241 Things

1000 Things is een subjectieve encyclopedie van inspirerende ideeën, dingen, personen en gebeurtenissen.

Lees de meest recente artikelen, of mail de redactie om bij te dragen.

Studium Generale 1000things lectures, The Hague

241 Things

IJverig probeerde ik mijn gezicht in de plooi te houden terwijl ik keek naar het bordje kroketten en aardbeien voor me. In één van de kroketten zat een deuk waaruit een twijfelachtige inhoud lekte op de frisse aardbei er onder. Een dikke rook bedekte dit treurige schouwspel onder een smerige grijze deken en ik wenste dat ik er een foto van durfde te maken als aandenken. De rook was afkomstig van de sigaret tussen de knokige vingers van de vrouw naast me. Ze hoestte nog even flink over de kroketten heen waarna ze oprecht zei: 'Neem dan toch een kroket meisje.' 'Nee dank je' zei ik terwijl ik mijn recente loopbaankeuze nog eens overdacht.

Tot voor kort werkte ik op een kantoor waar ik intens genoot van de verschillende mensen om me heen en optimistisch had bedacht dat er op elke werkplek prachtmensen werken, en ik daar altijd inspiratie uit kon putten voor betere dagen. Ik zou op deze nieuwe plek verder gaan en al mijn gevonden pareltjes zorgvuldig bewaren. Ik zou ze uitwerken in teksten, projecten en in nog onbekende toekomstplannen. Naast dit vertederende optimisme onderwierp ik mijzelf aan een onderzoek. In hoeverre kon ik mijn ziel verkopen wat betreft bijbanen, en daarnaast volhouden om artistiek verantwoorde dingen te blijven doen? Wanneer zou ik bijvoorbeeld een kunstenaar met een bijbaan in een hotel zijn, en wanneer was ik iemand in dat zelfde hotel met een hobby? Waar is de balans en hoe ver kon ik nog gaan?

De rek zat er ondertussen goed in en ik voelde het zwarte gat al naar me loeren. 'Drommels' dacht ik, terwijl ik mijn motieven om in dit hotel te gaan werken nog eens overpeinsde. De sigaret was inmiddels uitgegaan aan de kroketten en aardbeien werden gretig verslonden door mijn tafelgenoten. Ik bekeek ze één voor één en overwoog hun potentie om onderdeel te worden van mijn volgende project of dan toch een hobby-cursus. De dame naast me was hoe dan ook een prachtexemplaar, en ook de andere vrouwen aan tafel misstonden ook niet in mijn verzameling van fantastische collega's.


Zo had Rita shag kleurig haar, dito broek, en kauwde ze stilletjes op haar boterham, vertrouwde Belinda me hotelgeheimen toe zoals dat je liever geen kamers van wielrenners en Chinezen wilt schoonmaken, en vertelde Denise me trots dat ze haar verleden als drugsverslaafde achter zich had gelaten en alweer dertig jaar voor het hotel werkte. Ze glimlachte haar overgebleven tanden bloot en ik glimlachte terug. Ik vond dat ook mooi voor haar, maar ik krijg altijd een beetje de kriebels als mensen me op een hele nare werkplek vertellen dat ze daar al heel lang werken. Zwetend zie ik dan mijn leven aan me voorbij zie flitsen tot ik opeens zelf die persoon ben die na de academie even tijdelijk iets 'anders' ging doen en voor altijd daar is blijven hangen. Dat mensen op een reünie van de kunstacademie zeggen van: 'Heb je het van Gerda gehoord? Werkt al dertig jaar in een hotel. 'Het Volkshotel? Nee gewoon een hotel. Zo'n eentje vlakbij de snelweg waar niemand de eigenlijk de naam van weet. 'O'

