerende. Walgelijk zijn hun ogen, die met hun koele blik de wereld inkijken. Hun harige poten maken hen niet zacht en knuffelig, ze zijn eerder de expressie van een oer iets, van de brute kracht van de natuur.

De gigantische spinnen van Louise Bourgeois kunnen worden gezien als een hommage aan deze kleine monsters. Opnieuw bekeken door de kunstenaar bevatten zijn de kernkaraktereigenschappen van deze beesten, maar meer zichtbaar gemaakt, meer tastbaar. Ze drijven boven onze hoofden, net zoals in het echte leven, op hun grote, enge poten. Ineens worden wij omringd door de spin, ze zetten ons in hun schaduw. Maar is dit echt zo vreemd als we bedenken dat ze ons overal om ons heen leven, in de leidingen, onder het tapijt waar we nooit tijd hebben om te stofzuigen, of in de hoek van de kamer waar onze ogen, moe van de dagelijkse routine, nooit de moeite nemen te kijken.

Bourgeois vergeleek de spin met haar moeder en haar alomtegenwoordige aanwezigheid. Mijn herinneringen sturen mij naar mijn grootmoeder, om een aantal redenen. Ten eerste, herinner ik mij een prachtige ketting in de vorm van een spin, gemaakt van plastic. Ik werd hierdoor gefascineerd, ik vroeg me af waar het vandaan kwam, en wie de vorige eigenaar was, hoewel het maar van plastic gemaakt was.

Ook herinner ik mij haar kamer in mijn ouderlijk huis dat echt helemaal vol stond met spinnenwebben en spinnen. Mijn zus en ik mochten ze nooit doden, omdat dat ongeluk zou brengen. In plaats hiervan werden wij geleerd ze te vangen, om ze op een oude krant te laten kruipen en ze zachtjes buiten het raam te leggen zodat ze in de tuin verder konden leven.

In een van zijn boeken schreef Japanse schrijver Yukio Mishimo ooit over zijn angst voor krabben. Hij vertelde dat hij alleen al door het zien van het Japanse karakter voor krab ‘蟹 kon flauwvallen. De vorm van het karakter liet hem zo sterk aan het beest denken dat hij alleen nog de Kana ‘カニ’ versie kon gebruiken. Echter, de heer Mishima kon heerlijk genieten van krab, mitst het als gerecht was klaargemaakt. Hierdoor werd ik herinnerd aan mijn eigen fobie: mijn angst voor vissen.

Vissenogen zijn kil en koud, zijn lijf is bedekt met spiegelende schubben die licht fluorescerend weerkaatsen, en hij zwemt, samengedrukt met andere vissen, in een te kleine met water gevulde ruimte. Vissen bewegen geruisloos, dwalend door een uitbundig versierede vissentank, en steeds keren ze om, alsmaar hun tijd aan het doden.

Wanneer ik vrienden voor het eerst over mijn angst vertel kan ik, naast de blik van verwarring, steeds dezelfde vraag verwachten: ‘Maar eet je vis?’ Ja, ik eet zeker vis. Ik ben dol op sashimi en sushi, ik lust ze rauw, jazeker! Ook ga ik niet door het dolle heen als ik een dode vis in het water zie drijven, of een in stukken gesneden tonijn in de vrieskast vind. Mijn favoriete fotograaf, Araki, heeft een beeldschone foto van het afgesneden hoofd van een zalm met een bos bloemen in zijn mond en ik kan het zeker waarderen. Kleine goudvisjes vind ik leuk, en guppy’s ook—die houd ik sinds mijn kindertijd als huisdier. Zelfs sierlijke vechtersvissen die in afzonderlijke bekertjes worden verkocht vormen nooit een bedreiging.

Mijn vissenfobie is enigszins verwarrend in zijn ambiguïteit, ik ben namelijk niet tegen het algemene concept van ‘de vis’. Ik zou het eerder omschrijven als de angst voor diepzeelandschappen en grote vissen. De laatste keer dat ik een paniekaanval kreeg was terwijl ik aan het browsen was naar vintage handgetekende botanische plaatjes toen ik per ongeluk de categorie ‘leven in de zee’ aanklikte. Elk plaatje toonde vissen uit de oertijd, getekend vanuit verschillende perspectieven. Ondanks dat het maar tekeningen waren van vissen uit een ver verleden kon ik het aanzien nauwelijks uitstaan.