De brullende radiatoren naast onze pauze plek haalden me uit mijn nachtmerrie. Mijn collega's waren inmiddels opgestaan om weer aan het werk te gaan en ik overwoog even om weg te rennen en nooit meer terug te komen. Nu wil ik graag benadrukken dat ik geen enkel probleem heb met schoonmaken en andere soortgelijke banen, maar ik er wel iets wat op voldoening lijkt uit moet halen.. Zo maakte ik in bijvoorbeeld al eerder met grote liefde schoon bij ouderen thuis, bracht ik ontbijt rond in een ziekenhuis, bezorgde ik een hele zomer post (in mijn regenpak) en was ik persoonlijk verantwoordelijk voor het planten van een stuk of duizend plantjes in hele kleine klote potjes aan een lopende band. Na deze reeks van best wel specifieke banen leefde ik me een jaar uit als docent bij een kunstruimte, werkte ik in een geweldige winkel (die jammer genoeg haar deuren sloot) en kwam ik via het kantoor bij dit hotel terecht. Het plan was om er net genoeg te werken om mijn huur te betalen en verder in de naam van de kunst alle kleurrijke bezoekers en hun kamers goed te observeren en daar mijn voordeel mee te doen. Zoals je ondertussen zult vermoeden was mijn teleurstelling groot.

Het was een kleurloos hotel waar mijn taakomschrijving bestond uit kamers er zo schoon mogelijk uit laten zien. Tot voor kort kwam ik zelf graag in een hotel, maar deze dagen lagen nu voor goed achter mij. Ik trok haren van onbekende mensen uit doucheputjes, moest wc's afdrogen met handdoeken (echt) en gebruikte kopjes koud afspoelen en terug zetten (ja echt). Niet alleen werd mijn banen theorie van eerder op de proef gesteld, ik begon ernstig te twijfelen aan mijn karma terwijl ik commando's opvolgde die het hotel veranderde in één grote death trap van bacteriën, ziektes en andere ranzige ongemakken. Ik besloot daarom om de (ranzige) handdoek in de ring te gooien en op zoek te gaan naar een andere bijbaan. Het risico voelde te groot om te kijken waar ik anders uit kwam.

Van de ene vreemde werkomgeving rolde ik zo door in de ander, waar ik vanuit een soort controle centrum vrachtwagenritten inplande door het hele land. Nu ben ik voor iemand van die van de academie komt vrij goed in overzicht houden, coördineren en dingen regelen dus leek het mij niet minder moeilijk om dat met vrachtwagenchauffeurs te doen. Ik werkte ijverig en sneed mezelf in de vingers door alles zo efficiënt in te plannen dat ik drie weken eerder klaar was dan de bedoeling was. Misschien maar beter ook, want mijn collega's wisten dat ik tijdelijk daar was en besloten daarom voor het gemak te doen alsof ik al weg was. Een vreemde ervaring die ik niemand toe wens.

Ondertussen groeide mijn projecten als kool en werd ik gevraagd voor de leukste dingen. Ik werd gevraagd als deelnemer voor een documentaire over creativiteit, richtte een ontmoetingsplek op die veel bezoekers trok, interviewde kunstenaars en hoorde van iedereen hoe goed ik wel niet bezig was. Het klopte dat ik op mijn vrije dagen met veel liefde aan mijn projecten werkte en ze zag groeien, maar het knaagde dat ik nog steeds geen brood kon verdienen met waar ik goed in was. Zo spitte ik zowel door droombanen op het culturele werkvlak als treurige vacatures op het andere.

Als een Russian roulette met banen speelde ik verder. Werd het weer die bijbaan of werd het iets anders? De goden bleken me goed gezind en in plaats van een volgende grauwe werkplek mocht ik een paar maanden mee lopen op de redactie van het tijdschrift Kunstbeeld. Niet alleen ontdekte ik dat mijn helden achter het blad super gezellig waren, maar ook dat er werkplekken bestonden die een beroep doen op je talenten. Ik dook er volop in en mailde heen en weer met kunstenaars en hun assistenten, stelde trillend als een rietje een vraag aan Marlene Dumas en reisde het hele land door in de naam van een kunst. Ik schreef mijn verslagen met liefde, nam alles in mij op en zette me schrap voor wat daarna komen zou.

Ik hoopte met heel mijn hart en ziel dat ik iets kon gaan doen waarin ik zowel mijn hersenen kon laten werken als mijn pen, waar ik zou mogen coördineren en samen kon werken met mensen waar ik blij van word en als kers op de taart ook nog eens het dak boven mijn hoofd kon betalen. Na elke dag een afwijzing in mijn mail kwam daar opeens op een zaterdagavond een berichtje: 'Wat doe jij op dit moment qua werk? Ben je goed in dingen regelen?' Ik keek naar mijn scherm en omhoog, even denkend dat het universum een gemeen grapje met mij uit haalde. ' Ik ben heel goed in dingen regelen.' stuurde ik terug. Na een hoop berichtjes heen en weer en een gesprek ben ik opeens voorzien van een echte bijbaan met alles er op en er aan wat ik leuk vind en goed in ben, werk voor twee hele leuke mensen en bovendien mee mag naar Kaapstad om nog meer fijns te gaan doen.

Terwijl ik deze fantastische plot wending probeer te bevatten denk ik nog eens terug aan afgelopen jaar. Aan het kantoor, aan de vrachtwagens, aan Kunstbeeld en ten slotte ook aan een die kroketten en aardbeien op dat schaaltje bij het hotel. Ik zie de rook er weer over waaien en besef me dat ik aan een zekere bestemming ontsnapt ben. Een glimlach krult langzaam omhoog op mijn gezicht. Voor nu dan.


Nabokov stelde de volgende vragenlijst op voor een groep studenten tijdens zijn toer aan universiteiten:

Selecteer vier antwoorden op de vraag wat een lezer tot goede lezer maakt:

1.De lezer zou lid moeten zijn van een leesclub.

2.De lezer zou zich met de held of heldin moeten identificeren.

3.De lezer zou zich moeten concentreren op het sociaal-economisch perspectief.

4.De lezer zou een verhaal met actie en dialoog de voorkeur moeten geven boven één zonder.

5.De lezer zou de filmversie van het boek moeten hebben gezien.

6.De lezer zou een schrijver in spé moeten zijn.

7.De lezer zou verbeelding moeten hebben.

8.De lezer zou een goed geheugen moeten hebben.

9.De lezer zou een woordenboek bij de hand moeten hebben.

10.De lezer zou enig artistiek gevoel moeten hebben.

De studenten kozen massaal voor emotionele identificatie, actie, en het sociaal-economisch of historisch perspectief. Zoals je al hebt kunnen raden, is de goede lezer daarentegen degene die verbeelding, herinnering, een woordenboek, en artistiek gevoel heeft--en ik stel voor dat laatste in mijzelf en anderen te ontwikkelen wanneer ik de kans krijg.

Scene from Nabokov's Lolita

Het woord lezer gebruik ik trouwens erg losjes. Eigenaardig genoeg kan iemand een boek niet lezen, maar alleen herlezen. Een goede lezer, een behoorlijke lezer, een actieve en creatieve lezer is een her-lezer. En ik zal je vertellen waarom. Wanneer we een boek voor het eerst lezen, is het proces waarin we moeizaam onze ogen van links naar rechts bewegen, regel na regel, bladzijde na bladzijde, dit ingewikkelde lichamelijke werk met het boek, het proces in de ruimte en tijd waarin we leren waar het boek over gaat, dit proces zelf staat in de weg bij het ontwikkelen van onze artistieke waardering.


Wanneer we naar een schilderij kijken, hoeven we onze ogen niet op een bijzondere manier te bewegen zelfs als, zoals bij een boek, het beeld voor onze ogen elementen van dieptewerking en ontwikkeling heeft. Het element van de tijd komt eigenlijk niet kijken bij het eerste contact met een schilderij. Wanneer we een boek lezen hebben we tijd nodig om er vertrouwd mee te geraken. We hebben geen lichamelijk orgaan (zoals we in het geval van het schilderij het oog hebben) waarmee we het hele werk kunnen aanschouwen om vervolgens op de details te concentreren. Maar als we voor de tweede, derde, of zelfs vierde keer lezen verhouden we ons in zekere zin tot een boek zoals tot een schilderij.

Nakobov in 1919

Maar laten we het fysieke oog, dat monsterlijke meesterwerk van de evolutie, niet verwarren met het geestesoog, een nog monsterlijker instrument. Een boek, wat het ook is -- fictie of wetenschap (het onderscheid tussen de twee is niet zo duidelijk als doorgaans wordt gedacht) -- een literair boek doet allereerst een appel op de mentale vermogens. De geest, het brein, het uiteinde van de wervelkolom is het enige instrument waarmee we op een boek inwerken- of dat zou zo moeten zijn.