In China worden levende vissen in de supermarkt gehouden om de versheid en kwaliteit van het product te garanderen. Stel je de zoemende geluiden voor van de waterpompen en de UV lampen met hun griezelige blauwe licht! De stad waar ik vandaan kom, Shenzhen aan de zuidkust van China is beroemd om zijn visgerechten, en is dus een oneindige bron voor mijn nachtmerries.

Naarmate de jaren verstreken verergerde mijn symptomen. En dus bleef ik onderzoek doen naar mijn angst. Om er achter te komen waarom aquaria steeds in mijn dromen voorkwamen, las ik een boek over dromen door Freud. Volgens hem ligt de bron van dromen in onze ervaringen en onze jeugdherinneringen.

Terugdenkend aan mijn kindertijd herinnerde ik mij een zomer waarin ik samen met mijn neefje geobsedeerd naar een screensaver op een computerbeeldscherm keek. Het was een vreemde situatie waarin wij urenlang de zwemmende vissen nadeden. Op een bepaald ogenblik, terwijl we keken naar het scherm, werd ik ineens overvallen door een gevoel van angst en afzondering.

In mijn ergste nachtmerrie verdronk ik in een gesloten tank gevuld met water met mijn hoofd vastgeklemd aan de bodem van de smalle container. Boven mij zwommen enorme vissen met hun uitdrukkingsloze gezichten op en neer en om mij heen. Ze vielen mij niet eens aan, maar het voelde alsof tijd op dat moment stilstond in een eindeloze staat van wanhoop. Nadat ik wakker werd lieten de beelden mij niet los en bleef ik de angst heel de dag voelen!

Ik heb mijn conditie op het Internet opgezocht, en was opgelucht te vinden dat ik niet de enige gek ben. Er bestaat een woord voor mijn symptomen: ‘ichthyophobia’, meestal veroorzaakt door een traumatisch voorval.

Het is mij nooit duidelijk geworden wat de oorsprong is van mijn angst. Lang heb ik nagedacht of het misschien te maken heeft met een of andere aquatisch gerelateerde tragedie, zonder resultaat. Afgelopen zomer was ik teleurgesteld te ontdekken dat ik niet eens meer naar een vissenwinkel in de verte durfde te kijken, terwijl ik twee jaar geleden wel tien minuten in zo’n winkel kon doorbrengen. Ik heb geprobeerd mezelf te dwingen om naar vissentanks in de supermarkt te kijken en om niet bang te zijn. Maar elke keer dat ik er een zie sluit ik onmiddellijk mijn ogen, haal ik diep adem om mijn bonzende hart te kalmeren en loop ik zo snel mogelijk weg zodat de angst kan wegvloeien.

Op een dag besloot iemand dat er een einde moest komen aan de vele vragen waar niemand een antwoord op wist. Die persoon opende een kantoor waar je naar binnen kunt stappen, zoals je dat ook doet bij een gemeentehuis of postkantoor. Je trekt een nummertje en zodra je aan de beurt bent, loop je naar de balie en stel je aan de medewerker je meest prangende vraag. Vervolgens loop je met een antwoord voldaan de deur weer uit.

Ik wou dat het bestond. Alleen zou ik niet weten welke vraag ik het eerste zou moeten stellen, want ik heb er zoveel: Waar blijft het licht als ik het uitdoe? Wat was er voor de oerknal? Waar is het einde van het heelal? Bestaat God? Wat is oneindigheid? Bestaan onzichtbare dingen? Daar komt bij dat de kans groot is dat het antwoord dat ik dan krijg, weer nieuwe vragen oproept.

Ik sta in Berlijn voor de deur van het instituut voor 'onbeantwoordbare vragen en onoplosbare problemen.' Het gebouw staat op een hoek en is opgetrokken uit wit zandsteen met hoge spiegelende ramen in metalen kozijnen. Boven de voordeur staat in roze letters: 'Denkerei'. Op het eerste gezicht lijkt dit meer op een bankkantoor of een sjiek, maar gedateerd hotel. Links en rechts van de deur zijn de ramen beplakt met zinnen, zoals:

·Denker in dienst

·Instituut voor theoretische kunst, universele poezie en vooruitzichten

·Algemeen secretariaat van de juistheid en van de ziel


Bij de Denkerei is iedereen welkom om naar binnen te stappen en zijn of haar vraag te stellen aan de aanwezige medewerker. Ik stel me voor dat deze medewerker dan uit een grote kluis een dik boek tevoorschijn haalt, het doorbladert en dan het antwoord met de vinger onder de regel aan mij opleest. Maar nee, zo werkt het niet. De Denkerei is geen orakel, geen magazijn van antwoorden. Hier wordt door wetenschappers, kunstenaars, politici en schrijvers nagedacht, geformuleerd en gediscussieerd.