De Spaanse binnenhuisarchitect en televisiefan Iñaki Aliste Lizarralde tekent gedetailleerde plattegronden van huizen uit televisieseries en films.

Van Will & Grace tot The Big Bang Theory en van Up tot Breakfast at Tiffany’s: liefhebbers zullen de huizen, waar ze zo vaak naar binnen hebben gekeken, meteen herkennen.

Lizarralde (42) bestudeert de series minutieus om precies uit te vinden waar welke meubels staan en hoe de kamers zich ten opzichte van elkaar verhouden. ‘Een jaar of vijf geleden ben ik voor mezelf het interieur van Frasier gaat tekenen,’ mailt hij vanuit Azpeitia, een stadje in het Spaanse gedeelte van Baskenland.

‘Ik vond het een leuke serie en een mooi appartement en ik wilde graag uitzoeken hoe het in elkaar zat. Toen vroeg een vriendin of ik voor haar de plattegrond van Carries flat uit Sex and the City wilde tekenen. Zo is het balletje gaan rollen.’

Lizarralde is naar eigen zeggen geen obsessieve televisiekijker. ‘Mijn eigen smaak is een tikje ouderwets: ik kijk graag naar Six Feet Under, Upstairs/Downstairs en Twin Peaks.’ Maar om een plattegrond te maken bekijkt hij wel alle afleveringen van een serie, met zijn hand aan de vooruitknop, om niets van het interieur te missen.

‘Afleveringen waarin de huizen duidelijk in beeld komen, bekijk ik extra goed. De belangrijkste set, meestal de woonkamer, komt in alle afleveringen voor, dus dat is makkelijk. Maar kamers waarin zich niet zo veel scènes afspelen, worden steeds opnieuw opgebouwd op een andere plaats in de studio. Interieurs van huizen uit films zijn vaak moeilijk samen te stellen, omdat je in een film zelden het hele huis te zien krijgt.’

Omdat de meeste series in televisiestudio’s worden opgenomen, zien de plattegronden er niet uit als een vierkant of een rechthoek, zoals een normaal huis. ‘Films worden vaak in gesloten sets opgenomen, die lijken op een gewoon huis. Maar sets van series en sitcoms zijn eigenlijk meer theatersets,’ legt de binnenhuisarchitect uit. ‘De ontwerpers halen trucs uit om ze groter te laten lijken. Daarom hebben veel plattegronden een soort trapeziumvorm. Het appartement van Jerry Seinfeld, bijvoorbeeld, is eigenlijk piepklein. De hoeken van de muren zijn groter dan negentig graden om de acteurs en de meubels de ruimte te geven. Ook geven de hoekige vormen dynamiek aan de kamer.’ Lizzaralde probeert er geen gewone huizen van te maken, maar hij tekent ook de sets niet precies na. ‘Ik vertaal het theateraspect naar architectuur, dat vind ik het interessante.’

Inmiddels is de tekenaar werkloos (‘om uiteenlopende redenen’), maar hij gebruikt zijn twintig jaar ervaring in de binnenhuisarchitectuur om de plattegronden zo waarheidsgetrouw mogelijk te maken. ‘Ik heb veel verstand van afmetingen en verhoudingen. In de definitieve tekening moet alles kloppen: de afmetingen, verhoudingen, meubels, tot aan de kleuren van het houtwerk en de plek van de accessoires.’

De uiteindelijke tekeningen maakt Lizzaralde met viltstift, inkt en kleurpotlood op grof tekenkarton. ‘Ik vind dat een rustgevende manier van werken. Als binnenhuisarchitect gebruikte ik ook wel de computer, maar deze plattegronden wilde ik de warmte geven van een handgemaakte tekening.’

Het kost hem ongeveer dertig tot veertig uur om een tekening af te maken. Via de website Etsy.com verkoopt hij zijn werk. Dan tekent hij de tekeningen over, wat hem nog eens tien tot vijftien uur kost. Voor veertig euro hangt er al een aan de muur.

‘Ik kan geen kunst maken, is dit een ziekte?’ is de eerste vraag die Trudy aan haar publiek stelt. Dehue, filosoof en socioloog in de wetenshap, is gespecialiseerd in wat waarheid en wat de werkelijkheid betekenen binnen de wetenschap. Op het eerste gezicht lijkt de inleidende vraag een vreemde conclusie met zich mee te dragen, maar naarmate haar lezing vordert, hoe meer wij begrijpen dat zo’n conclusie niet eens zo heel vreemd zo zijn.

Volgens Dehue gaat het vaak bij wetenschappelijk onderzoek eerder om het vormen van de werkelijkheid dan het ontdekken ervan. Zoals bij het ontwikkelen van techniek: menselijke grenzen worden steeds verder opgerekt. Zonder het uitvinden van elektrisch licht, bijvoorbeeld, zouden feesten zoals wij ze nu kennen niet bestaan. Om de eenvoudige reden dat het niet mogelijk is om zonder kunstmatig licht ‘uit te gaan’. In dit geval verandert de techniek onze blik op de werkelijkheid doordat we met behulp van kunstmatig licht ineens de nacht kunnen meemaken en zo een heel ander sociaal leven kunnen leiden.


Ook speelt classificatie een grote rol in de manier waarop we de werkelijkheid interpreteren. Je zou jezelf bijvoorbeeld kunnen afvragen of ‘homoseksualiteit’ altijd heeft bestaan. Volgens Dehue is het antwoord op deze vraag: nee, om de eenvoudige reden dat in de oudheid het vaak voorkwam dat men een voorkeur had voor hetzelfde geslacht en dat dit een heel normaal fenomeen was zonder naam. Het is pas sinds Sint Augustine (345-430) dat relaties tussen personen van hetzelfde geslacht als zonde gezien werden, en zodoende een naam kregen.


De eerste DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) werd in 1952 uitgebracht en beschrijft ‘homoseksualiteit’ als een ziekte. Dankzij deze term refereren wij nog steeds aan personen die voor hetzelfde geslacht vallen als ‘homoseksueel’. Een verklaring voor de acceptatie van deze beschrijving zou eraan kunnen liggen dat homoseksuele relaties vaak een negatieve lading hadden. En het is vaak het geval dat wanneer er gekozen kan worden tussen ‘ziek’ of ‘slecht’ er toch vaker voor ‘ziek’ wordt gekozen. Toen behandelingen van deze ‘ziekte’ extreem vernederend bleken werden er campagnes gevoerd om het label uit het DSM te verwijderen. Het vreemde is dat hoewel we inmiddels veel toleranter geworden zijn, we alsnog deze benoeming gebruiken om mensen op hun seksuele voorkeur te definiëren.

Harvard Psychological Laboratory Display. Circa 1892.

Dehue toont ons een afbeelding van een rat met de titel: ‘Hoe depressie pillen te testen?’ Dehue vertelt ons dat wetenschappelijk onderzoek naar medicijnen tegen depressie in eerste instantie met dieren wordt gedaan. Maar hoe onderscheidt je een depressieve rat van een niet depressieve rat? Ten eerste worden ratten gefokt die relatief inactief zijn. Om te weten of de medicijnen effectief zijn worden deze vervolgens getest op hun doorzettingsvermogen. Ze laten een rat bijvoorbeeld aan zijn staart hangen. Hoe harder hij zijn best doet om zichzelf van zijn benarde positie te bevrijden, hoe beter het antidepressivum zou werken. Een ander voorbeeld is de ‘gedwongen te zwemmen’ proef. Hier zijn op You Tube veel beelden van te vinden. Hoe harder het beest zich tegen zijn lot verzet, des te beter het antidepressivum zou zijn. Zelfs in de pillen die wij nemen zitten deze definities ingebed: als mens worden wij dus zo ver gevormd door definities dat zij zelfs bepalen welken medicijnen wij vertrouwen.

Dehue probeert ons te vertellen dat het totaal niet absurd of belachelijk is dat onderzoekers gebruik maken van definities. Wanneer onderzoekers er achter willen komen hoeveel kinderen er in armoede leven moeten ze eerst bepalen wat als armoede geldt. De kwestie van de ratten en de antidepressiva is maar één voorbeeld van hoe het bij wetenschappelijk onderzoek eerder gaat om het vormen van de realiteit dan het ontdekken ervan. Ze probeert te zeggen dat we feiten niet als eenduidige weerspiegelingen van de werkelijkheid moeten beschouwen. We moeten onderzoekers niet alleen naar de feiten vragen, maar ook hoe ze daarop zijn gekomen. Anders schept de wetenschap de werkelijkheid voor ons, zonder ons. Anders gezegd—we zouden de wetenschap moeten bewonderen voor wat het is—een streven om het leven te beïnvloeden– en niet voor datgene wat nooit echt zal kunnen zijn: de ontdekking van ‘de’ waarheid.