Ik probeer de voordeur te openen. Eerst komt deze niet in beweging. Pas als ik me schrap zet en met mijn hele gewicht tegen de deur leun, gaat hij open. Ik stap naar binnen. De deur valt achter me dicht. Straatgeluiden liggen ver achter me. Is er een verband tussen de zwaarte van een deur en de gewichtigheid van een plek?

Ik sta in een grote ruimte op een parketvloer die zich glimmend uitstrekt over de gehele diepte van het pand. Witte, gladgestucte muren, een smalle tafel met een bombastisch bloemstuk, stoelen op een rij gericht op een leeg podium, maar ook een zithoek en een bar waarboven lampen hangen voorzien van het logo van de Denkerei die een zachtrood licht verspreiden. Aan de muur hangen kunstwerken: beschilderde panelen met daarop een intrigerend spel van perspectiefswisselingen. Deze ruimte is een kruising tussen een wachtkamer, galerie en hotellobby.

Aan tafel zit een man met een stapel kranten voor zich. Zijn gezicht herken ik direct van de presentaties die ik op Youtube heb bekeken. Het is Bazon Brock: kunstenaar, dramaturg, hoogleraar esthetiek en oprichter van de Denkerei. Hij hield lezingen terwijl hij op zijn hoofd stond en woonde een tijdje in een vitrine,las ik op Wikipedia, maar gelukkig zit hij nu gewoon op een stoel aan een tafel.

'Iedereen kan hier binnenlopen en een vraag stellen,' vertelt Brock. Als de vraag genoeg stof tot nadenken geeft, wordt er in de Denkerei een symposium aan gewijd. Denkers uit verschilende disciplines, zoals biologie, geologie, filosofie en geneeskunde, maar ook uit de literatuur en kunst, buigen zich over de vraag en verbinden kennis uit de verschillende disciplines. Daarnaast wordt ook het denken zelf aangescherpt. 'Dichters leren wetenschappers denken en wetenschappers leren dichters hoe ze vragen moeten stellen,' volgens Brock. Dit leidt niet tot kant-en-klare antwoorden; de onbeantwoordbare vraag blijft, ook nadat er een symposium aan gewijd is, een onbeantwoordbare vraag. Het gaat bij de Denkerei niet om het vinden van een antwoord, een quick fix of oplossing. Het denken zelf staat centraal, en dat denken is niet zo gemakkelijk als het lijkt. 'Leren om goede vragen te stellen is essentieel,' zegt Brock. Je moet weten weten welke vragen je stelt en hoe je deze formuleert. Op school leren we dat niet. In plaats daarvan leren we antwoorden te produceren waardoor wij niet meer weten wat de vraag eigenlijk was die eraan voorafging.

De Denkerei deelt dus geen antwoorden uit en plakt geen pleisters op piekerende breinen. Er gaat geen geruststelling van uit, zoals het effect soms als je met een kwaal de dokter bezoekt: al ben je nog steeds ziek of heb je pijn wanneer je de spreekkamer verlaat, je voelt je toch al een stuk beter als je denkt aan het onleesbare recept in je tas. Een formule voor verlossing van je ziekte of pijn, als een antwoord op een vraag zodat je niet verder hoeft te denken.

Daar is bij de Denkerei geen sprake van. Nadat ik twintig minuten de tijd kreeg om vragen te stellen aan Bazon Brock zal ik deze plek verlaten met evenzoveel nieuwe vragen.

'Als je een goede vraag kunt stellen, dan begrijp je dat een antwoord ook een vraag is. Een antwoord is een vraag in een andere hoedanigheid.' Nadat Brock me dit gezegd heeft begeleidt hij me naar de deur. Door het raam zie ik dat het regent terwijl de zon schijnt.

Misschien bestaan er wel vragen ómdat er antwoorden bestaan.

Het bezoek van Dorien de Wit aan de Denkerei in Berlijn maakt deel uit van haar onderzoek naar het dichter bijeen brengen van kunst, wetenschap en maatschappij. Dit onderzoek wordt mogelijk gemaakt door een Ontwikkelbudget van het Amsterdams Fonds voor de Kunst.