Ik ben niet bang voor spinnen. Spinnen herinneren mij vooral aan mijn kindertijd, en in plaats van afkeer voel ik mij eerder nostalgisch bij de gedachte aan een spin.

De spin verschijnt als een koning. Zij zijn de mooiste, de meest mysterieuze. Allemaal bewonderen wij hun buitengewone vermogen spinnenwebben in elkaar te breien: constructies die je zou kunnen zien als iets tussen een boomhut en een wrede val. Het zou ook kunnen dat wij hen bewonderen omdat de menselijke technologie er vooralsnog niet in is geslaagd om een even simpel, licht en tegelijkertijd krachtig bouwwerk te bedenken.

Bij ons staan ze bekend als gevaarlijke vijanden zowel als prooi. De angst voor deze insecten roep bewondering op: het is dan ook verstandig om respect te hebben voor een onheilspellende vijand. Vooral wanneer dat potentieel gevaarlijk, zelfs dodelijk, schepsel zo veel kleiner is dan wij, omdat wij de neiging hebben macht te betrekken op grootte.

Maar wat vooral fascinerende is over deze dieren is dat, hoewel ze even dicht op ons wonen als katten en honden, ze altijd zwijgen. Ze leven naast ons in onze keukens, badkamers, en zolderkamers: maar nooit maken ze ook maar één geluid van goedkeuring. Andere beesten die wij als intelligent beschouwen en met ons samenleven geven blijk van geluk of ontevredenheid, maar niet de spin. Zij ze gewoon afstandelijk? Zoals wij? Of denken ze helemaal niet?

Spinnen bevinden zich in het gebied tussen intelligente dieren en de grijze massa van insecten en lagere vormen van leven zoals bacteriën: gevaarlijk maar zonder persoonlijk eigenschappen. Wanneer we denken aan insecten, dan denken we in termen van HEN, in meervoud, maar de spin verschijnt als een eenzame jager, als een individu. Maar ook bevinden zij zich in het gebied tussen het walgelijke en het fascinerende. Walgelijk zijn hun ogen, die met hun koele blik de wereld inkijken. Hun harige poten maken hen niet zacht en knuffelig, ze zijn eerder de expressie van een oer iets, van de brute kracht van de natuur.

De gigantische spinnen van Louise Bourgeois kunnen worden gezien als een hommage aan deze kleine monsters. Opnieuw bekeken door de kunstenaar bevatten zijn de kernkaraktereigenschappen van deze beesten, maar meer zichtbaar gemaakt, meer tastbaar. Ze drijven boven onze hoofden, net zoals in het echte leven, op hun grote, enge poten. Ineens worden wij omringd door de spin, ze zetten ons in hun schaduw. Maar is dit echt zo vreemd als we bedenken dat ze ons overal om ons heen leven, in de leidingen, onder het tapijt waar we nooit tijd hebben om te stofzuigen, of in de hoek van de kamer waar onze ogen, moe van de dagelijkse routine, nooit de moeite nemen te kijken.

Bourgeois vergeleek de spin met haar moeder en haar alomtegenwoordige aanwezigheid. Mijn herinneringen sturen mij naar mijn grootmoeder, om een aantal redenen. Ten eerste, herinner ik mij een prachtige ketting in de vorm van een spin, gemaakt van plastic. Ik werd hierdoor gefascineerd, ik vroeg me af waar het vandaan kwam, en wie de vorige eigenaar was, hoewel het maar van plastic gemaakt was.

Ook herinner ik mij haar kamer in mijn ouderlijk huis dat echt helemaal vol stond met spinnenwebben en spinnen. Mijn zus en ik mochten ze nooit doden, omdat dat ongeluk zou brengen. In plaats hiervan werden wij geleerd ze te vangen, om ze op een oude krant te laten kruipen en ze zachtjes buiten het raam te leggen zodat ze in de tuin verder konden leven.